Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 31 december 2010

Pad



Het is de tijd van het jaar. Ze zijn overal. Sommige zijn frequent, andere hoogst zeldzaam, maar soorten bestaan er genoeg. Te veel, zelfs. De meest bekende zijn misschien de wijnindigestie, de wildindigestie, de zeevruchtenindigestie en de chocoladeindigestie, maar ook de gekonfijte vruchtenindigestie doet zich voor, sommigen van u hebben last van een sneeuwindigestie, in deze regionen is dat eerder een regenindigestie en ik persoonlijk lijd aan een lijstjesindigestie.

De eindejaarslijsten vullen de boekenbijlagen van kranten en magazines, verspreiden zich over het internet en zijn quasi identiek. In elke lijst duikt Freedom op van Jonathan Franzen. Door een enkele recensent wordt de roman verrassend "soapopera" genoemd maar alle anderen bedelen de nieuwe Franzen met lovende en gelijksoortige bewoordingen. Ik heb Freedom niet gelezen en na alles wat ik al weet over de plot, de personages, het vertelstandpunt en het teleurstellende einde is de behoefte om het boek te lezen klein.
Op deze laatste dag van het jaar geen lijst dus. Althans, geen klassieke lijst. Laten we het houden op een pad. Er zijn weinig zaken die me tijdens deze decembermaand namelijk méér bezighouden. Ik zou bij wijze van spreken een moord begaan om te weten hoe dat van u eruit ziet en hoe het zich ontwikkelt, of u het uitkient dan wel aan het toeval overlaat.

Het mijne begon op 19 januari, wat gerust zeer laat mag worden genoemd. De eerste was Un chien de caractère van Sándor Márai, een toevallige vondst in de bibliotheek van Cannes. Op 27 januari volgde I.M. van Connie Palmen, in Amsterdam gekocht na het feest van De Bezige Bij waar de diva-allures van la Palmen mijn aandacht hadden getrokken. De eerste maand van 2010 eindigde met De Gast van Guadalupe Nettel.

Het jaar kwam pas op dreef in maart met Razernij van Sergio Bizzio, op de hielen gezeten door Dagen van gras van debutant Philip Huff, De wil en het lot van de 82-jarige Mexicaanse auteur Carlos Fuentes (wiens eerste bladzijde me achterover blies en die ik per se wilde voorlezen, iets wat me anders niet overkomt), en het aparte, surrealistische Il ne vous reste qu'une photo à prendre van Laurent Graff.

April begon met Dit is jouw huis van Maartje Wortel, een maffe verhalenbundel die de schrijfster zelf me overhandigde nadat ze de eerste bladzijde van een hoogst interessant opschrift had voorzien. Op paaszondag, 4 april, lag ik tussen de ontluikende madelieven op het gras met Dorsvloer vol confetti van Franca Treur. Op 14 april las ik Landen van Laia Fabregas, op 17 april kwam How fiction works van James Wood en 22 april was de dag van La confession de Zeno van Italo Svevo dat me bij een eerste lezing van de achterflap (we schrijven kerst 2009 in Tropismes in Brussel) bijna een toeval had bezorgd. Vierentwintig april stond in het teken van Art van Yasmina Reza dat, zo was me bevestigd, een must-read was in de fictie over moderne kunst.

Mei werd ingeleid met Où on va papa? van Jean-Louis Fournier dat hoge ogen gooide tijdens de rentrée littéraire van 2008. Vijf mei was de dag waarop ik niet ophield met glimlachen dankzij Aventures van Italo Calvino, gevonden tussen de kinderboeken in de bibliotheek van Cannes. Toevallig of niet, maar op 6 mei maakte ik kennis met Alejandro Zambra en z'n eerste roman Bonsai, die me deed denken aan Calvino en dan specifiek aan Als op een winternacht een reiziger. Na De liefhebber van Hester Carvalho viel de roman die ik zelf had willen schrijven me in de hand, Vingt-quatre heures de la vie d'une femme van de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig die, zo las ik, jammerlijk zelfmoord pleegde in Brazilië in 1942, samen met zijn vrouw nota bene, maar gelukkig toneel en essais en meer dan veertig romans en novellen aan de mensheid had nagelaten.
Op 21 mei sloot ik Invisible van Paul Auster, een roman die me nog maar eens duidelijk maakte dat alles mogelijk is in de literatuur en me zin gaf om te experimenteren met vertelstandpunten, wat ik vervolgens ook deed, met bedroevend resultaat. En op 24 mei las ik in een tuinzetel Vissen redden van Annelies Verbeke.

Toen kwam juni, de maand van het verbluffende Le joueur d'échecs van Stefan Zweig, dat me bevestigde in het talent van de Joodse schrijver en hem bombardeerde tot mijn ontdekking van 2010, van Uitweg van Elsa Osorio en De rode maan van Luis Leante, die allebei een recensie kregen in tegenstelling tot De kunst van verliezen van David Trueba, zonder meer het slechtste roman die ik in 2010 heb gelezen.

Juli begon met Donderhart van Thomas Blondeau, ging crescendo met TussenEenPersoon van Esther Gerritsen, om een climax te bereiken met Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen van Herta Müller, een roman die ik las in een Mediterraan klooster en die me vervoerde naar het Roemenië van Ceauscescu waarbij het besef zich opdrong dat ik geen Auster was, dat goochelen met vertelstandpunten niet aan mij was besteed en dat ik terug moest naar mijn oude ik-verteller maar dan beter.
De siësta van 24 juli bracht ik door met L'Homme qui plantait des arbres van Jean Giono, opgepikt in Librairie Les Arcenaulx in Marseille. Op 30 juli las ik de 944ste en laatste bladzijde van De hand van Fatima van Ildefonso Falcones en de dag nadien volgde De rest is stilte van Carla Guelfenbein.

Op 18 augustus sloot ik in het middelpunt van Frankrijk Het eiland onder de zee van Isabel Allende en 23 augustus was de dag waarop ik Kaas van Willem Elsschot herlas.
Op 27 augustus worstelde ik me door Parlez-moi d'amour van Raymond Carver, jawel u leest wel "worstelde" want Carver in vertaling lezen, besefte ik, was doodzonde. Ik sloot augustus af met Le Cri van Laurent Graff, dat net zo surrealistisch bleek als z'n laatste foto-verhaal.

Het schooljaar ving aan met La carte et le territoire van Michel Houellebecq dat ik zelfs Houellebecq-haters durf aan te raden. Na zo'n boek valt te verwachten dat het in dalende lijn gaat en daarom was de verrassing bij Boven is het stil van Gerbrand Bakker groot. Het niveau bleef met Soie van Alessandro Baricco. Ik las ook Bezonken rood van Jeroen Brouwers, dat maanden onder de rubriek "In voorbereiding" heeft gestaan maar er nu uit is omdat ik geen aanleiding vind voor een stuk op Van boeken en mensen, al mag het gezegd worden dat mijn zoektocht oppervlakkig bleef.

Met De Verzoeking van Hugo Claus, grotendeels gelezen in de Bar des Boulistes, Het verborgen leven van bomen van Alejandro Zambra, Le certificat van Isaac Bashevis Singer en La famille de Pascal Duarte van Camilo José Cela, dat ik in het herfstverlof vond in de ouderlijke bibliotheek en meenam naar mijn oude kamer waar ik tot in de vroege uren las, al is lezen hier te zwak uitgedrukt want ik dronk de woorden van Camilo José Cela die in 1989 de Nobelprijs Literatuur kreeg maar dit meesterwerk schreef in 1942 toen hij nog zesentwintig moest worden, was oktober een van de sterkere maanden.

Tijdens diezelfde herfstvakantie zag ik in de rekken van mijn zus Intimacy van Hanif Kureishi staan, dat meereisde naar Frankrijk en november inzette. Acht november was niet alleen de dag van de uitreiking van de AKO Literatuurprijs en van de Prix Goncourt maar ook die van Mes prix littéraires van Thomas Bernhard, een hilarisch boekwerk dat me zin gaf om het volledige oeuvre van deze mij tot voor kort volslagen onbekende auteur aan te schaffen. De dag nadien las ik Villa des Roses van Willem Elsschot, wat handig bleek toen de Franse gastronomische maaltijd een week later officieel erkend werd als werelderfgoed van de Unesco.
Uit België had ik behalve Villa des Roses ook Dat wat overblijft van Tom McCarthy meegebracht (aangespoord door een lovend stuk op het weblog van Jan van Mersbergen), dat me inspireerde tot een pastiche die op 17 november verscheen en pas op 13 december werd gevonden nadat een moedige lezer een studie had gemaakt van de hedendaagse Britse literatuur. November was ook de maand van De vioolbouwer van Auschwitz van Maria Angels Anglada, waar de overleden Catalaanse schrijfster de kracht van kunst plaatst tegenover de gruwel van de holocaust, en van Tegen de wind in van Angeles Caso, waarvoor de huishoudster van Angeles Caso een pluim verdient maar hierover een andere keer meer. Het laatste en kortste boek van de elfde maand was de novelle Le bouquiniste Mendel van Stefan Zweig, dat een goede introductie is tot het werk van Zweig en dat u krijgt wanneer u uw literatuur inslaat bij Le Talon d'Achille in Montluçon.

Het najaar ging in stijgende lijn. Wat dan te verwachten van december? Een afknapper? Een anticlimax? Een deceptie, een desillusie, een domper of een flop? Een frustratie, een kater, een klap, een koude douche, een misrekening, een ontgoocheling of, nog beter, een sof?
Niets van dit alles. December begon met een oerknal, Le Premier Amour van Sándor Márai. De twee kabelloze weken die volgden waren een gelegenheid om Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres van Marcel Bénabou te lezen, een boek dat geen afleiding verdraagt. Daarna las ik de laatste hoofdstukken van What is the What van Dave Eggers, dat tot mijn schaamte al vier maanden op het nachtkastje lag en waarover ik, helemaal zoals bij Freedom van Jonathan Franzen, veel te veel had gelezen. Mijn op één na laatste was Purge van de Finse schrijfster Sofi Oksanen, dat me is aangepraat door een boekverkoopster in Draguignan en waarover hier volgende week meer te lezen is.
Het laatste is een dun boekje dat op een beperkt aantal exemplaren is verschenen, niet in de handel ligt en speciaal is geschreven voor deze tijd van het jaar. (Gaat nu een lamp branden, komt u dan hier naar de auteur raden.)

Mijn leespad begint in 2011 met De toverberg van Thomas Mann, maar daarna? Hoe zal het zich ontwikkelen? Zal het afhangen van een vaag opgevangen gesprek of een zin in de krant, een aantrekkelijk omslag in de etalage van een boekhandel of een plotse behoefte aan een genre of thema, een geschenk of een innemend/wanstaltig gezicht op een achterplat?
De invloeden kunnen ook van een andere orde zijn. Alles kan zo'n leespad voeden.
Beeld u zich een kleine, kale kamer in met witgekalkte muren en een hoog raam. Door dat raam valt een zonnestraal binnen. Ze belicht een stofpluis die traag naar beneden dwarrelt.
Waar denkt u aan als u dit voor u ziet?
Persoonlijk krijg ik dan zin om Tsjechov te lezen. De redenen doen niet ter zake maar de aanleidingen zijn overal, ik bedoel maar.
Als u dit in gedachten houdt en daarbij bedenkt dat er bij de (bijna) zeven miljard mensen, althans al wie van hen geletterd is en toegang heeft tot boeken, geen twee gelijke leespaden zijn?
Dan begrijpt u dat mijn hoofd duizelt. En niet van de indigesties.

woensdag 29 december 2010

O

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Het journaal van zes uur is de aftrap die de avond in beweging brengt. Dat geldt ook voor deze avond.
Lucien Vosgien heeft geluisterd tot na de presentatie van de koppen: Recordaantal sneeuwdagen in 2010, Agenten eisen 10.000 euro van staat, Kindle meest verkochte item op Amazon. Nu hoort hij de stem van de nieuwslezer niet meer. Zijn oor is afgesteld op een andere frequentie. Dat heeft zo zijn redenen.
Met visite moet je oppassen. Voor je het weet gluren ze door het keukenraam en gaat je reputatie eraan. Het zal hem niet gebeuren.

Lucien Vosgien stiefelt naar de ijskast. Op de deur hangt een foto van een jonge vrouw in een witte schort. Ze draagt een dienblad met champagne en lacht naar de camera. Telkens Lucien Vosgien de ijskast opent, wat gemiddeld zeven keer op een dag gebeurt, kijkt hij naar de foto. Hij herinnert zich hoe ze de ijskast samen hebben gekocht. Zij drong aan om een model te nemen met ingebouwde diepvriezer. Drie lades. Hij zucht en krabt aan zijn rechterwijsvinger. Het litteken jeukt.
Sinds de top van zijn vinger ontbreekt, is zijn rechterhand niet meer wat het was. Sedertdien is zelfs iets eenvoudigs zoals ui fijnhakken een beproeving. Lucien Vosgien heeft in zijn leven veel groente gesneden. Ui, paprika, komkommer, courgette, aubergine, en later ook vreemdsoortige groente zoals ramenas, topinamboer, Chinese kool. Zijn talent uitte zich vroeg. Had hij tijdens zijn opleiding in de koksschool niet de prijs gekregen voor de snelste en meest secure tomatensnijder?

Een koud wolkje ontsnapt als Lucien Vosgien de deur van de diepvriezer opent. Hij hurkt neer. De onderste lade knelt. Hij duwt de botte top van zijn wijsvinger tegen het plastic. Koude verlicht. Hij sneed hem net na het kootje. Zelfs in zijn eigen restaurant sneed Lucien Vosgien een halfuur per dag groente. Zij verliet de zaal en keek over zijn schouder toe. Dag na dag, ze kreeg er niet genoeg van. Hij wuifde haar complimenten weg. Contact houden met de basis, noemde hij het, anders stijgt zo'n ster je naar het hoofd. Hij had het genoeg gezien bij collega's. Maar het restaurant is verleden tijd, en zij ook. Op een dag was ze niet gekomen. Hij vond haar in de zaal op de grond tussen tafels 5 en 11. Haar ogen even koud als die van de vissen die hij op maandag en donderdag in de mijn in Oostende kocht. Een week na de begrafenis had hij bij het groente snijden zijn wijsvinger verwond. Voor hij het wist was hij gepensioneerd en had de souschef het restaurant gekocht.

'We behouden de jaarlijkse sluiting,' had de souschef gezegd. 'Tussen kerst en nieuw gaan we dicht. Op oudejaar komen we je bezoeken, beloofd, de voltallige ploeg. Dan ben jij de sterchef. Je hebt een heel jaar om na te denken over je menu.'

Vorig jaar was het bijna te laat geweest. Plots hoorde hij geklop op het raam. De dozen lagen nog op tafel. Het mocht een wonder heten dat niemand ze had gezien. Hij had zich voorgenomen gordijnen te plaatsen. Het was niet gebeurd. Het zou niet gebeuren. Niet nu zij er niet meer was.
Lucien Vosgien trekt met zijn twee handen aan de lade. Het ijs kraakt, dan komt de lade in één beweging mee. De inhoud legt hij onmiddellijk in de gootsteen. Voor het geval dat. Hij staat stil en luistert aandachtig. Geen auto, geen voetstappen. Hij stopt de lege lade terug en sluit de diepvriezer. In de gootsteen opent hij de verpakkingen en hevelt de inhoud over in vuurvaste schotels. De verpakkingen duwt hij diep in de afvalemmer. Hij bedekt ze met een krant. Hij knipoogt naar de foto op de ijskast.
Fribona kant-en-klaar diepvriesvoeding, haar lievelingskost.

donderdag 23 december 2010

De woorden die zij niet verstaat (Mark Cloostermans)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Als ze nu toch maar eens kon verstaan wat ik haar zei, dan zou ze misschien kunnen bevatten wat mij bezielt. Maar voor Moeke is mijn spraak een gemompel in de verte, een notenbalk met één noot, monotoon als kerkzang.
Jaar na jaar verslechterde haar gehoor, jaar na jaar werden gesprekken ingewikkelder. Conversaties namen bochten die Jacky Ickx niet onder controle had weten te houden. Moeke reageert op wat ze denkt te horen en de rest van het gezelschap volgt haar. Gods wegen ondoorgrondelijk? Gods wegen zijn Duitse snelwegen bij nacht, in vergelijking met de gesprekken die ik met mijn grootmoeder voer. Maar een hoorapparaat? Nee, daar kon geen sprake van zijn. Het was de moeite niet, zei ze in 1990 – Depeche Mode had een hit met ‘Enjoy the silence’ – want zo lang zou ze het toch niet meer uitzingen. In 2000 – Britney Spears brak internationaal door met ‘Baby, one more time’ – vond Moeke het nog steeds weggegooid geld. Nog eens tien jaar later staat er niets meer in de hitparade dat de aanschaf van een hoorapparaat wettigt.

Ik zit als een zot te articuleren aan mijn telefoon, maar het maakt niet uit: in gedachten ben ik bij haar. De woonkamer van Moeke, met zijn geur van olie en oude vrouw. Het laatste produceert ze zelf, het eerste consumeert ze in hoeveelheden die oliesjeiks in jubel doen uitbarsten. Zomer en winter staat de verwarming hoog. De indruk die een mens krijgt? Dat hij de luchthaven verlaat en zijn eerste voeten op Indische bodem zet. Toepasselijk wel, voor een ruimte die ik, met het handboek voor pasklare maar enigszins onsmakelijke metaforen in de hand, mijn baarmoeder zou noemen. Er is nauwelijks wat veranderd sinds mijn zus en ik er naar de tv keken, gezelschapsspelletjes speelden tot er oorlog uitbrak over haar valsspelen, met z’n drieën lachten om platen van Gaston en Leo. Elk seizoen hangt er een ander geborduurd lapje naast de deur naar de gang. De eerste week van december hangt ze het rode lint op waar de vele kerstkaartjes aan moeten komen te prijken, haar trots en traditie. De televisie is vervangen, de planten gaan al eens dood, een hoorn des overvloeds stort vers snoepgoed en andere gesuikerde waar in de buffetkast. Maar het decor blijft hetzelfde.

In dit decor is zij al dertig jaar weduwe. Vragen daarover wimpelt ze af. Joeg het vooruitzicht om te moeten terugkeren naar het lege huis haar ooit angst aan?
In dit decor vonden ook de Mylène-middagen plaats: presentaties en verkoop van schoonheidsproducten. Daar mochten de kinderen niet bij zijn: exclusief voor dames. De tantes (een onoverzienbare bende zussen en andere, ooit vrouwvormige familieleden waarvan de preciese bloedbanden mij blijvend ontgingen) waren altijd van de partij: roepend en kijvend als Italiaanse karikaturen uit een spaghettireclame. Het fascineerde mij. Het gegiechel: meisjesachtig en opgewonden. De geur: slappe koffie en cosmetica. Het doel: ijdel. Niet eens ijdelheid, nee, simpelweg ijdel: de hoop van een groepje oude dames om met muffe smeersels en hoogtoxische haarlak de schoonheid te behouden die al twintig jaar eerder afscheid nam. Ook Moeke kocht. En smeerde. En zalfde. Wie hoopte ze te lijmen?
 
Haar snoepgebruik doet anders vermoeden, maar haar archetypisch grootmoederlijke rondingen is Moeke al lang kwijt. Door haar dunne coiffure schemert de schedel. Maar energie heeft ze te over. En uitleg. Moeke is de enige in mijn familie die nooit een stilte laat vallen. Ik verdenk haar ervan te acteren. Vooral de laatste jaren. Allez, dat haar loopwagentje er vanzelf vandoor ging, zegt ze. En dat ze daarom op straat gevallen is. Straf, want ze liep net een klein hellinkje op. Op, niet af. Loopwagentje loochent natuurwetten te K. Bel de NASA. Maar Moeke houdt vol, met een ijzeren redenatie van eigen maaksel: ze stapte gewoon over straat, met amper drie Trappisten achter de kiezen, en toen ze het hellinkje naar een garage beklom, ging het karretje ervandoor. Ze houdt zich doof voor wie haar versie van de feiten weerstreeft.
Pijn voelt ze niet meer, beweert ze. Vorig jaar had ze een maagbloeding. De dokter stelde de diagnose, zij stelde zich ermee tevreden hem lichtelijk verbaasd aan te kijken. Dit jaar, na haar val, lag haar arm uit de kom. Moeke geeft geen krimp. Ze wijst naar haar arm en zegt: ‘Ik kan niks, hé manneke!’ Wat er ook scheurt, wat er ook breekt, wat er zich ook verplaatst: voor Moeke is het domme pech. Geen reden voor jammer.
Het is uitzonderlijk, die sang-froid, dat bijna Engelse stiff-upper-lip-gedrag. We leven immers in een oksel van Europa, waar mensen klagen, coûte que coûte, maakt geen hol uit waarover, integendeel, hoe minder je kan veranderen aan het onderwerp van je jammerklacht, hoe beter!  Het weer, de tv, de politiek, de prestaties van ons nationaal elftal, de moppen van Ben Crabbé, het weer (opnieuw), de boertigheid van meneer pastoor. Kunnen we er wèl iets veranderen, dan spelen we onze machteloosheid. Klagen, schouderophalen, de boer hij ploegde voort: het is onze nationale klucht. Men onderhandelt, men maakt nota’s, in naam voert en regeringsonderhandelingen. Intussen heeft iedereen zijn voet op de rem, zijn hand op de grendel. Zodat ze achteraf kunnen klagen dat alles moervast zit.

Als ze doodgaat – niet vandaag, niet morgen, niet overmorgen en zeker niet volgend jaar – dan weet ik wat mij van Moeke zal bijblijven. Die ene zin van twee jaar geleden. Ze was uit bed gevallen, een attakske. De brandweer moest haar door het raam naar buiten takelen. Twee dagen later loop ik door de gangen van het ziekenhuis, zo’n nachtmerrie van Esscher maar dan in het echt, naar haar kamer. ‘Hoe is het ermee, Moeke?’ Ze trekt een pruillip en zegt, eerder laconiek dan klaaglijk: ‘Wat wilt ge, manneke? Ze hebben mij een pamper aangedaan.’
Daar ligt hij dan. De clou, de clincher, de kwintessens van haar karakter, die mij de kluts doet kwijtraken. Het ergste wat ze mijn Moeke konden aandoen, was een pamper.

Mark Cloostermans (°1977) begon in 2001 te schrijven voor De Standaard. Na een vijf jaar durende passage als theaterrecensent, concentreerde hij zich weer exclusief op letteren. Over de economie van het boekenvak publiceert hij in het Nederlandse Boekblad. Boeken: De tak waarop wij zitten: berichten uit de boekenbranche (Epo, 2006, nog verkrijgbaar) en Bloot zijn en beginnen: het oeuvre van Kristien Hemmerechts (Atlas, 2008, uitverkocht). Sinds de herfst van 2010 woont en werkt hij in Barcelona.

maandag 20 december 2010

Hartpijn



De bomensnoeier kwam een bestek maken voor de snoeiwerken van de eik die zoveel schaduw geeft dat de zonnepanelen niets produceren.
'Ik herkende het huis aan de boom,' zei hij. 'Hij is magnifiek.'
'We hadden gedacht dat vijf meter snoeien voldoende zou zijn,' zei mijn man.
De bomensnoeier kruiste zijn armen en nam de boom in zich op. 'Hij is veruit de oudste van de buurt.'
'Hoe oud zou hij zijn?' vroeg ik.
Hij liep naar de boom en legde zijn hand op de schors. 'Hij was hier lang voor mensen in deze buurt kwamen wonen.... Z'n precieze leeftijd is moeilijk te zeggen, maar hij moet minstens tweehonderd jaar zijn. Zie je die eerste zijtakken? Die worden zo breed als stammen. Daaraan kan je zien dat hij nog niet is volgroeid.'

We keken alle drie omhoog, hoe de takken boven ons uitwaaierden in een vorstelijke kruin. Ik herinnerde me een radio-interview met Liliana Lazar, de auteur van Terre des affranchis . Ze vertelde hoe ze opgroeide in een afgelegen streek in Moldavië, Slobozia, een klein dorp aan de rand van een woud. Haar vader was boswachter. Terre des affranchis speelt zich af in haar geboortedorp. In de roman, stelde ze, zijn de bomen meer dan gewoon een decor. De natuur, het bos, de bomen vormen de personages, zoals het ook echt was in Slobozia.
Terre des affranchis is het verhaal van Victor Luca, die ondergedoken leeft bij zijn moeder in de dichte bossen van Moldavië waar legendes en bijgeloof leven. Hij kopieert religieuze teksten die verboden zijn onder het regime van Ceauscescu. Maar waarom schrijft hij? Om de geur te vergeten van de dode lichamen van jonge meisjes? Om de eenzaamheid te verdrijven? In afwachting van de nacht en de lokroep van het immense, mysterieuze woud vlakbij?
Het boek, besloot de interviewer, is zowel een thriller als een sprookje en een prachtige ode aan de almacht van de natuur.

Hier dacht ik aan terwijl ik onder de eik stond en zijn takken bewonderde die als armen naar de hemel reikten.
'Vijf meter dus?' vroeg de bomensnoeier.
'Zoiets,' zei mijn man.
De bomensnoeier trok een pijnlijk gezicht. 'Als ik mag eerlijk zijn... het zou nefast zijn voor de boom.'
'We dachten dat het hem goed zou doen,' zei mijn man.
'Snoeien doet zo'n eik nooit goed. Het heeft ook weinig zin. Er zouden volop nieuwe takken schieten en dan moet ik binnen twee jaar terugkomen. De dode takken in de kruin wegsnijden kan wel. Als het aan mij ligt zou ik verder niets doen, maar het is jullie beslissing natuurlijk.'
Mijn man en ik keken elkaar aan.
'Als de bladeren gevallen zijn, zal de zon erdoor schijnen,' zei de bomensnoeier. 'Dan liggen de panelen niet meer in de schaduw.'
'Vorig jaar zijn ze begin december gevallen,' zei ik. 'Allemaal op één week.'
'Dat is bijna,' zei de bomensnoeier.
'Misschien wachten we beter af,' zei mijn man.
De bomensnoeier lachte opgelucht. 'Zo'n boom snoeien geeft me hartpijn. Meestal staan de klanten erop dat ik het toch doe. Dan vraag ik me af waarom ik dit beroep blijf doen.'

vrijdag 17 december 2010

Il est mort.



'Trekken,' riep de technieker van France Telecom die op een ladder tegen de gevel stond. 'Eén, twee, drie, nu!'
Ik had het raam van de woonkamer geopend om zijn instructies te horen. Met mijn volledige gewicht hing ik aan de kabel. Hij gaf hooguit enkele centimer mee. 'Het is te hard,' riep ik naar buiten.
'Oké,' schreeuwde de technieker terug.
Even later stond hij met een boor in de woonkamer. Hij hurkte neer bij de kabel. 'Ik vraag me af of hij door een buis gaat of onder de gipsplaat zit.'
'Ik vraag het me ook af,' zei ik.
'We zullen het snel genoeg zien.' Hij zette zijn boor in de muur.
Ik hoopte dat hij de muur niet over de volle lengte van de kabel zou openboren. Die opening zou daar jaren blijven. Anderzijds, kon het zo verder? Wat was het bilan na twee weken zonder kabel?

Was het een leven om vijf keer per dag het helpdesknummer van de operator in te tikken in de hoop dat de wachttijd niet dertig minuten zou zijn?
Om speciaal naar Cannes te gaan om de per sms beloofde 3G-usb-stick op te halen die dan in geen enkele winkel van de geliefde operator voorradig blijkt?
Om op woensdag om vijf uur met drie kleine kinderen naar de toeristische dienst te rijden om daar op een bankje onder een lantaarn in de miezelregen interneturgenties af te handelen terwijl de kinderen de baan over lopen en hun voetbal onder auto's schoppen?

Na een week had ik er schoon genoeg van. De enige manier, sprak ik mezelf in, is me bij de situatie neerleggen. Dan, beste lezer, verandert het leven. Het verandert zelfs helemaal.
Het is merkwaardig hoe je plots kookboeken openslaat die al jaren stof vergaren en, terwijl exotische geuren de keuken vullen, opnieuw begint te werken aan de laatste versie van die roman die nu hopelijk de allerlaatste en finale versie zal zijn (akkoord, déjà-vu, déjà-lu). Hoe je avonden vult met gesprekken om achteraf te beseffen hoe weinig mensen van elkaar weten. Hoe je zin krijgt om met een vriendin naar een slechte film te gaan. Hoe lege yoghurtpotjes, aardappels en oude sokken mooie kerstmannen worden. Hoe je om tien uur 's avonds in je bed ligt. Hoe fijn het is om op een weekdag met een vriendin door Nice te flaneren. Hoe je, omdat je niet online kan kopen, die winkel binnengaat waar je anders gewoon passeert en hoe interessant die blijkt. Hoe veel gezelliger het is om artikels naar de redactie te sturen vanaf het internet van een vriendin. Hoe je jezelf plots aan de kapper hoort zeggen dat je het beu bent en hoe je een uur later onherkenbaar op straat staat. Hoe je 's morgens zonder scrupules een halfuur leest. Hoe je eindelijk tijd hebt om dat ene boek aan te snijden dat onverdeelde aandacht verdient zoals Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres van Marcel Bénabou.

Ik zag dit werk in augustus toevallig op een tafeltje liggen in het vakantiehuis van een oom in Montluçon en wist onmiddellijk: dit moet ik lezen. Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres was namelijk de gedachte die door mijn hoofd tolde na drie jaar schrijven aan minstens vijf versies van een roman die ik direct na voltooiing goed vind maar twee maanden later met schaamte in de haard verbrand.
Mijn oom leende me het boek uit. Marcel Bénabou bleek de secretaris van Oulipo (Ouvroir de Littérature Potentielle of Werkplaats voor Potentiële Literatuur), in 1960 opgericht door Raymond Queneau en François Le Lionnais, waar ook Georges Perec en Italo Calvino lid van werden.
Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres, dat in 1986 verscheen, is een curieus boek. Het is in de eerste plaats een boek over boeken, schrijven en liefde voor taal. Marcel Bénabou analyseert het ontstaan en de evolutie van zijn schrijversroeping, zijn verwachtingen en zijn angsten, de redenen waarom hij het schrijven steeds voor zich uitschuift en hoe dit alles ten slotte toch geleid heeft tot een boek, het boek dat de lezer in de hand houdt.
Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres, in 1986 bekroond met de Prix de l'humour noir, is een schrandere reflectie over literatuur en schrijverschap waarin lezers en schrijvers zich kunnen vinden. Het kan beschouwd worden als een klassieke roman, stelt Bénabou. Het is per slot van rekening een liefdeshistorie, het verhaal van een ongelukkige en misschien onmogelijke relatie van de auteur met een bepaalde perceptie van de literatuur.

Een onzalige liefde, concludeerde ik met een oog op de technieker, was ook de band tussen mij en mijn kabel. Een kabelloos leven is rustiger en trager maar tegelijkertijd dynamischer. Productief. Vol. De technieker had een klein gat geboord. De oude kabel kwam zo uit de muur. Aan het oppervlak zaten scheurtjes.
'Il est mort,' zei hij.
Ik zuchtte. Ik hoopte bijna dat hij voor een onoplosbaar probleem zou staan.
'Maakt u zich geen zorgen,' zei hij. 'De nieuwe kabel zit er al in.' Hij fixeerde enkele koperdraadjes.
De kiestoon klonk, de computer kwam online.

woensdag 15 december 2010

Castiliaanse asperges (Luc de Rooy)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Wie een grootse aspergesteker wil worden, hoort niet enkel de aspergetroffel goed te hanteren, wie de eeuwigheid in wil gaan, moet genoeg doorzettingsvermogen hebben, zowel in moed als in fysique, zoals ze in het gilde zeggen. Hij moet rechtstreeks naar de wortel gaan, met een onvertogen gezicht de grond omploegen, zijn linkerknie een beetje naar voren, en slechts en touche de grond bewegen, zodat hij voelt dat hij met zijn degentje diep de aarde in gaat. Een voltreffer. De man die voltreffer na voltreffer verzorgt; daar zijn er niet veel van. In het huidige decennium zijn van dat kaliber niet velen te vinden. Dan moet je al snel terug naar de hoogtijdagen van het vak, de gouden dagen van Kopecz.

Deze Kopecz, de grootste aspergesteker aller tijden, hanteerde nooit zijn rechterknie om aan te zetten. 'Dat is het been om op te leunen,' zei hij eens toen hij, nog onbekend, op de velden rondom het zuidelijke Grozdny zijn steken oefende. 'Om de beweging over af te werken,' en de bekendere vakgenoten lachten dan, overtuigd van hun klassieke techniek. 'De aanzet en de lichte landing gebeuren over het linkerbeen,' zei hij me later, toen ik al bezig was met dit epistel over de nobelste der nobele arts d'agricola, en de Noord-Limburgse streken aandeed om de moedige aspergemaîtres te zien, te interviewen. En nu ik dit schrijf herinner ik me Karol Kopezcky, onder aficionados Het jongetje van Warsaw genoemd, dat eens te veel gewicht op het linkerbeen zette, het met rechts probeerde te herstellen, en in zijn hand stak. Het was een warme zomer in 1994, en de aan de rand van het aspergeveld toekijkende vrouwen hoorden hem vloeken. Nee, sinds die dag heeft Kopezcky het nooit meer echt gekund, zijn durf was eraan.

Maar niet alleen Het jongetje van Warsaw was dat lot begaan. Ook De snijder van de Tataren, uit de aspergestekersschool van Lodz, zo genoemd door het gebruik van het kromme stekersmesje, Mariusz Pankewski, doorliep zowel een succesvolle carrière als een aan aftakeling onderhevige periode. En alles en alleen omdat hij opeens begon op te scheppen met zijn techniek. Maar met het witte goud valt niet te spotten. Zeker niet als je aan de oogst van de Wilde Castiliaanse asperge wilt meedoen. Dan staat er meer op het spel dan alleen trots.

Laten we teruggaan naar die middag in Noord-Limburg. Augustus was het, het seizoen al twee maanden voor geopend verklaard. En de kerels uit Polen liepen weken extra op hun sloffen om een paar knaken meer te verdienen. Want alleen als je in de eersterangsrijen mag lopen, kon je genoeg verdienen om een extra bord warme bonen over te houden aan het einde van de week. Met een glas pleegzuster bloedwijn ernaast.

Dame: ik zie dat u weer aan mooischrijverij doet. Kunt u nou nooit eens iets vertellen zoals het echt gebeurd is?
Soms. Maar dit keer moet ik u teleurstellen. De kunst van het aspergesteken én het schrijven daarover zijn nu eenmaal onderhevig aan grote omhalen, jongensachtige bravoure en omtrekkende schijnbewegingen. Ja, wat dat betreft, zijn in dit relaas de gouden tijden van Kopecz weer aangebroken.

Dame: wat een hoogmoed, mijnheer. Ik geloof niet dat ik u op uw woord vertrouw.
Dat kan ik me voorstellen. Maar gelooft u me toch als ik zeg dat ik dit hoofdstuk afsluit zonder één keer een overdrijving toegepast te hebben. En nu ga ik weer snel naar het veld, om met de Polakken een goed glas te drinken. Volgt u mij?

Luc de Rooy (1979) is schrijver, vertaler en uitgever van Uitgeverij Karaat. Hij won verschillende verhalenwedstrijden en werkt aan een roman. Als vertaler verzorgde hij de vertalingen van de eerste twee romans van Alejandro Zambra. Drie andere vertalingen zijn op komst, bij uitgeverijen Thomas Rap, Contact en Oog en Blik.
Over de pastiche: het is een ludieke imitatie van één boek van een auteur. Meer tips volgen, mocht het niet geraden worden. Maar volgens mij is het een erg duidelijke pastiche voor wie dit boek gelezen heeft.

dinsdag 14 december 2010

Kan muziek beesten temmen?



De holocaust is een terugkerend thema in de literatuur. Denken we maar aan De welwillenden waarmee Jonathan Littel in 2006 een storm in de media veroorzaakte. De roman, bekroond met de Prix Goncourt, lokte controverses uit omwille van de verteller, een nazibeul. De voorbije vijf jaar beroerden ook De jongen in de gestreepte pyjama van John Boyne en Haar naam was Sarah van Tatiana de Rosnay lezers wereldwijd. Deze auteurs kiezen het standpunt van een kind om de holocaust aan te pakken.

De vioolbouwer van Auschwitz is ouder dan bovenstaande boeken. De roman verscheen in 1994 in Spanje en is van de hand van Maria Àngels Anglada (1930-1999), een van de grootste Catalaanse auteurs. Op de cover uiten zowel John Boyne als Tatiana de Rosnay hun lofbetuigingen over dit boekje, dat de gruwel van de concentratiekampen op een aparte manier belicht.

Climent, een professioneel vioolspeler, wordt op tournee in Polen getroffen door een prachtige vioolsolo. Waneer hij zich inlicht over de herkomst van het instrument, krijgt hij van de violiste, een melancholieke oudere vrouw, een ontwijkend antwoord. Later laat ze hem documenten bezorgen met het verhaal van haar oom Daniel, een luthier in Auschwitz.
Honger, koude, lijfstraffen en dood zijn dagelijks brood voor de gevangenen in Auschwitz. De enige houvast van de Joodse luthier Daniel is zijn werk als timmerman. Wanneer de kampcommandant, ook bekend als “het Monster”, Daniels ware beroep te weten komt, daagt hij hem uit een instrument te maken met “de kwaliteit van een Stradivarius” Daniel voert het werk met trots en passie uit. De viool is bijna af als hij te weten komt dat het instrument het onderwerp is van een weddenschap tussen “het Monster” en de sadistische kampdokter Rascher. De inzet, verneemt Daniel, is zijn eigen leven.

Zal het instrument van Daniel een snaar raken bij de gevoelloze, monsterlijke SS’ers? In een wrede, onmenselijke omgeving gaat Maria Àngels Anglada op zoek naar de kracht van kunst. Kan muziek beesten temmen, dat is de vraag.
De vioolbouwer van Auschwitz is een kort boekje, geschreven in een sobere, poëtische taal die bijdraagt aan de kracht van het verhaal. Maria Àngels Anglada leidt de hoofdstukken in met uittreksels uit historische documenten van de SS. Die stukken maken de werkelijkheid van Auschwitz nog tastbaarder. Als het op de holocaust aankomt, overtreft de gruwel van de realiteit elke fictie.

woensdag 8 december 2010

Meester (Maartje Wortel)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl


Zijn naam was Q.
Natuurlijk stond hij net als alle andere mannen om half acht op, (*1) nadat om zeven uur de wekker was gegaan. Snooze. Q. was de afgelopen drie jaar behoorlijk depressief. Zoals hij zelf zei: ‘In een depressie terecht gekomen.’
Zijn vrouw, Z., zei dat het mee moest vallen. Dat hij anders niet, net zoals alle andere mannen om half acht op zou staan nadat de wekker om zeven uur was gegaan.
De waarheid was dat Q. naar zijn werk ging omdat zijn vrouw Z. de depressie aanwakkerde. (*2, *3)
Q. douchte kort, koud en at twee wit geroosterde boterhammen met aardbeienjam. Hij las geen krant bij zijn ontbijt, het nieuws interesseerde hem niet meer. Hij keek niet om zich heen, hij kauwde niet eens, maar spoelde de toast door met lauwe thee. (*4)
‘s Nachts had hij geen dromen, die kwamen overdag. Q. was badmeester in een zwembad waar van negen tot vijf groepen kinderen kwamen schoolzwemmen. (*5) Hij moest toezien dat er niemand verdronk. Soms blies hij op een fluit.
Al zijn hele leven wachtte hij op de dag dat er toch een kind zou verdrinken. Een bijna-dood. En hij die het water in zou springen, waar een jongetje spartelend lag te vechten voor zijn leven. Rood aangelopen. En van rood naar paars. Q. zou het jongetje op de natte koude tegels naast het diepe leggen, hem warm houden met zijn handdoek, een saving kiss.
De waarheid was dat dit nooit zou gebeuren. Net als alle werkende mannen wachtte hij op een wonder. Net als alle werkende mannen wachtte Q. vergeefs. Drie jaar geleden had hij dit zelf onder ogen gezien in één van zijn visioenen, daarmee was zijn depressie begonnen, zijn slapeloze nachten, het nutteloze dromen op de dag tegen de achtergrond van het gegil van kinderen, het geklots van water, natte kindervoeten rennend over de tegels (pats pats pats), gelach, het open en dichtgaan van de gordijntjes van het kledinghok. En de kinderen die zwommen en zwommen en zwommen, zonder problemen, alsof ze nooit iets anders hadden gedaan.
Hij sloot zijn ogen, spande zijn kaken. De geluiden stierven weg. Hoe meer geluid, hoe meer er is om weg te sterven. (*6) Hij dacht aan de snooze functie op zijn wekker. Dat er altijd extra tijd is om wakker te worden. Q. trok aan het elastiek van zijn zwembroek, (*7, 8*) nam een aanloopje, sprong in het diepe. Hij sprong. Voor zijn gevoel bleef hij een paar seconden stil in de lucht hangen. Zoals een zeearend (*9), sterk onoverwinnelijk, voor de aanval. Daarna raakte zijn lichaam het water. Diep. Om hem heen spartelde kinderen. Even dacht hij: dit is de hemel. De stilte. (*10)

(*1) Niet alle mannen staan rond die tijd op. Maar de mannen met een functie. De mannen die een verwachting waarmaken.
(*2) Vrouwen wakkeren in veel gevallen (zonder dat dit overigens hun directe bedoeling is) depressie aan.
(*3) Depressie is in veel gevallen een chronische ziekte met de dood als gevolg.
(*4) Q. dronk Irish Breakfast Tea. Zijn vrouw Z. kocht om de drie weken een nieuw pak thee bij een Turkse winkel om de hoek. De Turkse eigenaar gaf haar altijd gratis koekjes mee en gratis olijven. Wie geld wil sparen moet naar de Turkse winkel gaan. Je komt altijd terug met meer dan waar je om hebt gevraagd. Thee betekende thee, koekjes en olijven. Bijvoorbeeld. Q. at de koekjes en de olijven niet. Wie een depressie heeft, eet niet. Alleen ontbijt. Zijn vrouw Z. at alle koekjes en olijven op. Ook bleef ze iedere avond koken voor twee personen. Het bord van Q. werd door haar leeggegeten. De vrouw van Q. groeide en groeide. Ze zei hem dat ze er niets aan kon doen. Ze zei hem: ‘Het komt door jou. Dat je verzonnen hebt dat je depressief bent. Er valt niet met iemand als jou te leven.’ Dat vond Q. zelf ook.
(*5) Schoolzwemmen is zwemmen met de klas. Zodat je leert hoe het is om niet te verdrinken.
(*6) Als een mens depressief is, is alles waar ‘ie aan kan denken de dood.
(*7) De zwembroek was een cadeau geweest van de kerstman. Van wie het cadeau daadwerkelijk afkomstig was liet zich niet raden. Die bewuste kerst waren Q. en Z. samen geweest met acht anderen. Als je Q. zou vragen: ‘Q. hoe kom je aan die zwembroek?’ Dan zou hij zeggen: ‘Van de kerstman.’
(*8) De zwembroek is zwart en strak. Merkloos.
(*9) Zeearenden worden ook wel vliegende deur genoemd. Ze zijn erg zeldzaam. Q. voelde zich op het moment van de sprong erg zeldzaam.
(*10) De dood blijft een moeilijk haalbaar iets.

Maartje Wortel (1982) debuteerde in 2009 bij De Bezige Bij met de verhalenbundel Dit is jouw huis. Ze won de Nieuw Proza Prijs en de Anton Wachterprijs in 2010. Haar eerste roman, die in september 2011 verschijnt, draagt de werktitel Vals plat.
Over de pastiche schrijft ze: ‘Omdat ik niet goed kan afwijken van mijn eigen stijl, heb ik niet echt een andere schrijfstijl aangenomen maar een experiment gedaan binnen de stijl. En een thema. Ik zal niet zeggen welke schrijver ik uitgekozen heb. Het is volgens mij heel makkelijk. De makkelijkste tot nu toe.

Wie als eerste goed raadt, krijgt een boek opgestuurd. Ik hou van prijsvragen namelijk.

maandag 6 december 2010

Oerknal



Het gebeurde op de jaarlijkse sinterklaas shopping, onverwacht, in de eerste winkel waar ik binnenging. Tussen de ingang en het speelgoed moet je door de literatuur, wat in mijn geval op normale dagen een zeker risico inhoudt. Deze keer liep ik de rekken routineus af. Ik was voor de kinderen gekomen; een bepaalde roman zocht ik niet, al zou ik een boek van Ana María Matute misschien niet weigeren maar alleen als het plots voor mijn neus opdook.
Het is natuurlijk precies op die ogenblikken, de zeldzame momenten waarop je niets verwacht, niets wil en niets denkt, dat de dingen gebeuren.

De tafels recente literatuur had ik gedaan en nu bekeek ik het gewone aanbod in de rekken tegen de muur. Ik zat op mijn hurken voor de M. De Ma-auteurs lagen op de twee benedenplanken, een ligging die ongelukkig is voor wie het moet doen zonder illustere buren zoals Thomas Mann of Gabriel García Márquez.
De klap kwam vlak voor Mat. Het was een wit, banaal ruggetje. Zwarte letters, bovenaan het rode ovaal van Livre de Poche. Het boek heette Le Premier Amour, een titel die me niet bovenmatig zou aanspreken als hij niet van Sándor Márai was geweest, de auteur van wie ik dacht dat ik alle vertaalde boeken had gelezen en voor wie ik het ernstig overweeg Hongaars te leren.

Ik spiedde rechts en links en griste het boek dan van zijn plank, want er was maar één exemplaar. De roman was een stuk zwaarder en dus lijviger dan ik had verwacht. Na lezing van het achterplat moest ik me hard concentreren om niet te gaan juichen, op mijn handen te staan of heel luid te zingen. In mijn hand, geprijsd aan 6.95 euro, lag een oerknal.

Oerknal. Kiemcel. Het zijn de termen die De Standaard-recensent Mark Cloostermans hier gebruikt om een debuut aan te duiden van een getalenteerd auteur: “Onder de oppervlakte voel je het woelen van persoonlijke obsessies. Thema’s die de auteur later meesterlijk zal bespelen, worden voorzichtig aangeraakt. Vaak noemt men een debuut veelbelovend, maar het passende woord is meerbelovend: dit is geen werkje op zich, er zit meer in. Een debuut is een oerknal; daarna deint het universum uit. In De avonden zit het hele oeuvre van Gerard Reve, maar geconcentreerd en nog deels vormeloos.”

Le Premier Amour is de eerste roman van Sándor Márai, geschreven in 1928, toen hij achtentwintig was. Het verhaal speelt in 1912. De ik-verteller is een alleenstaande man van vierenvijftig jaar die als leraar Latijn werkt in een Hongaars provinciestadje en een saai, routineus leven leidt. Op vakantie begint hij een dagboek te schrijven. Het is zomer en hij spendeert een maand in Virágfüred, een mistroostig kuuroord. Achtentwintig jaar voordien, toen hij pas als leraar zou beginnen en het leven nog voor hem openlag, betrok hij daar dezelfde kamer. Hij heeft het dagboek mee dat hij toen heeft bijgehouden. Sindsdien is hij nooit meer op verlof geweest.
In Virágfüred is weinig te doen en het eten is slecht. Uit verveling leest de leraar zijn oude dagboeknotities en begint hij te schrijven. Tot hij op een dag in het restaurant wordt aangeklampt door een man die ook alleen is gekomen, Ágoston Timár. Hij spreekt de leraar op een openlijke manier aan over zijn gedrag. De leraar is gechoqueerd en tegelijkertijd nieuwsgierig. Hij voelt aan dat deze man de vinger legt op iets wat hij van zichzelf niet weet.
Op de avond voor zijn vertrek zoekt hij hem op en ontboezemt hij zich. Hij spreekt uren aan een stuk, over zijn kindertijd, zijn studies, hoe hij bijna getrouwd was, zijn jaren als leraar, het bedrag op zijn spaarrekening. Ágoston Timár vertelt hem daarna hoe één gebeurtenis lang geleden z’n eigen toekomst verbrijzeld heeft, hoe hij bang is geworden van de liefde, de enige zin van het bestaan.

Het gesprek zet het leven van de leraar op een ander spoor. Hij keert terug naar zijn stad. Het schooljaar begint opnieuw en voor de eerste keer in zijn carrière krijgt hij een klas laatstejaars, een gemengde klas bovendien. En jawel, voor de eerste maal in zijn leven wordt hij, zonder dat hij dat zelf beseft, verliefd, een liefde die hem overvalt en tot waanzin drijft.
De omslag in het personage komt heel subtiel naar voren. Sándor Márai geeft in dit debuut al blijk van een groot psychologisch inzicht en een perfect aanvoelen van wat wel en niet mag worden gezegd. De lezer tast mee met de ik-verteller en weet veel sneller wat aan de hand is, zonder dat het ooit wordt benoemd.
In deze eerste roman zitten alle thema’s besloten die Sándor Márai lief zijn: een ontmoeting die een keerpunt vormt, een verboden liefde die passioneel oplaait, een zoektocht in de krochten van de menselijke ziel, de vraag naar de zin van het leven.

Le Premier Amour is een magistrale oerknal.

woensdag 1 december 2010

Tina and the Sea

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

TWEEDE AKTE

SCENE: Nacht. Witte klippen geven licht onder de maan. Een klein aantal sterren, niets overdadigs. Ochtendgloren kruipt aan de horizon op, alsmede de contouren van een grote schip dat voor anker ligt op zee.

ILANA en TINA zitten naast elkaar op strand. Ze dragen allebei lange rokken, bij Ilana is de petticoat zichtbaar omdat ze wijdbeens zit. Ze heeft laarsjes met veters aan, jongensachtiger dan Tina. Tina heeft haar benen omhoog getrokken, houdt haar armen om de knieën terwijl haar hoofd op de schouder van Ilana leunt.

ILANA
Dit noem ik nou een mooi begin.

Tina kijkt even op. Sluit dan haar ogen gelijk weer.

TINA
Nee. Nog niet. Laat het nog even donker zijn.

Ilana raakt Tina’s hand aan.

ILANA
Kijk toch eens een keer vooruit.

TINA
Maar wanneer zien we elkaar dan weer? Ik heb alleen de zekerheid van nu.

Een SCHEEPSHOORN gaat. Ilana springt op. Tina houdt haar ogen nog even dicht en pakt Ilana’s hand, houdt het stevig vast. Maar Ilana trekt Tina omhoog.

ILANA
Snel nu! Het is al bijna licht.

Tina knikt, trekt haar rokken op en rent van het podium af. Ilana loopt de andere kant op, naar het decor van de zee. Ze stopt even, draait zich nog een keer om naar Tina.

***

SCENE: een slaapkamer. Robuuste meubels, donker hout. Exotisch gekleurde kussen. Er staat een Victoriaanse stijl stoel en vergelijkbare ladekast. Tina ligt in een bedstede en draait zich wild om in bed. En nog een keer.

MARIANNA, de huishoudster, komt binnen met een dienblad waarop een theepotje staat, kop, ontbijt. Ze draagt een netje over haar haren, een zwart uniform met witte shirt. Hoge sokken in sloffen.

MARIANNA
(zangerig) Goedemorgen! God o god, wat heeft het vannacht gespookt. Ik durfde haast niet te kijken wat voor een schade was aangericht in de tuin. De perenboom van je vader!

TINA
(kreunt, ogen nog dicht)
Gespookt?

MARIANNA
Ben je daar doorheen geslapen?

TINA
Dan moet ik hebben gedroomd.

Marianna heeft haar dienblad neergezet en trekt met een ruk de gordijnen open. Fel licht valt in de kamer.

MARIANNA
Noodweer echt. En moet je nu zien: geen spatje aan de lucht. Wat is de natuur toch wispelturig. Totaal onvoorspelbaar.

Tina trekt gauw een deken over haar hoofd tegen het licht.

TINA
(kreunend) Nee, ik heb echt niet gedroomd.

Marianna kijkt haar fronsend aan. Trekt dan resoluut de dekens van haar af.

MARIANNA
Uit bed nu. We hebben haast. Je vader heeft besloten dat het best een goed idee van je was om nu alvast naar Cordoba te gaan.

Tina klapt omhoog, op slag enthousiast.

TINA
Maar we zouden pas volgende maand gaan?

Marianna haalt haar schouders op. Probeert zo luchtig mogelijk te vragen:

MARIANNA
En sinds wanneer wil jij opeens zo graag naar Cordoba? Vroeger wilde je nooit met je vader mee op reis?

Marianna pakt Tina’s rok van de grond. Ze schudt de rok uit, er valt zand uit. Ze voelt eraan, kijkt bedenkelijk.

Tina stapt intussen uit bed, trekt gehaast haar kimono aan, dan een koffer van boven een kast. Begint er wat chaotisch dingen in te gooien. Marianna grijpt af en toe in, vouwt de kleren net iets netter op.

TINA
Als we snel gaan, komen we nog eerder aan in Cordoba dan het schip.

MARIANNA
O. Het schip.

Marianna heeft haar handen in haar zij gestopt. Tina stopt even, kijkt Marianna schichtig aan en zegt.

TINA
(geforceerd luchtig) Ja het schip. Want ik ben zooo benieuwd naar de nieuwste tekeningen ze gemaakt hebben van al die inheemse dieren en planten in de West.

Marianna gaat opeens heel hard lachen.

TINA
Wat?

MARIANNA
Alsof jij ooit in iets anders geïnteresseerd bent geweest dan zingen en dansen.

TINA
Je onderschat me. Als ik de kans had gekregen ...

MARIANNA
Er staan boeken genoeg in de bibliotheek van je vader.

Ze pakken verder.

TINA
Stel me maar een vraag over iets.

Marianna kijkt Tina even aan.

TINA
Maakt niet uit waarover, vraag maar.

MARIANNA
Goed dan. In welk jaar werd Amerika ontdekt.

TINA
1492. Door Columbus. En Brazilie werd in 1500 ontdekt, door de Portugezen. Wist je dat het enige tijd Nederlands was?

Marianna is onder de indruk. Tina drukt de koffer dicht.

TINA
Dat weten weinig mensen. Kom. Voor papa van gedachten verandert.

Marianna legt haar hand op de schouder van Tina.

MARIANNA
Doe je wel voorzichtig?

TINA
Waarom zou ik niet voorzichtig doen?

MARIANNA
Nog maar drie maanden voor je gaat….

TINA
(geïrriteerd) Trouwen ja. Dat weet ik nu wel.

MARIANNA
Je mag je vader niet te schande zetten, meer bedoel ik er niet mee.

Aliefka Bijlsma (1972) werd op Curaçao geboren en woonde als kind onder meer in Senegal, de Filipijnen, Engeland en Ghana. In 2007 debuteerde ze met Gezandstraald (Uitgeverij Augustus). Dit jaar verscheen haar tweede roman Mede namens mijn vrouw. Aliefka heeft eerder wetenschappelijke stukken geschreven en tegenwoordig schrijft ze ook filmscenario's.

maandag 29 november 2010

Le talon d'Achille



Deze zomer bracht een zwerftocht door Frankrijk ons in het middelpunt van het land, Montluçon. Op de markt kochten we kersen en abrikozen en daarna klommen we naar het kasteel van de Bourbons waar we loopwedstrijdjes hielden op het voorplein. Toen daalden we opnieuw af naar de binnenstad om in de autovrije steegjes een eetgelegenheid te zoeken. Het gebeurde was in zekere zin een schitterend ongeluk. We zagen het in het passeren, heel toevallig, een groot raam en daarboven de letters Le talon d'Achille.

Schemerlampen hingen als duizend schitterende zonnen aan het plafond. Ze belichtten tafels en wanden vol boeken. In het uitstalraam lag een atypische selectie nieuwe romans en dieper in de winkel zag ik de klassiekerreeks van Grasset, Les Cahiers Rouges, en een volledige kast gewijd aan de Bibliothèque de la Pléiade. Het was kwart na twaalf. Om half een zou de winkel sluiten.
Haast was zonde, besefte ik toen ik de rekken afschuimde voorbij oude titels die in de gemiddelde boekhandel alleen op bestelling zijn te verkrijgen, ongekend werk van klassieke auteurs, veel beloftevolle onbekenden en de glansrijke afwezigheid van commerciële bestsellers (kortom, het soort selectie waar ik meestal alleen van kan dromen), maar toen we om klokslag half een bij de kassa stonden, stelde ik vast dat op een kwartier tijd veel was gebeurd.
De verkoopster wikkelde de aankopen in strakke pakjes van purper papier die ze verzegelde met een verguld etiket met de naam en het logo van de winkel. Toen ze alles in een plastic tas had gestopt, gaf ze me twee boeken cadeau. Een daarvan was Le bouquiniste Mendel, een novelle van Stefan Zweig uit 1929.

Na het diner (pizza in een restaurant naast de boekhandel) gingen we naar het stadspark van Montluçon om daar op een bank bij de fontein te lezen. Ik keek naar de keurig aangeharkte lanen en de bonte bloemenperken en vroeg me af hoe het park was in de herfst. Afval en dorre bladeren kon ik me hier niet voorstellen!
Toen sloeg ik Le bouquiniste Mendel open. Na twee bladzijden had ik dat gevoel al dat Zweig en Márai altijd bij me opwekken, een mengeling van vreugde, opwinding en verwachting, veroorzaakt door de precieze, prachtige taal, de rake verwoording van gedachten en gevoelens, een op handen zijnde onthulling. Met tegenzin legde ik het boek weg. Het was te goed voor snelle consumptie. Bovendien vroeg het verhaal erom gelezen te worden in een koffiehuis.

Het boek bleef maanden in zijn plastic tasje op de stapel naast mijn schrijftafel tot ik enkele weken de geschikte uitspanning vond.
Het was zo'n dag waarop ik dacht, vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen. Om op andere ideeën te komen had ik enkele boeken in mijn tas gestopt en naar Cannes gereden. Nadat ik een tijd in de leeszaal van de mediatheek had gezeten, liep ik de stad in. Om vijf uur in de middag ging ik me opwarmen in een koffiehuis, geen arty-farty zaak zoals daar ook te vinden zijn, maar een klassiek, pretentieloos etablissement. Op het overdekte terras zaten een koppel met een baby, een ouder echtpaar, een groepje jongeren en een geblondeerde vrouw met opgespoten lippen en een te diepe décolleté voor de tijd van het jaar. Ik installeerde me en bestelde een cappuccino. In de gloed van het laatste half uur voor de schemer las ik Le bouquiniste Mendel.

De eerste bladzijden deden me denken aan de madeleinescène van Marcel Proust. De ik-verteller gaat een café in Wenen binnen en heeft een déjà-vu ervaring. Hij pijnigt zijn hersenen tot hij weet waar hij de plaats van kent: het is het voormalige Café Gluck waar de befaamde boekhandelaar Jacob Mendel elke dag kwam werken. Van half negen 's morgens tot bij sluitingstijd, herinnert de verteller zich, zat Mendel aan een speciaal voorbehouden tafeltje terwijl hij las of geconsulteerd werd door zijn klanten. De verteller, toen student, woonde die consulten graag bij. Mendel was een levende catalogus: van één bepaald boek kende hij alle drukken, edities en prijzen. Hij werkte niet uit winstbejag, maar puur uit passie. Hij leefde armoedig, zonder gezin, zo geabsorbeerd door zijn boeken dat hij niet wist wat rond hem gebeurde.
De verteller klampt het personeel aan om te weten wat van Mendel is geworden. Alleen de toiletdame van vroeger is nog in dienst. Zij doet het tragische levensverhaal van de boekhandelaar uit de doeken, hoe hij ... nou ja, het is misschien beter dat ik het niet verklap.

Mijn koffietas voelde nog lauw aan toen ik Le bouquiniste Mendel opborg. Het verhaal, dat maar 42 bladzijden beslaat, is een pareltje van het kaliber van Le joueur d'échecs of Vingt-quatre heures de la vie d'une femme. Qua structuur en thematiek zijn er overigens veel paralellen. Voor wie Zweig niet kent is het een perfecte kennismaking met zijn werk, en voor Zweig-liefhebbers is Le bouquiniste Mendel een must-read.
Ik kan me voorstellen dat het boek misschien niet zo makkelijk te vinden is. Tenzij u zelf een Mendel kent. Anders kunt u altijd terecht in Le talon d'Achille in Montluçon. De verkoopster heeft vast nog enkele exemplaren onder haar toonbank.

vrijdag 26 november 2010

Werelderfgoed



Op zondag tussen twaalf en vier kom je rond deze tijd van het jaar op het Franse platteland geen mens tegen of het moet een buitenlander zijn. Elke rechtgeaarde Fransoos wijdt z'n zondagmiddag aan werelderfgoed van de Unesco. Dat gebeurt niet in afzondering, integendeel. De ruime familie wordt betrokken: mamy's en papy's, kinderen, kleinkinderen, leden van warme en koude familietakken.
De plaats van samenkomst evenals de bijdrage van elk individu variëren, maar de activiteit en het patroon dat daarbij moet worden gevolgd zijn altijd dezelfde. Op zondagmiddag sterken de Fransen de innerlijke mens. Na de aanhef, een aperitief, komen minstens vier gangen (zijnde een voorgerecht gevolgd door vlees en/of vis met groente, kaas en een dessert), afgesloten door een digestief. Heel dit gebeuren - de Franse gastronomische maaltijd - is tot vreugde van de natie sinds 16 november erkend als werelderfgoed van de Unesco.

Zo'n feestdis, dat hebt u ook al ondervonden, is een perfect decor voor verhalen. Wat allemaal niet wordt gezegd tijdens vier uur tafelen! Anekdotes, grappen, fratsen! Confidenties ook, die doorgaans frequenter worden naarmate de maaltijd vordert en de wijn slinkt. Aan woorden is geen tekort, maar in een goed verhaal wordt misschien nog meer aandacht besteed aan wat aan zo'n familiedis niet wordt gezegd: vreemd gedrag van een van de aanwezigen, steelse blikken tussen disgenoten, stiltes op verkeerde momenten. Dit spreekt de verbeelding van de lezer rechtstreeks aan en legt de gemoedstoestand van de aanwezigen en de verhoudingen onderling treffender bloot dan wat ze zeggen.

U denkt mogelijks aan de film Festen van de Deense regisseur Thomas Vinterberg of aan de roman Het Diner van Herman Koch, maar misschien niet aan Elsschot. Nochtans. Een van de hoogtepunten van Villa des Roses van Willem Elsschot is net zo'n maaltijd.
Elsschot voltooide Villa des Roses precies honderd jaar geleden. Het verscheen in 1913 en is zijn eerste roman. Het verhaal speelt zich af in een Parijs familiepension, uitgebaat door monsieur en madame Brulot, kinderloos maar met een huisaap. Het is een traditie om ter ere van de naamdag van hun meest rendabele gast, Antoinette Dumoulin, een feestmaal te organiseren. Het menu staat in z'n elf gangen beschreven. Een aperitief en digestief zal u op de kaart niet vinden, maar die zijn welbewust achterwege gelaten. Madame Brulot ziet het jaarlijkse feest als een financiële buitenkans. Tijdens de maaltijd probeert ze zoveel mogelijk champagne te verkopen. Ze laat haar echtgenoot eerst twee flessen trakteren. Daarna gaat de kassa rinkelen, want de andere heren in het gezelschap voelen zich nu verplicht hetzelfde te doen. Madame Brulot helpt haar gasten uit de nood met de voorraad van het huis, die ze aan het dubbele van de aankoopprijs van de hand doet.

Het feestmaal begint zoals elk jaar met een dronk op de gezondheid van madame Dumoulin, maar de aandacht verglijdt al snel van de feesteling naar de oudste gast van het pension, madame Gendron, 92 jaar. Op tafel staat een schaal vruchten. Madame Gendron profiteert van de algehele drukte om stilletjes sinaasappelen naar haar tas te transfereren. Madame Brulot ziet het. Achter de rug van madame Gendron om brengt ze de andere tafelgenoten op de hoogte, waarna bladzijden lang toespelingen worden gemaakt op de eerlijkheid van madame Gendron en het wezen van de sinaasappel zonder dat het arme mens iets doorheeft, tot monsieur Brulot haar op sluwe wijze ontmaskert. Dit is Elsschot op zijn best. Het tafereel werkt op de lachspieren maar tegelijkertijd voelen we plaatsvervangende schaamte voor die arme madame Gendron (die later overigens op wrede wijze wraak neemt).

Jazeker, honderd jaar voor de erkenning door de Unesco kende Elsschot het potentieel van het nieuwe Franse "immaterieel cultureel werelderfgoed" al zeer goed.

woensdag 24 november 2010

Announcement (Rachel Visscher)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

De mist boven het meer is dik. Er vaart een boot op het water die hij niet herkent. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes, kijkt of hij de letters op de boot kan lezen. De mist is te dik, enkel de hoofdletter W kan hij ontcijferen. Zijn ogen speuren het meer af, zoeken naar meer boten. Hij ziet er geen. Sinds de storm zijn de mensen voorzichtig geworden. Bij slechte weersomstandigheden vaart niemand meer uit.
Aafke is al wakker. Hij hoort haar rommelen in de keuken. Trek in koffie heeft hij. Hij snuift. Niets. Aafke heeft nog niet gezet. Vlug stapt hij het bed uit. Hij wil afscheid van haar nemen voordat ze naar Toronto gaat. Beth is ziek. Het is ernstig dit keer. Er groeit een tumor in haar hoofd, de doktoren hebben de strijd opgegeven.
Sinds het nieuws is Aafke van slag. ’s Nachts staat ze nerveus op om een kop warme melk te maken. Hij vroeg haar of hij mee moest gaan naar Toronto. Het was een lange reis en wat als Beth zou sterven? Aafke had afwijzend gereageerd. Het was beter dat er iemand op de boerderij bleef. Ze wilde niet dat een vreemde de zaken over zou nemen. Dan zou ze zich enkel ongerust maken. Hij drong niet aan. Aafke kan koppig zijn als ze iets niet wil. Hij weet dat het geen zin heeft om haar tegen te spreken.
Hij kleedt zich aan, merkt hoe stijf zijn armen en benen zijn. Gisteren was het twee graden boven nul. De kou is in zijn lichaam gekropen. De komende dagen zal het nog kouder worden had de weerman op de televisie voorspeld. Hij rilt. De laatste jaren vallen de winters in Canada hem steeds zwaarder.
‘Koffie?’ vraagt Aafke als hij de keuken instapt.
Hij knikt. Aafke schept de koffie in de filter, giet het water uit de ketel in de koffiepot. Ze duwt een boterham in de broodrooster, gaat zitten aan de houten tafel. Met een bezorgde blik in haar ogen kijkt ze uit over het meer. Hij ziet dat ze haar haren heeft opgestoken. Op haar lippen heeft ze een roze kleur gestift die hij niet herkent.
Nog altijd vindt hij haar mooi, ook nu ze ouder wordt. Hij herinnert zich hoe ze er uitzag de eerste keer dat hij haar ontmoette. Een jongen van zeventien jaar was hij. Hij zat thuis in de woonkamer toen er een stevige, blonde meid kwam aanfietsen op de dijk. Op het erf aaide ze de hond, de Duitse herder die zich nooit liet aanraken. Ze merkte zijn verbazing. Brutaal had ze hem aangekeken.
‘Wat zoek je hier?’ vroeg hij schuchter.
‘Ik kom voor je moeder,’ zei ze, ‘ik geef haar schrijfles. Is ze thuis?’
Zonder op zijn antwoord te wachten, liep ze langs hem de achterdeur naar binnen. Hij herinnerde zich dat zijn moeder hem had verteld dat er een jonge dame uit de stad zou komen om haar les te geven. Onder aan de trap luisterde hij hoe de jonge vrouw zijn moeder begroette.
Na afloop van de les zette zijn moeder thee. Onopvallend was hij aan de keukentafel gaan zitten met een boek. Hij luisterde naar het gesprek tussen zijn moeder en de jonge vrouw met de blonde haren. Vanuit zijn ooghoeken spiekte hij naar haar.
Aafke heette ze. Hij vond haar mooi. Haar ogen waren lichtblauw, ze had sproetjes op haar neus die haar gezicht jonger maakten. Opgewonden vertelde ze verhalen over haar leerlingen op de middelbare school waar ze werkte. Ze lachte en keek af en toe naar hem.
Hij begon uit te zien naar de dagen dat ze kwam. Pas toen hij zijn diploma had gehaald, durfde hij haar te vragen of ze een keer met hem uit wilde gaan. Zijn vriend Willem organiseerde filmavonden op het dorp waar de jonge mensen graag kwamen. Zonder aarzeling stemde ze toe. Na afloop van de film pakte ze zijn hand, haar ogen straalden. Dus toch, dacht hij. Achter het schuurtje op het erf had hij haar voor het eerst gekust.
‘Mary kan me een lift geven,’ zegt Aafke. ‘Ze belde zo-even. Ze gaat een paar dagen naar Ontario voor een graanbeurs. Van Bill hoorde ze dat ik naar Toronto ga. Ik kan een heel eind met haar meerijden.’
De boterham springt op uit de broodrooster. Aafke staat nerveus op.
‘Laat maar,’ zegt hij en hij duwt haar terug op haar stoel, ‘ik doe het zelf. Hoe laat komt Mary?’
Aafke wrijft met haar handen over haar slapen. ‘Over tien minuten.’
Ze gaat weer zitten aan de tafel, kijkt uit over het meer.
‘Die mist boven het meer,’ zegt ze, ‘heb je het ooit zo dik gezien?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik verbaasde me er ook al over. En dat in oktober.’
Aafke pakt de krant die op een van de stoelen ligt. ‘Frederik,' zegt ze. 'Ik wilde je dit nog laten zien.' Ze wijst naar een foto in de krant.
Hij legt de boterham op een bord, pakt de krant van haar aan. Op de foto staat een jonge man. Hij heeft donker krullend haar, draagt een geblokte bloes. Onder de foto staat een zinnetje: Announcement. Man without memory is searching his family and friends. If you know this man, please contact the police.
Sneeuw dwarrelt voor zijn ogen. Zijn adem stokt in zijn keel.
Aafke kijkt hem verschrikt aan. ‘Dus toch,’ zegt ze zacht, ‘Ik dacht dat ik mij vergiste.’
‘Hoe is het mogelijk,’ zegt hij. ‘William. Hij leeft.’

Rachel Visscher (1982) schrijft toneelstukken en verhalen. In janurai 2011 verschijnt haar debuutroman Zwarte dauw (Uitgeverij Augustus).

Wie pasticheert Rachel? Ventileer uw mening hieronder en probeer uw geluk ook hier.

woensdag 17 november 2010

Place du Clos, 7u40-8u00 (Annick Vandorpe)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Ik zat in de auto met geheven handen, mijn palmen licht naar buiten gedraaid, en telde dertig seconden af. Toen deed ik het portier open en liep naar buiten. Ik had het tientallen keren gedaan, maar toen was het anders geweest. Het beton, de stoepstenen, de platanen, alles ruiste nu van betekenis. Ik stak twee lege parkeerplaatsen over. Ze waren afgelijnd door helderwitte strepen. Mijn schoenzolen drukten er bruine bolletjespatronen in, die in intensiteit afnamen naarmate de afstand tot de auto vergrootte. Bij de parkeermeter haalde ik een muntstuk van vijftig eurocentimes uit mijn jaszak. Ik liet het in de gleuf vallen en duwde op de groene knop. De machine ratelde en spuwde een ticket uit: 7u40-8u00. Ik keerde terug naar de auto, legde het ticket onder de voorruit en sloot het portier.
Aan de overkant van de Place du Clos was een politieagent aan het praten met een bejaarde dame. Hij stond op de eerste trede van de trap naar het trottoir, met de rug naar me toegedraaid. Ik zette mijn rechtervoet op het plein. Het grind kraakte zacht, net zoals het hoorde. Ik liep in de richting van de trap. Toen ik halverwege het plein was, klonk het geluid van een motor. Een gele bestelwagen met het logo van La Poste verscheen om de hoek. De bestuurder draaide zijn raam omlaag en stak zijn hand naar me op. Daarna parkeerde hij voor het postkantoor. Ik kwam nu bij de agent. Hij had het gesprek met de dame beëindigd. Zij stiefelde in de richting van de bakkerij. Daar legde ze haar hand op de deurklink.
'Bonjour,' zei ik aan de agent.
Hij draaide zich om, kantelde zijn hoofd en lachte. 'Bonjour! Vous allez bien?'
'Très bien,' zei ik.
Met gedecideerde pas liep ik de trap op. Op het trottoir sloeg ik rechtsaf. Het terras van de Bar des Boulistes was onbezet. Op het dichtstbijzijnde tafeltje stonden twee lege koffiekopjes. Daarnaast lag wat geld. Ik pakte het. De munten waren niet koud en niet warm, maar net goed. Terwijl ik ze in mijn jaszak liet glijden, keek ik achterom. De politieagent glimlachte nog altijd. Ik stak mijn tong uit. Hij kantelde zijn hoofd verder opzij. Het stond bijna loodrecht op zijn lichaam. Hij deed het goed. Heel goed zelfs.
Bij de fontein stak ik de straat over. Toen ik aan de overkant kwam, ging de deur van de krantenwinkel open. Een lied van Bénabar waaide de straat op. De krantenboer volgde. Met gebogen rug duwde hij een rek tijdschriften en kranten voor zich uit.
'Bonjour,' zei ik.
Hij draaide zijn hoofd naar me, knikte en maakte een hoofdbeweging naar zijn winkel. 'Votre Monde est arrivé,' zei hij. Het klonk als een zucht, precies zoals we afgesproken hadden. Ik voelde me licht, gewichtloos bijna, alsof ik mijn eerste passen zette op een nieuwe planeet. Ik liep de winkel binnen, haalde de lauwwarme munten uit mijn zak, legde ze op de toonbank en nam een krant. Mijn bewegingen waren vloeiend, in perfecte harmonie met de omgeving. Daarna maakte ik rechtsomkeert. Ik passeerde de krantenman en de fontein. Het gevoel nam af toen ik op het plein kwam. Ik draaide me om. De agent, de krantenboer, de postbode en de oude dame stonden nog op hun positie.

Wie pasticheer ik?

maandag 15 november 2010

Speelterrein



Ik zat op de badrand en keek naar mijn zoontjes die speelden met plastic beesten en lege shampooflessen en dacht aan 's anderendaags, hoe ik om negen uur, als iedereen het huis uit was, enkele spullen in een koffer zou stoppen en weggaan. Voorgoed.

Ik had dit maanden voorbereid en ik was er zeker van: ik kon niet blijven. Ik kon dit leven niet meer leiden.  De kinderen riepen en lachten en in de verte hoorde ik voordeur openen, mijn partner die thuiskwam. Mijn partner die niets van mijn plannen wist en aan wie ik ook vanavond niets zou vertellen. Het was onze laatste avond als familie.

Ik beeldde me dit scenario zo levendig in dat ik af en toe moest stoppen met lezen om me ervan te vergewissen dat ik wel degelijk op het strand van Cannes zat en dat de kinderen op enkele meters van me in de branding aan het spelen waren. Het was dertien november, de buitentemperatuur bedroeg 20°C en de zee was warm. Ik ging kijken naar een tunnel die de kinderen hadden gegraven of schilde mandarijntjes en daarna was ik weer ergens in de veertig, een man en schreef ik voor mijn beroep scripts voor televisie.
Ik woonde zes jaar samen met mijn vrouw en af en toe had ik affaires. Meestal verveelden ze me snel, maar één keer was het anders. Ik zou voorlopig bij een vriend wonen, ook gescheiden.
Maar nu was ik nog thuis. Mijn vrouw was de badkamer binnengekomen en ik keek toe hoe ze onze zoontjes knuffelde. We tilden elk een kind uit het bad en wikkelden het in een dikke sponzen handdoek. Terwijl ik dit deed, voelde ik me al een beetje weg, een schim in mijn eigen huis.

Ik las Intimacy van Hanif Kureishi in één ruk uit. We bleven op het strand tot het fris werd. Daarna veegden we het zand van onze voeten en liepen naar de auto. Het duurde een tijd voor ik tot mezelf kwam. Jay, het hoofdpersonage van de Brits-Pakistaanse schrijver, bleef me achtervolgen. Leuk was het niet om me in de huid van Jay te verplaatsen. Interessant wel. Nooit eerder stond ik zo dicht bij wat een man kan doormaken in een midlifecrisis.
Literatuur is het beste speelterrein voor gevoelens.

Het mag overigens bij deze ervaring blijven.


vrijdag 12 november 2010

Nar



Het was vrijdagavond, 17u30, en ik discussieerde met N.(7) en E.(5). Het ging over Pokemonkaarten. Plots zwegen de kinderen. Toen hoorde ik het ook: een discreet geklop.
Toen ik de voordeur opende, zag ik een vrouw met kortgeknipt haar en rock-and-roll kleren. Ze omhelsde me uitbundig. Voor me, met een ander kapsel en een nieuwe look, stond mijn vriendin A.
Verontschuldigingen uitend over het onverwacht bezoek stapte ze de drempel over. Toen A. in het dorp woonde, spraken we regelmatig af, maar sedert ze haar gezin had ingeruild voor een leven in het teken van schilderen, zeilen en Baudelaire, had ik haar maar twee keer meer gezien. Ik zei dat ik me die morgen nog had afgevraagd hoe het met haar ging.
'Je zou moeten weten!' zei ze. Aan de manier waarop ze haar ogen ten hemel sloeg en lachte, achtte ik het aangewezen in de keuken verder te praten.

Terwijl ik thee zette, kwam ik te weten dat ze een huis had gekocht bij Toulon en dat ze deze zomer in de Lozère had gewoond. We spraken over de Lozère, dat het van alle departementen la France profonde bij uitstek is, hoe wild en mooi de landschappen er zijn, hoe weinig toeristen er komen, en toen zei A.: 'Ik heb een man ontmoet.'
'Vertel,' zei ik. Elke keer ik A. zie heeft ze een man ontmoet.
'Ken je Stefan Zweig?' vroeg ze.
Ik knikte. Had ze Vingt-quatre heures de la vie d'une femme gelezen?
A. greep mijn polsen beet. 'Precies zoiets is me overkomen!'

'Op een dag,' vertelde ze, ' was ik in een restaurant aan het lunchen, toen een stel werklieden binnenkwam. Een van hen viel me op. Hij had een onverzorgde rosse haardos, een baard en een rode huid en er was iets vreemds aan zijn uiterlijk.'
'Baudelaire heeft het geschreven,' zei ze met twinkelingen in haar ogen, 'l'étrangeté est le condiment nécessaire de toute beauté.
'Ik observeerde hem,' ging ze verder. 'Hij sprak niet, maar dronk wel tien glazen rode wijn. Ik kreeg zin om hem te schilderen. Toen hij opstond, liep ik op hem af en vroeg of hij met me op restaurant wilde.
Hij schudde zijn hoofd. "Je suis un solitaire."'

In de week die volgde, zag A. hem enkele keren toevallig op café. Elke keer dronk hij zeer veel. Ze sprak hem opnieuw aan.
'We spraken een paar dagen later af,' zei ze. 'Zijn broer kwam ook naar die afspraak. Hij vroeg wat mijn bedoelingen waren en liet me beloven dat ik zijn broer niet mocht kwetsen. "Pas op," zei hij nog, "hij is helderziende."
Daarna gingen we eten, die man en ik. Ik kwam te weten dat hij 42 jaar was, alleen en zonder kinderen, dat hij steenkapper was van beroep en met de stenen die hij uit de rots houwde, muren bouwde.
Na het eten vroeg hij of ik meekwam naar zijn huis. Ik denk dat ik de eerste vrouw was die over zijn drempel stapte. Je had moeten zien hoe hij woonde! Verschrikkelijk... Zodra ik binnen was, deed hij de deur op slot en wees naar de ramen. Hij beval me een raam te kiezen, want door de deur kwam ik niet meer buiten. Daarop maakte hij een duik naar mijn iPhone, snakte het toestel uit mijn handen en liep naar zijn kamer.'

A. beende van de ijskast naar het aanrecht en bootste hem met woeste gebaren na. Ik sloot voor de zekerheid de keukendeur.
'Hoe hij wegliep, in lompen, met vies haar en die iPhone in zijn handen geklemd, deed hij me denken aan een wild dier,' zei ze. 'Een wild dier dat iets blinkends ziet, het pakt en zich verstopt.' Haar blik werd plots zacht. 'Toen ik dat zag, besefte ik dat ik hem van hem hield.'

Ze vergeleek hem met Fantasio, het personage uit het gelijknamige toneelstuk van Alfred de Musset, niet alleen omdat hij net zoveel dronk, maar ook om zijn levenshouding.
Fantasio is een "literair" toneelstuk, dat heel makkelijk leest maar moeilijker is in scène te brengen. De Musset schreef het in 1833, toen hij 23 was en een relatie had met Georges Sand. Het werd voor het eerst opgevoerd in 1866, negen jaar na de dood van de Musset.
Fantasio verveelt zich en gaat gebukt onder schulden. Bij zijn vrienden en drinkebroers Spark, Facio en Hartman schuilt hij voor zijn schuldeisers. Terwijl de wijn vloeit, zet Fantasio zijn romantische ideeën uiteen. Wanneer hij verneemt dat de nar van de koning is gestorven, biedt hij zich aan op het hof. Daar worden voorbereidingen getroffen voor het huwelijk van de prinses, een vereniging waarbij vooral de staat gebaat is. Wanneer Fantasio nar wordt, probeert hij de prinses te overtuigen om het huwelijk te annuleren. Met een act van grote bravoure slaagt hij daarin. Dat heeft allerlei gevolgen.
Spotziek, romantisch, opstandig, ziet Fantasio het leven als een spel waarin hij zijn eigen plaats niet vindt.

'Je zou hem moeten zien!' zei A. 'Hoe hij loopt, zich houdt, werkt, drinkt, alsof hij heerst over de wereld.'
De kinderen kwamen de keuken binnengestormd. Ze sprongen tegen me op en riepen dat ze honger hadden. A. toonde hen foto's van haar schilderijen op haar iPhone. Daarna namen we afscheid.
'Ik heb altijd gedacht dat ik een dichterlijke gevoeligheid had,' zei ze op de dorpel, 'maar hij is poëzie. Hij is ongeschoold, hij heeft zijn geboortestad nooit verlaten, maar alles wat hij zegt en doet, zijn hele leven is één gedicht.'

woensdag 10 november 2010

De ene man (Arjen van Veelen)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Die ene man die mij iets leerde
was jij, A., bij maanlicht.

Ken je me nog?

Je bloost als een appel. Snap ik best.
Al die nachten op dat zachte bed,
onze giechelende wiekslag. Hihi.
Hoeveel kostbare balsem verspilden we wel
niet.

Wil je me helpen zoals toen?
Laat je me nog eenmaal zingen
van de rozen uit Pierlala?

De lier die klonk van pluk me dan.
Beneveld was ons bloed. Kleine vlammen
likten snel hun weg. Verbeten raakten onze gelaten,
verwrongen, tot we even onsterfelijk
samenspanden.
Daarna:
dode sidderalen.

Slaap je? Of geloof je de praatjes
van de meisjes en van Phaon? Het was niets.
Een zuchtje.

Weet je nog hoe ik bitter snikte dat ieder ooit
zijns weegs moet gaan en eeuwig
naamloos dolen zal?

Help me alsjeblieft zoals toen.
Laat me nog eenmaal zingen.

Sprokkel desnoods rozenblaadjes
uit Oxyrhynchus. Lijm anders wat
onleesbaar in zand uiteenviel.
Maak iets. Zoals toen.

Ik slaap alleen.

Snap je niet wat mij drukt?
Donkere aarde die knaagt.
Een loze omhelzing van bot.
Gevoos met vale lijken.

Arjen van Veelen (1980) is essayist. Dit is zijn eerste gedicht sinds bijna tien jaar.

Wie pasticheert Arjen? Uw mening graag hieronder.

maandag 8 november 2010

Een origineel idee of iets amusants



Ik vroeg het me dit weekend af: konden ze slapen en hadden ze trek? Waren er bij die overleefden op sigaretten, koffie en alcohol terwijl anderen soelaas vonden in meditatie en een wandeling in een bos? Of sloeg mijn fantasie op hol en snoeiden ze gewoon de haag en speelden voetbal met de kinderen? Het was denkelijk dat sommigen op zaterdag in de vooravond na een dag in dubio nog vlug de stad introkken om nieuwe kleren te kopen, en ik durfde er geld op inzetten dat ze allemaal een blocnote bij hadden die ze af en toe (en zonder zichtbare aanleiding) in het café, onder het eikenloof, op de yogamat of op het voetbalveld opdiepten, om haastig enkele zinnen neer te schrijven. Een origineel idee of iets amusants.

Wat doen schrijvers in de laatste 48 uur voor de eeuwige roem hen toevalt - of de levenslange desillusie?
Ik denk aan Kees van Beijnum, Oscar van den Boogaard, Tom Lanoye, Willem Jan Otten, Koen Peeters en David van Reybrouck, die vandaag weten of ze de AKO Literatuurprijs winnen. En aan Michel Houellebecq, Virginie Despentes, Mathias Enard en Maylis de Kerangal, die wachten op de bekendmaking van de Prix Goncourt.

Schrijvers doen rare dingen voor en tijdens prijsuitreikingen. Dat zou je toch geloven na lezing van Mes prix littéraires van Thomas Bernhard. De Oostenrijkse auteur schreef de teksten in deze bundel al in 1980, maar gaf ze tijdens zijn leven niet voor publicatie vrij. Mes prix littéraires verscheen in 2009, twintig jaar na zijn overlijden. (De Nederlandse versie, Mijn prijzen, verscheen bij Uitgeverij Atlas.)
Thomas Bernhard wordt beschouwd als de grootste Oostenrijke schrijver na de Tweede Wereldoorlog.  Bernhard, die op zijn eenendertigste zijn romandebuut maakte en onmiddellijk in de prijzen viel, haatte instituten, academies en de prijzen die zij uitloofden, maar hij haatte zichzelf al even erg omdat hij de prijzencheques altijd aanvaardde, uit chronisch geldgebrek.

Tijdens zijn carrière oogstte hij twaalf of dertien literaire onderscheidingen en over negen daarvan schreef hij een verhaal. De bundel begint met Le prix Grillparzer, waar Bernhard twee uur voor het begin van de ceremonie plots beseft dat hij niet op het podium kan verschijnen in zijn gewone kleren (een broek en een trui die hij al vijf jaar elke dag draagt) en in Wenen een herenwinkel binnenstapt om een pak te kopen, waarna hij met zijn vaste gezel op die prijsuitreikingen, een tante van 81 jaar, nog een broodje gaat eten voor hij de Academie der Wetenschappen van Wenen binnenstapt, en daar gewoon in het publiek plaatsneemt. U moet zelf eens lezen hoe dat afloopt.

De toon van Mes prix littéraires is droog, ironisch en zeer grappig. Bernhard klaagt en foetert en is voortdurend verbaasd over wat hij meemaakt, maar vooral ook over zijn eigen handelingen. De stukken lezen als novellen waarin de auteur zelf een personage is. Mes prix littéraires is een boekje dat de lezer heel erg warm maakt voor het oeuvre van Bernhard.

Het is ook een goed boek voor een schrijver die misschien een onderscheiding zal binnenhalen. Bernhard laat zijn lezers dat hele prijzencircus relativeren. Volgens mij werkt dit boekje stukken beter dan koffie, sigaretten, alcohol of meditatie.

woensdag 3 november 2010

Eitje (Luc De Vos)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

     Van een volmaakt hersenloos geluk getuigen ook die politici die niet lijden aan inlevingsdramaturgie. Afbraakretoriek van potsenmakers met een gesubsidieerde pet op? Met het kopje schuin tegemoetkomen, die jongens. Prevelend aan het handje van economische wetmatigheid. Maar vanbinnen: hilariteit.
     Zie ze orakelen, de cultuurmisnoegden, essayistiek binnen het kader van alweer een witte raaf. Neen, dan liever het provinciale netwerk in, amateurtoneeltje hier, streekbiertje daar. Kielzog. Mee met de wind. Straatwaarde als samenlevingsmodel. Wilders, Wesley en Jolante als paradigma, toe maar. Keats, Yates, Proust? Nooit van gehoord, meneer.
     Hoorde ik daar niet het strikverschijnsel Siegfried Bracke de zinsnede ‘waan van de dag’ met bevende lippen maconistisch uiten, zweet parelend op des meesters blinkend volgevreten aanschijn? Geschrokken van het eigen woord, wellicht. Alla. Tu quoque, Sieg? Zou het? Stof valt, as verstuift, hier en daar en ginder lijdt de dichter aan het leven, maar het volk heerst in alle tijden vanuit de spelonken. Wij ontwaren een traan bij veldwerkers die richting wensen te geven. Arme sloebers. De stampede van het voetvolk dreunt over de vlakte; de voorhoede: opgehangen door de vijand. Ook Rome duchtte het plebs. Cloaca maxima. Droesem welt op. De politiek? Les mouches, meende Sartre. Vliegen op de schouw. Deelnemen vooral. Niet eens met knikkende knieën. Schroomvallig, vanuit lambrisering wijzen op oorzaak en gevolg? Lammenielache. Allemaal zorgeloos het lauwe bad in. Iedereen Man Bijt Hond. Achtergrondmuziek die nooit stoort; Ingvar Karlsson’s inbouwkast, mét bijhorende inbussleutel. En aangenaam klassiek, vanzelfsprekend, op de I-pod.
     En dan: voetbal. Alweer de meute. Daar ga je, Dick! Advocaat van getatoeëerde hufters met een Ferrari. Niet eens meer het woedende tintelen in het arendsoog van Ernst(ernst!) Happel, beloken toewijding tot in het graf. Neen, graaien. Bij FC Leningrad. Polonaise op zijn hondjes na de horrortackle. Was het Claus die grimlachend gromde: wat wil dit volk? Vernieuwde Ariel!
     Ach, wat zou het, mij wacht het gebraden fazantje met zuurkool. De winter vangt aan. Adem wordt wolk. Hoop is het laatste dat sterft. Eitje.

Behalve zanger van de Vlaamse rockband Gorki is Luc De Vos (1962) ook columnist en schrijver. Hij debuteerde in 1995 met De verworpenen. In 2009 verschenen van hem de roman Het Mensdom en de bundel Het werk van de duivel en andere columns, allebei bij Uitgeverij Atlas.

Welke auteur pasticheert Luc? Uw reactie graag hieronder.

maandag 1 november 2010

Redenering



Op de mat lag een roodborstje. Het was warm en zacht en paste precies in mijn handpalm. Ik streek over een poot en voelde de dunne, scherpe klauwen op mijn vingertop. Wat heb je, sprak ik mezelf in, het is toch maar een vogel. Ik moest deze redenering herzien. De jachtscène in La famille de Pascal Duarte van Camilo José Cela stond me voor ogen.

La famille de Pascal Duarte, het debuut van Camilo José Cela, behelst de fictieve memoires van een arme boer in Zuid-Spanje die ter dood is veroordeeld. In de gevangenis wacht Pascal Duarte op zijn ophanging. De jachtscène, van Duarte met zijn hond Etincelle, is een van de openingstaferelen van de roman. We weten op dat ogenblik enkel iets over het dorp van Duarte, in een afgelegen streek tegen de grens met Portugal, en over zijn armoedige huis waarvan alleen de keuken het vermelden waard is. De stem van de ik-verteller klinkt eerlijk en daardoor ook sympathiek. Op dat ogenblik schotelt Camilo José Cela ons de jacht voor.

Etincelle kent de gewoontes van haar baasje. Op de terugweg wacht ze altijd bij Duartes lievelingsplek, een comfortabele steen in de vorm van een stoel. Hij kan daar uren zitten, rokend, terwijl hij spreekt met Etincelle of kijkt hoe ze speelt. Duarte is bijzonder gehecht aan die steen en bij het vertrekken moet hij van zichzelf naar de steen blijven kijken, als een soort afscheid.
Op een dag, terwijl hij langzaam wegwandelt, schijnt het hem toe dat de steen triest is. Hij keert op zijn passen terug en zit opnieuw neer. Etincelle, die de reactie van haar baasje natuurlijk niet begrijpt, gaat voor hem zitten en kijkt hem aan. Haar blik schijnt hem anders toe: koud, onderzoekend ook, alsof de hond naar een vreemde kijkt. Het brengt Duarte buiten zichzelf. Hij neemt zijn geweer en schiet Etincelle neer.

In deze korte scène, die amper een bladzijde beslaat, zet de Spaanse schrijver en Nobelprijswinnaar Literatuur van 1989 het karakter van Pascal Duarte helemaal neer. Koelbloedig, onvoorspelbaar, gevaarlijk. We zitten in het hoofd van een moordenaar.
Is Pascal Duarte zo geworden door de moeilijke omstandigheden waarin hij moet leven (geïsoleerd en in grote armoede, bij een gewelddadige vader en een alcoholverslaafde moeder) of is het zijn lot? La famille de Pascal Duarte doet denken aan een klassieke tragedie en geeft veel stof tot nadenken. Het boek verscheen in 1942, toen Camilo José Cela zesentwintig was, werd door generaal Franco verboden in Spanje en wordt beschouwd als het meesterwerk van de Spaanse Nobelprijswinnaar.

Ik dacht aan de hond van Duarte en daarna keek ik anders naar de vogel. Het was niet "maar een vogel". De dood van een vogel kon even gruwelijk en onbegrijpelijk zijn als de dood van Etincelle. Dit was gewoon de wet van de natuur. Ik legde het roodborstje neer en ging binnen melk halen voor de kat die aan mijn benen stond te miauwen.