Dirk Leyman (1965) is literair journalist. Hij schrijft sinds 2000 voor De Morgen over Nederlandse en Franse literatuur en volgt er het boekennieuws op. Leyman is verder ook medewerker van de VRT-cultuurwebsite Cobra.be en het jaarboek Snoecks. Hij levert bijdragen en essays aan diverse bladen en tijdschriften én publiceert ook geregeld over fotografie. Tussen 2006 en 2011 coördineerde hij de door hem in het leven geroepen website De papieren man, die verder leeft op Facebook. Leyman voert de redactie over de Belgica-reeks van uitgeverij Voetnoot en is gastheer van het interviewprogramma ‘Boeken op Woensdag’ van Antwerpen Boekenstad.
Nr 1.


Ilja Leonard Pfeijffer. La Superba. De Arbeiderspers, 360 p.
Stefan Hertmans. Oorlog en terpentijn. De Bezige Bij, 304 p.
Nr 2.
Met Op de kaart (Podium/Luster) schreef de Britse auteur Simon Garfield een verrukkelijk boek over de geschiedenis van wereldbollen en landkaarten, vol cartografische hoogstandjes en pittige wetenswaardigheden. De impact van Google Earth, Street View en gps verliest hij niet uit het oog. “Nu staat ieder individu in het hart van zijn eigen wereldkaart”, schrijft Garfield. “Nu zijn we zelf de spil waar de wereld braaf omheen draait”. En hij pleit voor het vermogen om af en toe te verdwalen. Garfield is het soort wetenschapsjournalist waar je in ons taalgebied al vaak met een vergrootglas moet naar zoeken. Hij maakt geen knieval voor het publiek, heeft zijn research grondig verricht, toont een scherp gevoel voor anekdotiek én zorgt voor een occasionele snuif humor. Intussen heeft hij een nieuw boek uit: To the letter, over de geschiedenis van de brievenpost.
Nr 3.
In de Franse literatuur duiken talloze nieuwe stemmen op, die in 2013 de bevestiging van hun talent leverden: Thomas Clerc, Yannick Haenel, Tristan Garcia, Loïc Merle en Alice Zeniter, om er slechts een aantal te noemen. Toch raakte ik opnieuw volkomen in de ban van Jean-Philippe Toussaint. Met Nue schreef hij het sluitstuk aan zijn tetralogie omtrent Marie Madeleine Marguerite de Montalte, modestiliste en gezellin van de verteller van het verhaal. Ze is de geliefde die in vier romans opduikt, verdwijnt, terugkeert of weer in de luwte belandt, zwevend over de continenten. Het resulteert in een prachtig vierluik over ‘une séparation’ die er in feite geen is. Want telkens weer komen de (ex-)geliefden weer in elkaars vaarwater. Een subliem portret van een ongrijpbare vrouw, gevat in een minutieuze stijl vol ironische terzijdes. Ook Patrick Modiano leverde valeur sûre met het in 2013 vertaalde Het gras van de nacht. De roman is weer zo'n bijzondere reis zonder eindstation, die ons meevoert naar transitzones en terrains vagues, naar de benauwenis van het Montparnasse van de jaren zestig. Uit die schemergebieden laat Modiano vreemd genoeg een fragiele troost opwasemen, mede door het subtiele fluïdum van zijn stijl. Twee andere Franse romans verdienen evenzeer een hoge notering: de herontdekking van De necrofiel van Gabrielle Wittkop een kleine, diabolische maar briljante schandaalroman uit 1972 en Lijfboek van Daniel Pennac, een vernuftige bespiegeling in dagboekvorm over de fratsen die ons eigen lichaam ons bereidt.
Jean-Philippe Toussaint. Nue. Editions de Minuit, 176 p.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten