Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

maandag 23 november 2015

De pijn van het mens zijn

Maartje Wortel schrijft prangende verhalen over mensen die kampen met fundamentele eenzaamheid en lijden onder het besef van de eindigheid van alles.

In 2009 debuteerde Maartje Wortel (°1982) met de bundel Dit is jouw huis en vestigde ze meteen haar naam als een nieuwe en eigenzinnige stem in de Nederlandse letteren. Zes jaar en twee romans later keert de schrijfster terug naar haar eerste liefde, het korte verhaal.
Vrolijk zijn de dertien stukken van Er moet iets gebeuren niet te noemen. De personages worstelen met zichzelf, met hun naasten, hun verleden of hun (beperkte) toekomst. De jonge vrouw uit het openingsverhaal Het kamp lijdt aan depressie – al wordt dat nergens met zo veel woorden gezegd – en probeert steeds weer nieuwe behandelingen uit, tevergeefs. Het jongetje dat in Tomer en Elias het woord voert, moet naar de pijpen dansen van een jaloerse en dominante oudere broer, die een pak minder onschuldig blijkt dan hij zich voordoet. De vrouw uit het titelverhaal heeft een zoon verloren, en zij en haar man zoeken wanhopig naar een manier om verder te leven. Eenzaam in hun verdriet, weten ze niet meer hoe ze met elkaar moeten omgaan.

Alledaagse situaties krijgen bij Maartje Wortel iets bevreemdend door haar directe en tegelijkertijd suggestieve manier van vertellen. We buitelen het hoofd van haar personages in en worden gedropt in hun chaotische innerlijke wereld. Hun verslagenheid of stuurloosheid zet ze op ons over zonder uitleg of duiding te geven – het is aan ons om de context te achterhalen. Glansrijk geeft ze haar vertellers een eigen stem en laat ze hen direct in onze geest opstaan, hoe weinig we ook over hen weten. Vaak ontdekken we pas aan het eind van het verhaal of we met een man of een vrouw te maken hebben.
Samenkomen

Melancholie doordrenkt deze bundel. De personages lijden onder een nijpend eindigheidsbesef, of het nu gaat om de eindigheid van een leven, van een liefdesrelatie of om de kortstondigheid van alles wat ze meemaken. Geliefden en naasten spannen zich in om elkaar te begrijpen, maar worden geconfronteerd met fundamentele eenzaamheid. 
Maartje Wortel stopt humor in haar proza, houdt de toon licht en af en toe overrompelt ze je met een schitterend beeld
Dat samenkomen soms toch lukt, laat de schrijfster zien in Het is al gebeurd, waar we opnieuw de man en de vrouw uit het titelverhaal treffen en deze keer in zijn huid kruipen. Hij richt zich tot zijn dode zoon: “Mijn hele lichaam voelt continu dat er iets is. Het onheilspellende gevoel stroomt als dik bloed door al mijn aderen; en die tijd, al duurt het vaak slechts enkele seconden of minuten dat ik niet kan begrijpen waar dat gevoel vandaan komt, is vele malen erger, echt vele malen erger, dan te weten wat er mis is, hoe erg datgene wat er mis is ook is. Weten dat jij er niet meer bent is makkelijker dan het gemis te voelen en in dat moment tussen slapen en wakker worden wanhopig in mezelf te zoeken waar het gemis vandaan komt. “

Hoop
Maartje Wortel toont haar personages in al hun naaktheid en aandoenlijkheid en legt de pijn van het mens zijn bloot. Dit betekent niet dat Er moet iets gebeuren een zwartgallig boek is. Ze stopt humor in haar proza, houdt de toon licht en af en toe overrompelt ze ons met een schitterend beeld of een spitse bedenking. En er is altijd hoop. Hoop op liefde bijvoorbeeld. In De schrijver II  doet ze een boekje open over haar voormalige geliefden en haar huidige partner, Marie. “Ik weet niet zeker of liefde bestaat”, aldus Maartje Wortel, “ik weet alleen zeker dat je je leven lang kan blijven geloven in iets waarvan je niet zeker weet of het bestaat.”
Er moet iets gebeuren, Maartje Wortel. Das Mag Uitgeverij, 241 p. Deze recensie verscheen op 18 november in De Morgen.

woensdag 18 november 2015

De immune mens

Een protagonist neerzetten die de antipathie zelve is? Wytske Versteeg excelleert hierin in haar derde roman, Quarantaine, een benauwend verhaal over een man en een land in vrije val.

Wie aan Quarantaine begint, zal meteen weten dat Wytske Versteeg (°1983) zich door de actualiteit liet begeesteren. De jonge schrijfster heft de roman als volgt aan:
« De ziekte kwam toen niemand er meer op gerekend had. (…) Natuurlijk hadden we ervan gehoord, al eerder, maar uitsluitend als iets wat zich ver weg afspeelde. Het viel geen nieuws te noemen toen de ziekte zich verspreidde, gestaag de grenzen over kroop van landen die altijd problemen hadden. We zagen de beelden elke avond, met steeds een groter stukje van de kaart gekleurd, dat was niet meer dan te verwachten. Onze angst bewaarden we voor andere zaken; we dachten veel aan terrorisme, vliegtuigrampen, af en toe aan het klimaat. Nog altijd bevond de ziekte zich op een ander continent, totdat dat plotseling niet meer zo was. Toen pas begon de paniek. »
Ongenaakbaar

Versteeg verwijst natuurlijk naar de recente uitbraak van ebola in Afrika. In de roman borduurt ze verder op wat had kunnen gebeuren als de virusziekte Nederland in de greep had gekregen. De man die in Quarantaine het woord voert, heet Tomas Augustus en is een gerenommeerd plastisch chirurg met een bloeiende privépraktijk. Terwijl de ziekte een spoor van dood en verderf door Nederland trekt en de mensen rond Tomas als vliegen vallen, lijkt hij er bizar genoeg immuun voor.
Ademloos en met een ongemakkelijk gevoel lees je verder
Ongenaakbaar is hij sowieso, althans toch in zijn huwelijk en zijn sociaal leven. Voor zijn vrouw – die in zijn ogen “ongeveer even opwindend als een lekke meelzak” is –  voelt hij slechts verachting en aan de patiëntes met wie hij affaires heeft ergert hij zich zodra ze gevoelens tonen.
Alles verandert weliswaar als Tomas op een receptie tegen de jonge, sensuele Maria op botst en tot zijn eigen verbazing halsoverkop verliefd wordt. Ze stelt Tomas voor een aartsmoeilijke keuze. Hij moet onder ogen zien dat zijn leven gebaseerd is op een leugen. Kan hij het zorgvuldig geconstrueerde bedrog in stand houden als hij Maria voor zich wil winnen?
  
Quarantaine overvalt je als een vloedgolf en sleurt je mee om je pas uren later, als de laatste zin is gelezen, op het strand van je eigen leven terug te werpen. Stilistisch alleen al is de roman een plezier. Wytske Versteeg, die in 2014 de BNG Literatuurprijs kreeg voor haar tweede titel Boy, schrijft in een heldere, beeldrijke taal en laat haar zinnen fraai meanderen en rollen. Ze houdt de spanningsboog strak aan en heeft talloze verrassingselementen voor de lezer in petto. Ademloos en met een ongemakkelijk gevoel lees je verder, want de benauwenis dampt werkelijk van de bladzijden af.

Apocalyps

Versteeg schetst een apocalyptische wereld. Huizen staan leeg, straten liggen er verlaten bij, voedingswaren rotten in geplunderde supermarkten, en internet en telefoon werken allang niet meer. Haar protagonist past perfect in die funeste sfeer.  Tomas Augustus is de antipathie zelve; je wil eenvoudigweg niet geloven dat iemand zo harteloos, cynisch en egocentrisch in het echte leven kan bestaan. Alleen Cupido kan het harnas van ijs dat hij draagt smelten en hem humaan laten worden – en tegelijkertijd ook vatbaar voor desillusies en verdriet. Tegen dan is zijn kille karakter echter zo in je hoofd en hart gekropen dat je moeite moet opbrengen om de ommezwaai aan te nemen.

Quarantaine, Wytske Versteeg. Prometheus, 168 p. Deze recensie verscheen op 10 november in De Morgen.

donderdag 15 oktober 2015

Waarom we knus contact zo fijn vinden

Bioloog Midas Dekkers kijkt graag naar verrassende parallellen tussen het dieren- en mensenrijk. Deze keer trakteert hij ons op een wetenswaardig en amusant werkje over onze opmerkelijke hang naar geborgenheid. 

Heeft Midas Dekkers nog een introductie nodig? We kennen de Nederlander als bioloog en schrijver, maar ook als mediafiguur. Gedurende meer dan vijfentwintig jaar vermaakte hij een grote schare luisteraars met radiocolumns over de relatie tussen mens en dier.
Inmiddels heeft de ‘schrijvende bioloog’ – die in 2016 zijn zeventigste verjaardag viert – meer dan vijftig titels op zijn conto. Vorig jaar nog verscheen De kleine verlossing of de lust van het ontlasten, waarin hij de diverse facetten van de menselijke stoelgang ontleedt met een flair die hem eigen is. Wat zijn werk zo bijzonder en populair maakt, zijn immers niet alleen de universele onderwerpen waarover hij schrijft maar ook zijn aanpak. Hij benadert het alledaagse op een aparte manier en doet dat met veel humor. 

Bondage 

In zijn nieuwe boek De thigmofiel neemt hij het verlangen naar geborgenheid onder de loep. De titel verwijst naar het Griekse thigmos, aanraking. Thigmofilie – de hang naar aanrakingen – is wijdverspreid in het dierenrijk. Een schoolvoorbeeld is de poes, die niets liever doet dan in een net iets te kleine doos te kruipen en zich tegen de wanden te vleien, maar ook de mol, het zoogdier met het grootst aantal tastorganen in de huid, is een toegewijde thigmofiel.
Maar de mens is wel dé thigmofiel bij uitstek, oppert Dekkers. Bij de geboorte is de tast het belangrijkste zintuig. Waarom worden baby’s rustig als ze ingebakerd worden? Strak ingewikkeld in doeken, voelen ze zich alsof ze weer in de baarmoeder zijn, dé tempel van de geborgenheid. Als een kind groter wordt, nemen de andere zintuigen de overhand tot de volwassenheid aanbreekt en het tijd wordt voor seks.
“Als geliefde geef je je eindelijk weer bloot als een klein kind. Zo grijp je gemakkelijk terug op oud repertoire: het huid-op-huidcontact, omarmen, zuigen, strelen, tepelzoeken en al dat andere toetasten. Ook bij de voorbereiding – benen scheren, huidcrèmes, nylonkousen, satijn en fluweel – komt de thigmofiel aan zijn trekken. Tenzij hij als kind te veel tekort is gekomen. Nooit ingebakerd. Dan is een arm of zijden slipje niet genoeg. Dan wil hij bondage. Beter laat dan nooit.” 

Bewoond oor 

We lezen over de heiligdommen van de thigmofiel, zoals de douchecel, het alkoof, de ouderwetse telefooncel, maar ook over issues zoals claustrofobie, de intimiteit van het lippenstiften, en de eigenaardigheden van palolowormen. Pittige anekdotes ontbreken niet, bijvoorbeeld dit verhaal over een vrouw die zich met hevige oorpijn meldde op de spoeddienst van een ziekenhuis in New Orleans: “Dokter Kevin O’Toole keek niet eens verbaasd op toen hij in de gehoorgang een volwassen kakkerlak aantrof. Dat gebeurde wel vaker: New Orleans telt heel wat arme buurten. Bijzonder werd het pas toen ook het andere oor bewoond bleek. ” Jawel, ook daar bleek een kakkerlak te huizen. 
Dekkers hanteert een lekker spontane, associatieve stijl. Soms weidt hij overdreven uit en bepaalde associaties lijken vergezocht, maar dat ondermijnt het leesplezier niet. Zonder dat je er erg in hebt leer je voortdurend bij. Zo kom je in de kakkerlakkenepisode ook te weten dat de beesten al 280 miljoen jaar bestaan. 

“De dinosauriërs hebben ze zien komen en gaan; continenten verschoven, gebergten rezen en daalden weer als de roklengte van vrouwen, maar de kakkerlakken bleven op hun post. In hun spleet. Achter boomschors. Onder dood blad. Tussen de archaeopteryxjes in hun nest. In de pijpen van de broek die u morgenochtend aan zult trekken.” 

Dat De thigmofiel verschijnt net nu de dagen korten en de temperatuur daalt, is vast geen toeval. Het is een perfect boekje om te lezen onder de wol, of met een deken om bij de haard. Liefst zonder kakkerlakken in de buurt.

De Thigmofiel, Middas Dekkers. Uitgeverij Atlas-Contact, 128 p. Deze recensie verscheen op 13 oktober in De Morgen.

woensdag 23 september 2015

Veilingmeester met een missie

De Mexicaanse Valeria Luiselli bevestigt haar reputatie als topschrijfster met een doordachte, verrukkelijk absurde roman over hoe verhalen de perceptie en waarde van kunst kunnen beïnvloeden. 

@Annick Vandorpe
Je kan Valeria Luiselli (°1983) gerust een literair wonderkind noemen, al zou zij die stempel in al haar nuchterheid en bescheidenheid vast met een glimlach afwimpelen. In vijf jaar tijd heeft de Mexicaanse zich laten gelden als een van de meest opvallende en innoverende stemmen in de hedendaagse Latijns-Amerikaanse letteren. 
Ze wervelde de literatuur in met Valse papieren, een bundel waarin ze de grenzen tussen essayistiek en fictie aftast, en oogstte een jaar later opnieuw wereldwijd lof met De gewichtlozen, een subtiel gelaagde roman over een schrijfster die zich in het leven van een obscure dichter verdiept en zo in haar fictie opgaat dat die de realiteit gaat sturen.

Kunstgalerie
Aan De geschiedenis van mijn tanden gaat een apart verhaal vooraf. In 2013 werd Luiselli uitgenodigd een fictiewerk te bedenken voor de catalogus van een expositie die tentoongesteld zou worden in Galeria Jumex, aan de rand van Mexico-Stad. Die kunstgalerie is in handen van de vruchtensapfabriek Grupo Jumex, die een van de belangrijkste collecties van hedendaagse kunst ter wereld bezit. 
Het project werd een uitdaging: kon de schrijfster met literatuur de kloof tussen de wereld van de fabriek en die van de galerij, de kunstenaars en de verzamelaars dichten? Ze besloot de roman op te vatten als een feuilleton voor de arbeiders en stuurde elke week een aflevering door die in de fabriek werd gelezen en besproken. De commentaren werden opgenomen en naar Luiselli in New York gestuurd, die er rekening mee hield bij het verder schrijven.
De roman begint als volgt: ‘Ik ben de beste veilingmeester ter wereld. Maar niemand weet dat omdat ik nogal bescheiden ben. Ik heet Gustavo Sánchez Sánchez maar ik word, ik neem aan liefkozend, ook wel Snelweg genoemd. Ik kan na twee glazen rum Janis Joplin nadoen. Ik kan gelukskoekjes interpreteren. Ik kan een kippenei rechtop op een tafel laten staan, zoals Christoffel Columbus dat ooit deed. Ik kan in het Japans tot acht tellen: ichi, ni, san, shi, go, roku, shishi, hachi. Ik kan op mijn rug op het water drijven. Dit is de geschiedenis van mijn tanden.’
De geschiedenis van mijn tanden mag dan een stuk lichtvoetiger zijn dan Valse papieren en De gewichtlozen, maar Luiselli zou Luiselli niet zijn als de aanpak ook niet uitgesproken literair was geweest. Ze doorweeft de tekst met referenties naar andere schrijvers, deelt de roman op in zeven ‘boeken’ die elk staan voor een bepaalde vertelmethode – van klassiek tot hyperbolisch  – en brengt de lezer ver over de helft van de roman tot een nieuw inzicht, wanneer het personage P. Menard zijn opwachting maakt. Deze P. Menard wordt overigens ook als vertaler vermeld. Waar eindigt de fictie? Het is een centrale vraag in Luiselli’s oeuvre.

Verhalen

Snelweg begint zijn tandengeschiedenis met het verhaal van zijn carrière. Verzamelen deed hij als kind al; zijn eerste collectie bestond uit de morsige nagelreepjes die zijn vader ‘s avonds door de woonkamer keilde. Veilingmeester worden moest hem rijk genoeg maken om zijn tanden ‘grof als sleutelbaarden, elk een andere richting op wijzend’ te laten vervangen. 
Zijn talent als verhalenverteller wordt de sleutel van zijn succes. Hij slaagt erin alles te verkopen, zelfs een collectie afschuwelijke tanden, die hij aan de man brengt door ze toe te schrijven aan grote filosofen en er een onwaarschijnlijke historie aan op te hangen – een hilarische passage. 
Mettertijd ontwikkelt Snelweg een hoogstpersoonlijke, allegorische methode, waarbij de verhalen meer gewicht krijgen dan de objecten die hij te koop aanbiedt. Op een veiling in Miami koopt hij het gebit van Marilyn Monroe, dat hij in zijn eigen mond laat plaatsen. “Vanaf het moment dat ik uit de operatie kwam en nog vele maanden later kon ik niet ophouden met glimlachen. Iedereen kreeg mijn nieuwe glimlach in zijn volle breedte te zien en, wanneer ik langs een spiegel of een etalage liep die mijn beeltenis toonde, tilde ik mijn hoed hoffelijk op en glimlachte mezelf toe. (…). Mijn geluk was ongeëvenaard, mijn leven was een gedicht, en ik wist zeker dat ik op een dag het mooie relaas van mijn tandenautobiografie zou kunnen optekenen.”
Of het gebit van de diva Snelweg ook succes zal brengen, is nog maar de vraag. De geschiedenis van mijn tanden mondt uit in een kras, origineel verhaal vol absurde humor. Achter de lichtvoetigheid gaan interessante vragen schuil. Hoe verkrijgen kunstobjecten hun waarde? Hoe beïnvloeden verhalen de perceptie en waarde van kunst?  Wat voor invloed heeft het op de betekenis van een voorwerp als je het uit zijn normale context haalt?
Zoals bij elke Luiselli is dit literatuur waar je op kan nakauwen. Bij de boekvoorstelling in Mexico-Stad zijn twee fabrieksarbeiders komen opdagen, vermeldt de schrijfster in het nawoord. Missie meer dan geslaagd.

De geschiedenis van mijn tanden, Valeria Luiselli. Vertaling: P. Menard.

Uitgeverij Karaat, 208 p.,  19,95 euro. 4 sterren.





donderdag 17 september 2015

Geen hoogvlieger

Arthur Japin schreef een historische roman over de Braziliaanse luchtvaartpionier Alberto Santos-Dumont. Hoe fabelachtig die geschiedenis ook is, toch komt het boek niet echt van de grond.

Soms overtreft de werkelijkheid de fictie. Je kan dit perfect zeggen over het levensverhaal van Alberto Santos-Dumont (1873-1932), de Braziliaan die de annalen is ingegaan als 'de eerste mens die door de wolken kon navigeren'. Arthur Japin (°1956) plaatst de geschiedenis van dit personage centraal in zijn nieuwe roman, De gevleugelde.
Met zijn broers groeit Alberto Santos-Dumont op in het hart van het oerwoud, in een villa die niet zou misstaan aan de Côte d’Azur. Terwijl zijn vader de jungle te lijf gaat en een winstgevende koffieonderneming opricht, laat zijn moeder het oude Portugal in de chique salons van het huis herleven. Het motto van vader en moeder Santos-Dumont luidt: ‘Neem de wereld niet zoals hij is, maar bewerk hem tot wat hij zou moeten zijn.’ 
Mits vernuft en wilskracht, zo leert de jongen, valt de wereld volledig te herscheppen. De romans van Jules Verne, die in luxueuze uitvoeringen vanuit Europa overkomen, wakkeren zijn verbeelding en creativiteit aan. Hij is nog maar een kind als hij zijn moeder en voedster reeds verrast met een zelfontworpen luchtballon. 
Arthur Japin lardeert het verhaal met historische feiten en laat zien hoe Alberto zich ontpopt tot een succesvol luchtvaarder en een van de meest aanzienlijke figuren van het Parijs van de Belle Epoque. Vliegen is voor Alberto niet alleen een technische uitdaging, maar het is ook letterlijk een vlucht. Door zijn (te) sterk ontwikkeld empathisch vermogen ervaart hij het leven tussen de mensen als beklemmend. In de lucht voelt hij zich beter in zijn element. Japin schrijft: ‘Zo heeft hij altijd het meeste van mensen gehouden. Hun zindering te voelen zonder hun zwaarte. Te weten dat die er is, al die energie die ze vragen en opwekken, maar ver genoeg bij hem vandaan om er geen schok van op te lopen.’ 
Het 'grote' hart van Alberto is een terugkerend element in de roman. Alberto werd steeds gefotografeerd met de mooiste vrouwen van Parijs, maar hij is steeds vrijgezel gebleven. Had hij zijn hart verloren aan zijn mecanicien Albert Chapin? Japin lijkt het te suggereren.
Gemiste kans

Hoewel dit levensverhaal romanesk potentieel op overschot biedt, overtuigt De gevleugelde niet. Dat ligt in de eerste plaats aan de manier waarop Japin vertelt. Je leest over Alberto, maar als personage wordt hij niet invoelbaar. Japin hanteert een alwetende verteller die te veel afstand behoudt en geregeld bespiegelingen op de lezer loslaat die het verhaal stremmen en belerend overkomen. 
Het einde lijkt prematuur; over de laatste dertig jaar van Alberto komen we nauwelijks iets te weten. De gevleugelde biedt hooguit een interessante geschiedenis, maar een hoogvlieger is het niet.

De gevleugelde, Arthur Japin. De Arbeiderspers, 320 p. Deze recensie verscheen op 16 september in De Morgen.


donderdag 3 september 2015

Een huwelijk van vonken en tranen

Connie Palmen schrijft heftig boek over de noodlottige liefdeshistorie van Sylvia Plath en Ted Hughes

Toen Sylvia Plath in 1963 uit het leven stapte, werd haar man Ted Hughes als zondebok aangewezen. Zij was een martelares, hij de moordenaar van een genie. Connie Palmen geeft Hughes een stem en werpt een nieuw licht op het meest besproken huwelijk uit de moderne westerse literatuur.

Sylvia Plath (1932-1963) en Ted Hughes (1930-1998) waren zeven jaar samen, maar wie Jij zegt het van Connie Palmen leest zou denken dat ze elkaar veel langer hebben gekend. De Amerikaanse en de Brit hadden een onwaarschijnlijk heftige relatie. Na de zelfmoord van Plath op 11 februari 1963 (de dichteres vergaste zich in haar Londense keuken, terwijl haar jonge kinderen boven in bed lagen) werd Hughes met de vinger gewezen. Hij had haar in de steek gelaten voor een ander. Zijn naam werd herhaaldelijk uit Plaths grafsteen weggehakt.
Over zijn huwelijk met Plath heeft Hughes weinig prijsgegeven. Tot in 1998, toen hij, enkele maanden voor hij stierf, de beeldschone autobiografische bundel Birthday Letters de wereld instuurde. 
In haar nieuwe roman schetst Palmen het huwelijk vanuit zijn perspectief. De gedichten over Plath vormden haar belangrijkste leidraad, vertelt ze in het nawoord.

Demonen
In de huid te kruipen van een dichter die een van de beste stemmen van zijn generatie wordt genoemd, moet je durven. Palmen, de grande dame van de Nederlandse letteren wekt de dichter met glans tot leven en maakt ons in een precieze, rijkgeschakeerde taal deelgenoot van zijn gedachten, schrikbeelden en bezweringen. 
Op het ogenblik dat Hughes aan zijn verhaal begint, loert de dood reeds om de hoek. Hij blikt terug op zijn ontmoeting met Plath in Cambridge en ziet voortekenen van een tragische liefdesrelatie. «Van een vrouw die je bijt in plaats van kust, had ik moeten weten dat iemand liefhebben voor haar gelijkstond aan iemand bevechten. (…) Wie zo een liefde begint, weet dat er in het hart van die liefde geweld en vernietiging schuilgaat. Tot de dood erop volgt. Van meet af aan was het gedaan met een van ons. »
Het is 1956, Plath is drieëntwintig en heeft al enkele roemvolle jaren achter de rug. Hughes weet niets over haar complexe karakter, noch over de zelfmoordpoging die ze ondernam op haar twintigste. De vrolijkheid en exuberantie van de ‘zonneschijnblonde’ Amerikaanse verblinden hem. Vier maanden na hun kennismaking trouwen ze.
Rimpelloze huwelijkswateren zullen Plath en Hughes nooit bevaren. Van bij het begin is hun liefde allesverzengend. Hughes moet de demonen die Plath kwellen onder ogen zien als hij in 1957 met haar naar de Verenigde Staten verhuist, waar hij wordt geconfronteerd met haar jaloezie en wantrouwen, het gemis van haar vader (die stierf toen ze acht was), de morbide band met haar moeder, haar gemoedswisselingen, waanbeelden en angsten. Als Plath in een depressie verzeilt, zoekt hij radeloos naar verklaringen, ook in hun symbiotische relatie. ‘Waren we te innig verklonken, waardoor zelfs onze stemmingen op elkaar gingen lijken en wij elkaar omlaag trokken, de onderwereld in?’
Een verhaal dat je niet opzij kunt leggen voor de laatste bladzijde gelezen is
Palmen biedt een aparte, boeiende inkijk in de liefdeshistorie van twee van de grootste dichters van de 20ste eeuw, maar je kan de roman evengoed lezen als een universeel verhaal - als de hartstochtelijke, noodlottige geschiedenis van een huwelijk tussen twee geestverwanten. De schrijfster wekt veel mededogen op voor Hughes, wiens leven beheerst zal worden door de dood van zijn ‘bruid’. Ze neemt je mee van top naar dal, van vonken naar tranen, zonder ooit in de valkuil van het sentiment weg te glijden.

Intieme vriend

Familie, vrienden en kennissen vinden algauw dat Hughes zich door Plath laat manipuleren, dat hij zich te beschermend opstelt en de grillen van zijn vrouw maar steeds goedpraat. Hij verdedigt haar en blijft loyaal. 
Ondanks alle moeilijkheden zal ze een grote steun voor hem blijven. Zij is het die onvermoeibaar zijn gedichten uittikt en opstuurt naar uitgeverijen, en wanneer hij met zijn debuutbundel lovende recensies oogst, kan haar vreugde niet op. Wanhopig moet ze aanzien hoe haar carrière stagneert. Ze zoekt vervulling in het moederschap - tevergeefs. 
Hughes voelt zich langzamerhand verstikken in het huwelijk en laat de vos die hem al jaren beloert toe in zijn leven. Pas als hij verliefd wordt op een ander en vreemdgaat, slaagt Plath het genie dat in haar schuilt te bevrijden. De faam zal pas volgen na haar dood.
Jij zegt het is een verhaal dat je niet opzij kan leggen voor de laatste bladzijde gelezen is. Het vat je bij de strot en laat je niet los - alsof je de hele nacht naar een bekentenis van een intieme vriend hebt geluisterd en wankelend terugkeert naar je eigen (bleke) realiteit, dronken, niet van de alcohol, maar van de heftige emotionele reis die je hebt gemaakt.

Jij zegt het, Connie Palmen. Prometheus, 240 p. Deze recensie verscheen op 2 september in De Morgen.


vrijdag 28 augustus 2015

Kom uit je luie stoel!

Lichaamsbeweging als therapie tegen mentale starheid

Sport en fitness kunnen ons meer van ons mens-zijn doen genieten, stelt de Australische filosoof Damon Young. ‘Het is een training in heel worden.’ 

Ik weet niet of het bij u ook zo is, maar in mijn omgeving is sport voor velen – mezelf inbegrepen – bijna een religie. De een kan niet zonder hardlopen, de ander fietst, sommigen trekken baantjes in het zwembad, en nog anderen leggen zich toe op triatlons. Waarom trainen we zo hardnekkig? 
Een fitter lichaam en een betere gezondheid spelen mee, maar belangrijker zijn de geestelijke effecten. Sporten laat ons toe even stil te staan in de ratrace; het opent ruimte voor reflectie. En het heeft ook weldadige effecten op de lange baan – zelfs een heleboel meer dan we op het eerste gezicht zouden denken. 
In Filosoferen over beweging en sport licht Damon Young (1975) de talloze deugden van intelligente sportbeoefening toe. De Australische filosoof – Honorary Fellow aan de Universiteit van Melbourne – leidt zijn verhaal in met een portret van Chad, de fitnessinstructeur uit de film Burn after Reading van de gebroeders Coen, aantrekkelijk belichaamd door Brad Pitt. “We herkennen hem onmiddellijk”, schrijft hij, “gespierd, knap, energiek en altijd positief – en zo dom als een vat ruwe olie.” 
Chad is een karikatuur van de domme atleet, stelt Young, en komt voort uit een dualisme dat verankerd zit in onze populaire cultuur, waarin geest en lichaam als twee verschillende substanties worden gezien en de een de ander uitsluit. Hij refereert naar Descartes, die alleen op zijn geest vertrouwde, wat leidde tot de bekende uitspraak: ‘Je pense, donc je suis’. Compleet verkeerd, zegt Young, we zijn evengoed lichaam als geest en het gaat erom de twee te laten samenspannen. 
Had Darwin het zonder zijn dagelijkse wandeling aangedurfd het gangbare wereldbeeld ter discussie te stellen? 
Heuvelrennen
Young inspireert zich op de oude Grieken, die al wisten dat sport tot deugden en genot leidde. “Intelligente sportbeoefening is zich richten op heelheid: het versterken en genieten van ons volledige mens-zijn, zo lang we dat kunnen.” 
Young, die zelf een verwoed sporter is, gaat in op de zelfopoffering die sport vraagt en de voldoening die daaruit voortvloeit, op de nederigheid die risicosporten zoals rotsklimmen vereisen en die leidt tot “een eerlijkere, voorzichtigere interactie met de wereld”, hij heeft het over de perceptie van pijn en hoe die verandert als pijn een berekend risico wordt, en over hoe regelmatige training bijdraagt tot een consistenter en betekenisvoller leven. 
Filosoferen over beweging en sport leest aangenaam. Young kan uitstekend vertellen en stopt veel afwisseling in zijn betoog. Hij staaft zijn relaas met persoonlijke anekdotes over zijn nederlagen als tiener op het tennisterrein, over de bokspartijen die hij nog steeds in de achtertuin houdt of over het heuvelrennen waar hij aan verslingerd is. 
Zijn verhaal is doorspekt met citaten van filosofen en schrijvers. De meest prominente in deze laatste categorie is Haruki Murakami, die zijn metamorfose van verstokte roker tot marathonloper beschrijft in Waarover ik praat als ik over hardlopen praat. Waarom zou Murakami zijn hardlopen voor geen goud willen opgeven? Omdat het zijn uithoudingsvermogen als schrijver sterkt én omdat hij geniet van de ‘psychologische leegte’ die kalmte en creativiteit stimuleert. 
Die psychologische leegte heeft alles te maken met ‘transient hypofrontality’, legt Young uit. “Neurowetenschappers
stellen dat lichaamsbeweging bevorderlijk kan zijn voor innovatie en het bedenken van oplossingen voor problemen. 
(…) De prefrontale cortex, die een rol speelt bij
 het vormen van algemene concepten en regels, wordt minder actief, terwijl de motorische en zintuiglijke delen van de hersenen juist actiever worden.” 
Beweging, stelt Young, slijpt de geest en helpt deugden te ontwikkelen die gedurende ons hele leven nuttig zijn 
Bewegende meditatie
We hoeven geen marathons te lopen om die geestestoestand te bereiken. Een dagelijks wandelingetje kan al wonderen doen, illustreert Young met het voorbeeld van de bioloog Charles Darwin. Hoe druk Darwin het ook had met zijn onderzoek, elke dag ging hij ongeacht de weersomstandigheden wandelen, altijd over hetzelfde pad, de Sandwalk. “Darwins wandelingen waren vooral een oefening in reflectie – een soort bewegende meditatie die zijn wetenschappelijke werk verrijkte en zijn constante nieuwsgierigheid bevredigde. Wandelen, schreef zijn nuchtere zoon, was voor Darwin ‘hard nadenken’.” 
Het was een therapie tegen mentale starheid en een onderdeel van zijn intellectuele routine. Had hij het zonder z’n dagelijkse wandeling over de Sandwalk aangedurfd het gangbare wereldbeeld aan de kaak te stellen en in zijn evolutietheorie te geloven? 
Of het nu gaat om wandelen, zwemmen of yoga, betoogt Young, intelligent sporten heeft alleen weldadige effecten: het is een training in heel worden. Het slijpt de geest en helpt deugden te ontwikkelen die gedurende ons hele leven nuttig zijn. Young citeert de schrijver David Lebedoff die het eenvoudigweg zo stelt: ‘Het feit dat je karakter moet tonen om uit je stoel te komen, is misschien wel de grootste winst die je uit trainen kunt halen.’ 

Filosoferen over beweging en sport, Damon Young. Vertaling: Joost Zwart. Uitgeverij Ten Have, 224 p. Deze recensie verscheen op 26 augustus in De Morgen.


maandag 8 juni 2015

Platte gezichten en schildpadnekken

Reisverslag. In 1936 vertrok de Catalaanse schrijver Josep Maria de Sagarra met de boot naar Tahiti. Het logboek van zijn reis is subliem, maar haalt wel een paar mythen over het ‘aards paradijs’ door de mangel. 

Ronkende frasen, een weelde aan adjectieven en metaforen, uitgesponnen natuurbeschrijvingen… in deze tijden van kaal proza en staccato, actiegerichte zinnetjes doet het werk van de Catalaan Josep Maria de Sagarra (1894-1961) als een verademing aan. Na de romans Privéleven en Knoflook en Pekel ligt nu De blauwe weg bij ons in de rekken, het logboek dat de schrijver bijhield op een reis naar de Stille Zuidzee in 1936-1937.
In een sublieme, zintuiglijke stijl beschrijft de Sagarra zijn indrukken en ervaringen vanaf het inschepen in Marseille tot de terugkeer zeven maanden later. De Catalaan betoont zich een nauwkeurige en kritische observator met veel zin voor humor. Gedurende de wekenlange reis op zee leggen zijn medepassagiers hun schijnbare normaliteit al snel af. De meesten blijken morele, spirituele of amoureuze motieven te hebben om naar Polynesië te gaan, en hun kruidige verhalen  worden ons niet onthouden.
Op Tahiti gaat de schrijver met zijn vrouw aan wal. Hij zal vier maanden blijven en met de schoener verscheidene eilanden aandoen. Het natuurschoon, de idyllische ontvangst en de zorgeloze, vriendelijke sfeer overrompelen hem. Op zijn eerste avond schrijft hij: “De haven ademt nu geluidloos. Achter het eiland Moorea gaat de zon onder, en de lagon van Papeete is een grote glanzende plaat; het water ziet eruit als betoverde stroop, licht cerise getint. Zijn we in een waar paradijs beland?”

Schoonheid en verrotting
De vraag blijkt niet eenvoudig te beantwoorden. Tahiti en de naburige eilanden zijn een decor van contrasten. Opperste schoonheid en verrotting, authenticiteit en gekunsteldheid leven er zij aan zij. Het contact met de blanke heeft het landschap, de moraal en de cultuur aangetast. De Tahitiaan is, zo stelt de Sagarra, “geprostitueerd door de beschaving” en bereid zijn ziel te verkopen in ruil voor een paar dollarbiljetten.
Tahiti een lusthof bevolkt door sensuele vrouwen? Vergeet het 
De schrijver neemt de diverse aspecten van het eilandleven onder de loep, van de handel (die gemonopoliseerd blijkt door arglistige Chinezen) tot de fruitsoorten, de vissen, de vogels en de Tahitiaanse vrouwen. Over de meisjes in Papeete schrijft hij: “De platte gezichten en de grove lippen onder een strohoed van pandanusblad en boven een nogal vormeloos lijf op stevige en vlezige benen, gehuld in een lange soepjurk en op blote voeten waarvan de tenen alle kanten op wijzen, zijn geen bekoorlijke aanblik voor een gezonde man.” Eens meisjes de twintig voorbij zijn, verwelken ze. Elefantiasis tiert welig, waardoor vele bewoners monsterlijk ogen. Tahiti als lusthof bevolkt door sensuele deernes? Een mythe.
Over de oude vrouwen is de Sagarra lyrischer. Deze categorie herbergt zowel “dames met woeste kaken en schildpadnekken” als rijpe Tahitiaansen bij wie “het dijbeen en het staartbeen zo elegant en mysterieus in de gewrichten zwieren, dat je zin krijgt om voor hen te knielen als ze voorbijgaan.”
De eilanden wekken uiteenlopende gevoelens op bij de schrijver. “Ik denk dat Bora Bora op den duur een lome waanzin zonder agitatie verwekt, zonder hoop. Een soort elefantiasis van de ziel.” Tegelijkertijd beseft de Sagarra dat hij op veel momenten van zijn leven hevig zal verlangen naar de lagune van Bora Bora.

Landverraad
De Catalaan maakte de plezierreis naar de Stille Zuidzee terwijl de Spaanse burgeroorlog volop woedde. Dat hij zijn vaderland in die benarde tijd de rug toekeerde, werd hem niet in dank afgenomen, maar veel opties had hij niet. In Spanje blijven kon zijn dood betekenen, legt vertaler Frans Oosterholt in het nawoord van De blauwe weg uit.
Voor de lezer is het reisdagboek een fenomenaal cadeau. Verbluft voor de zinsverbijsterende schoonheid rond hem, maar toch ook steeds lucide, wist de Sagarra de blauwe droom die de Stille Zuidzee opwekt en die het lichaam - "als een intraveneuze injectie” - inneemt voor de eeuwigheid te vangen.

De blauwe weg, J.M. de Sagarra. Vertaling: Frans Oosterholt. Menken Kasander & Wigman Uitgevers, 304 p. Deze recensie verscheen op 3 juni in De Morgen.


Wat gebeurde er met zusje?

Karen Joy Fowler schrijft een aangrijpende roman over de liefde en rivaliteit tussen zussen en vergast haar lezers op een verrassing van formaat.

De verteller van Totaal door het dolle heen is Rosemary Cooke, een kleuterjuf van bijna veertig. Ze blikt terug op de idyllische kinderjaren die ze met haar zusje Fern en broer Lowell in Indiana heeft doorgebracht en doet uit de doeken hoe de verdwijning van Fern het gezin ontwrichtte. 
De kinderen groeiden op op een boerderij, omgeven door velden en bossen waar ze naar hartenlust konden ravotten. Op het domein woonde ook een groep jongeren, promovendi van vader Cooke, een hoogleraar in de gedragspsychologie. Rosemary en Fern waren erg verschillend, maar deden alles samen. Terwijl Fern nooit een woord zei, stond Rosemary bekend voor haar babbelzucht. Als ze weer eens een verhaal afstak, zei haar vader: Laat het begin maar weg en begin in het midden.
Die raad neemt Rosemary ter harte als ze begint te vertellen. Ze opent het verhaal in 1996, als ze tweeëntwintig is en studeert in California. Haar broer Lowell heeft ze al tien jaar niet meer gezien en haar zusje Fern is zeventien jaar geleden verdwenen. Rosemary herinnert zich dat ze op haar vijfde naar haar oma en opa werd gestuurd. “Die paar weken bij mijn grootouders in Indianapolis vormen nog steeds de scherpste scheidslijn in mijn leven (…). Voor die tijd had ik een zusje. Daarna niet meer.”
Vaak plaatsen we gebeurtenissen uit het verleden in een kader dat er toen niet per se was
Toen haar vader haar kwam ophalen, reden ze naar een nieuw huis. Fern was weg, moeder had een zenuwinzinking en Lowell was woedend. Rosemary, die nooit school had gelopen, moest naar de kleuterklas waar ze voor ‘aapmeisje’ werd uitgemaakt. Ze stopte met praten. Over wat met Fern was gebeurd werd niet gesproken.
Wanneer Lowell op een winternacht in 1996 plots opduikt in Rosemary’s studentenflat, praten broer en zus voor het eerst over het verleden. Het gesprek brengt herinneringen naar boven die Rosemary verdrongen heeft. De traumatische verdwijning van Fern komt in een kompleet ander daglicht te staan.

Bedrieglijk geheugen
Karen Joy Fowler (º1950) brak in 2004 internationaal door met The Jane Austen Book Club. Totaal door het dolle heen is haar zevende roman. Het boek is erg geraffineerd opgebouwd. Samen met Rosemary laat Fowler je voortdurend tussen heden en verleden navigeren en geleidelijk aan licht ze de sluier op over de geheimen die de Cookes verborgen houden. 
Vele thema’s komen aan bod, van de levensbepalende keuzes in een familie en de liefde en rivaliteit tussen twee zussen tot de bedrieglijke werking van het geheugen. Onze leeftijd en leefomstandigheden, zo laat Fowler zien, conditioneren onze herinneringen, waardoor we gebeurtenissen uit het verleden vaak plaatsen in een kader dat er toen niet per se was. 
Wie nu nieuwsgierig is geworden, blijft beter weg van google. Fowler heeft een geweldige verrassing in de roman verstopt en die moet je echt zelf ontdekken.




Totaal door het dolle heen, Karen Joy Fowler. Vertaling: Wim Scherpenisse. Nieuw Amsterdam, 320 p, 21,95 euro. Deze recensie verscheen op 3 juni in De Morgen.


donderdag 28 mei 2015

In het spoor van 'Ulysses'

Eimear McBride schreef haar debuut toen ze zevenentwintig was. Het duurde tot haar zesendertigste voor ze een uitgever vond. Sindsdien regent het lof en prijzen. Een meisje is maar half af troebleert, ontreddert en overrompelt.

Een meisje is maar half af van Eimear McBride (˚1976) leest moeizaam en de stijl kan je niet bepaald mooi noemen, maar dat neemt niet weg dat de jonge Ierse een zegetocht maakt in de letterenwereld. In 2014 kreeg haar debuut de felbegeerde Baileys Women’s Prize for Fiction waar gevestigde auteurs zoals Donna Tartt en Jhumpa Lahiri toen ook naar meedongen. Anne Enright van The Guardian noemde McBride ‘een genie’.

McBride kruipt in het hoofd van haar verteller, en dat moet letterlijk worden opgevat. De jonge Ierse liet zich inspireren door haar illustere landgenoot James Joyce en zijn stream-of-consciousness verhaaltechniek, waarbij de lezer de gedachtestroom van de verteller volgt. ‘Zodra ik Ulysses begon te lezen, wist ik: dit is het’, zegt ze in een interview met The Guardian. ‘Alles wat ik tot nu toe heb geschreven, is goed voor de prullenmand.’
Ze schreef zes maanden aan haar debuut, maar het duurde negen jaar voor een uitgever met haar in zee durfde te gaan. Te experimenteel, luidde het oordeel. Volzinnen tref je in deze roman zelden aan. McBride schrijft in losse woorden of flarden van zinnen en lapt de regels van de interpunctie aan haar laars. Je leest rechtstreeks de gedachten van het hoofdpersonage – gedachten die opwellen, nog niet in taal zijn vervat, die half af zijn. Neem nu de eerste paragraaf: “Voor jou. Je krijgt binnenkort. Jij mag een naam bedenken. Wat jij nu zegt draagt ze haar hele leven met zich mee. Mama ik? Ja jij. Laat je op bed vallen zeg ik. Heb je gedaan. En blijven liggen. Ze snijden in je. Wacht en uur en dag.”
Het vraagt een portie geduld voor duidelijk wordt dat de ik-verteller –  dan een klein meisje – een innerlijke monoloog voert met haar geliefde broer die twee jaar ouder is en geopereerd wordt van een hersentumor. Hij loopt een hersenbeschadiging op en zal op school voor ‘achterlijke spastie’ worden uitgemaakt. Vader laat het gezin in de steek en moeder neemt haar toevlucht tot extreem katholicisme. Om de ellende compleet te maken, wordt de verteller op haar dertiende (vrijwillig) misbruikt door een oom, waarna ranzige seks met wildvreemden een noodzaak wordt. Als haar broer 
weer kanker krijgt en terminaal ziek blijkt, gaat ze een steeds perversere toer op.

Tranen
Een meisje is maar half af is een uiterst beklemmend boek, door de trieste thematiek maar nog meer door de manier waarop McBride vertelt. Eens je aan de stem gewoon bent, word je de protagonist en naarmate het verhaal vordert, voel je de toekomstperspectieven verdwijnen. “Ochtend is het ergste. Dat is altijd zo. Versuft opduiken uit de slaap. En weer weten dat de wereld gebeurt.” Hartverscheurend is het tafereel waarin de broer verneemt dat hij zal sterven en “de dood door de kamer valt” en “alle woorden uit de lucht zuigt”. Ingewanden in de knoop, een plots tekort aan lucht, traankanalen die in werking schieten... je moet ertegen bestand zijn. McBride lezen is een fysieke ervaring.


Een meisje is maar half af, Eimear McBride. Vertaling: Gerda Baardman. Hollands Diep, 256 p., 19,99 euro. Deze recensie verscheen op 27 mei in De Morgen.