Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

donderdag 17 december 2009

Als op een winternacht



Het zou niet mogen, ik weet het. Ik heb al afscheid genomen, en kan ik het jaar beter afsluiten dan met dit?
Maar ik moet nog even. Een afkickertje.

Terwijl ik in Amsterdam was, is de winter over Zuid-Frankrijk neergedaald. 's Morgens is het min drie graden. Bij de ingang van het dorp hangt de flonkerende leuze "Bonnes fêtes", en op de Place du Clos staat een kerstboom van vijf meter hoog. Voor de dorpsbars sleuren les filles, gekleed in gevoerde goretexjassen, gretiger dan ooit aan hun sigaret.
Dit is de tijd van het jaar waarop ik aan mijn eerste liefde terugdenk. Dat gebeurt vooral 's nachts, als ik het kleinste kamertje aandoe.

Ik was vijftien. Het gebeurde op een broeierige zomernacht in de Pyreneeën. Hij hield me tot het ochtendgloren gezelschap. Ik was kompleet ondersteboven.
Hij bleek veel meer dan een vakantieliefde. Onder zijn invloed liet ik de talen varen en nam ik 24 uur wiskunde per week. Voor hem ging ik zes maanden in Portugal studeren. Voor hem woonde ik een half jaar in een achterbuurt van Nice, in een kamer boven een café, waar ik vanuit bed de caféruzies kon volgen, af en toe escaleerde dat, dan kwamen de vechtende stamgasten de trap op en vielen ze tegen mijn deur aan; dat nam ik er voor hem bij.

's Nachts, in het kleinste kamertje, knip ik het licht niet aan. Nochtans. Ik zou de stilte kunnen benutten om een bladzijde te lezen. In Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino bijvoorbeeld. Dit boek ben ik in juni begonnen tijdens een treinrit. Om het plezier te verlengen heb ik niet verdergelezen toen ik de trein uit was.
Want lezen in Als op een winternacht een reiziger is een aparte ervaring. Het hoofdpersonage van de roman is namelijk de lezer zelf. "Jij" bent het die begint te lezen en merkt dat het volgende hoofdstuk niets te maken heeft met het vorige, "jij" keert terug naar de boekhandel waar "jij" een lezeres ontmoet met hetzelfde probleem en "jullie" gaan samen op zoek naar de goede versie van de roman. Tien keer denken "jullie" dat de onvervalste uitgave gevonden is, maar telkens wordt het verhaal op een cruciaal punt afgebroken. Als op een winternacht een reiziger is een boek waarin de lezer zichzelf verliest.

Het is de voorlaatste roman van Italo Calvino. Het boek verscheen in 1979, zes jaar voor Calvino stierf. Hij woonde toen in Parijs en maakte deel uit van OuLiPo, Ouvroir de Littérature Potentielle of "Werkplaats voor mogelijke literatuur", een groep schrijvers die experimentele literatuur bedreef.
Het is 304 bladzijden lang. Aan een ritme van één bladzijde per nacht zou ik het leesplezier tien maanden kunnen rekken.
Als op een winternacht een bezoek aan het kleinste kamertje zich opdringt, denk ik niet aan Calvino. Ik kijk door het raam naar mijn eerste liefde. Zelfs nu, twintig jaar na datum, is zijn glans van weleer nog intact. Hij slingert boven het dak van monsieur Gilbert uit. Ik zie alleen zijn staart: Alkaid, Mizar, Aioth. De rest kan ik raden: Megrez, Phecda, Merak, Dubhe. Deze sterren vormen de pan van de Grote Beer.


Van boeken en mensen wenst u nogmaals fijne feesten toe en is er in januari terug met nieuwe verhalen.

dinsdag 15 december 2009

Eeuwig



De Bezige Bij wordt vijfenzestig.
Mijn vriendin E. is genodigd op het grote feest; ik mag mee. We willen voorbereid zijn. Als we bij de grote namen der letteren worden gedropt, willen we namelijk zulke situaties vermijden.

15u.
We flaneren door het Vondelpark. Wat zeggen we als we plots oog in oog staan met Harry Mulisch?
'Ik weet het écht niet,' zucht mijn vriendin E.
Er hangt een feestelijke sfeer in het park. De hemel is van hetzelfde blauw als bij ons in het zuiden.
'Pieker er maar niet over,' zeg ik. 'Dat zien we dan wel. Er komt wel iets.'
Over Het stenen bruidsbed, het boek dat ik van plan was te lezen voor het feest, zou ik het alvast niét moeten hebben. De bibliotheek van mijn vriendin E. heeft me op andere leesideeën gebracht. Ik ben begonnen in een bundel van Dave Eggers en in Caesarion van Tommy Wieringa. Misschien heeft Harry Mulisch dit ook wel gelezen.

18u.
Voor het pand van De Bezige Bij vinden we nog parkeerplaats. De voordeur staat open. Licht en muziek stromen de straat op.
Door het raam zien we vrouwen in mooie jurken, mannen in pak. Véél mensen.
Mijn vriendin E. en haar vriend F. staan glimlachend op het trottoir te wachten. Ik stap uit de auto.
'Ik weet het niet meer zo,' zeg ik.
'Wat dan?' vraagt E.
'Van Mulisch. Wat ik hem ga zeggen.'

19u.
Ik ben een van de enige gasten die niet bij de uitgeverij werkt, ook geen partner is van een Bij-auteur en nog geen uitgever heeft. Maar dat is net leuk. Spannend, deze tijd!
Daar is Anita Terpstra, ook een auteur van Paul Sebes, in november gedebuteerd met Nachtvlucht.
'Ik heb er geen flauw idee van hoeveel exemplaren er zijn verkocht,' zegt ze.
'Is er iets veranderd in je leven?' vraag ik.
'Eigenlijk niet.' Ze lacht. 'Weet je, je staat nog net zoals vroeger gewoon je WC te schrobben.'

20u.
Waarover gaat het verhaal?' vraagt Hans Nijenhuis, de uitgever van Thomas Rap.
We staan in de traphal. Hij luistert aandachtig.
'Ken je dat gevoel?' besluit ik, 'dat gevoel dat je overvalt als je een zielsverwant hebt gevonden?'
'Oh ja. Jazeker.' Hij glimlacht. 'Je boek klinkt goed.'

21u.
In de meest doorrookte kamer van het pand - en waarschijnlijk van heel Nederland - treden schrijvers op. We zitten naast Saskia Konniger (35), die ons net heeft verteld over haar eerste boek, Club Karma. We leunen achterover in de fauteuils. OP het kleine podium leest Maartje Wortel (27) een stuk voor uit haar verhalenbundel Dit is jouw huis. Hilarisch.

21u30.
We drinken een glas witte wijn met zicht op Harry Mulisch.






22u.

'Het is een spelletje,' zegt Erwin Mortier, de man die voor de uitreiking van de AKO-Literatuurprijs zei dat zijn boek, Godenslaap, "te goed is voor deze jury".
Hij lacht verlegen. 'We stonden daar allemaal te bibberen voor die uitreiking. Toen dacht ik, ik ga gewoon mijn ding doen.'
'Er zijn bijna honderdduizend exemplaren verkocht,' gaat hij verder, glunderend.
Of zijn leven veranderd is sedert de prijs?
'In het dorp herkennen ze me bij de bakker en de slager. Da's leuk.'

22u15.
Tommy Wieringa komt voorbij. Ik stap op hem af en steek mijn hand uit. Hij kijkt verbaasd, maar beantwoordt mijn handdruk.
'Ik ben in Caesarion begonnen,' zeg ik. 'Ik heb lukraak een bladzijde gelezen en zo gelachen.'
'Dat vind ik leuk,' zegt hij.
Dan wordt het optreden van Erwin Mortier aangekondigd. Tommy Wieringa juicht hem toe.

23u.
De plankenvloer trilt. De kamer waar Robbert Ammerlaan de avond inluidde met een gevleugelde toespraak over de geschiedenis van De Bezige Bij, "een vereniging van schrijvers", is omgebouwd tot danszaal. Billy Jean schalt door de luidsprekers. Ammerlaan himself geeft het voorbeeld en swingt over de vloer. Youp van 't Hek dartelt door de dansende massa heen. Er wordt gesprongen, rondgetold, geshaket en gelachen.

Er zijn avonden waarvan je wilt dat ze eeuwig blijven duren.


Van boeken en mensen
wenst u fijne feesten toe en ziet u terug in het nieuwe jaar.

maandag 14 december 2009

Café Luxembourg



'In Nederland maken ze die zoet,' zei mijn vriendin E.
Wij zaten in de veranda, pardon, de serre van Café Luxembourg op het Spui in Amsterdam. Van ons tafeltje hadden we uitzicht op Athenaeum Boekhandel en een aangrenzend plein. Lange blonde meisjes met wapperende sjaals reden op de fiets voorbij. Op het plein was er een boekenmarkt.
In de gelagzaal waren alle tafels bezet. Er werd gelezen, gepraat en kroket gegeten. Kalfskroket. Maar wij hadden frieten besteld. Frites, zeggen ze hier.
In Café Luxembourg - uit te spreken op zijn Frans - kwam wijlen Martin Bril ook vaak. Van boven zijn bord (kroketten) observeerde hij wat er gebeurde. Altijd iets te zien, hier. Café Luxembourg is het soort gelegenheid waar Harry Mulisch en consoorten in hun pauzes een bakje troost tot zich nemen. Het stenen bruidsbed had ik mee naar Amsterdam. Daarvoor lag het nog steeds op mijn nachttafeltje.
Maar Het stenen bruidsbed is geen boek om zomaar even te lezen voor het slapengaan. Het geldt als een van de belangrijkste werken uit de naoorlogse literatuur. De hoofdpersoon is een Amerikaanse tandarts, Norman Corinth. Voor een tandartsencongres gaat hij naar de Oost-Duitse stad Dresden. Corinth kent Dresden. Tijdens de oorlog heeft hij de stad gebombardeerd. Hij krijgt een relatie met een Duitse vrouw. Het boek verscheen precies vijftg jaar geleden en is een van de mijlpalen in het oeuvre van Mulisch.

Mijn vriendin E. en ik waren niet gekomen om Mulisch te spotten. Die zouden we sowieso 's avonds zien op het feest van De Bezige Bij. Nu wilden we lunchen. Salade caprese en een bord frites.
'Zoet?' Ik lachte. 'Dat meen je niet!'
'Echt waar,' zei mijn vriendin E. 'Met suiker in de plaats van azijn.'

Het was geen grap: de mayonaise proefde echt zoet. En de frites waren zacht. Maar de kroketten van de buren zagen er verrukkelijk uit.


woensdag 9 december 2009

Creativiteit



We hebben een strijkplank in huis. Die staat in een klein kamertje in de gang. Om erbij te kunnen, moet ik me wurmen tussen een boekenrek met Lonely Planets en een afgedankte wasmand waarin ik hangmatten opberg. Daarna kom ik bij een opplooibare wasstand. Die moet de gang in en dan kan ik de strijkplank achter het boekenrek uit halen.
Die strijkplank is namelijk een van de minder gebruikte voorwerpen in ons huishouden. Maar deze week haalde ik het ding toch maar eens uit. Veel strijkgoed was er niet, maar de sfeer leende zich ertoe. Buiten miezerde het en in de woonkamer speelden de kinderen met de Sinterklaasgeschenken. N.(6) had de pianoconcerten van Mozart opgelegd. Daar kon op gestreken worden. Dus klapte ik de plank open en deponeerde een pak jeansbroeken en enkele verdwaalde hemden op de zetel naast me.

Terwijl ik de geur van verhit katoen opsnoof, zetten mijn gedachten het op een loopje. Ik moest nog kerstgeschenken kopen. En kaarten schrijven. Als de foto's die ik besteld had op tijd aankwamen tenminste. Want we vertrokken volgende week al naar België. Maar eerst Amsterdam. Zou er vrijdag een afspraak met een uitgever zijn? Of was ik te ongeduldig? Kreeg ik zaterdag op het feest van De Bij Tommy Wieringa en Erwin Mortier te zien? Zou ik mijn reflexcamera meenemen of ging ik voor compact?
Ondertussen hadden E.(4) en I.(2) zich naast me geïnstalleerd met het dokterskarretje dat de goede Sint had gebracht. I. greep een plastic operatieschaar en zwaaide die heen en weer. 'We gaan wolven vangen!' riep hij. 'Ja!' juichte E., waarop hij de stethoscoop pakte. Ze zetten een wilde achtervolging in.
Ik dacht aan de videocasts die ik 's ochtends had gezien op ted.com. In de eerste sprak de innovatie- en creativiteitgoeroe Ken Robinson over de grenzeloze verbeeldingskracht van kinderen. Hij vertelde hoe het schoolsysteem de kinderlijke creativiteit aan banden legt. Wolven vangen met doktersspullen: voor I. en E. is het nog geen verloren zaak, maar N., die in het eerste leerjaar is, zie ik het niet meer doen.
In de tweede videocast was Elizabeth Gilbert aan het woord, de auteur van het bestsellerboek Eat, Pray, Love, bij ons bekend als Eten, bidden, beminnen en maandenlang op nummer één in de toplijsten. Elizabeth Gilbert beschrijft er hoe ze na een pijnlijke echtscheiding en een depressie een jaar vakantie neemt en vier maand spendeert in Italië, India en Indonesië op zoek naar plezier, devotie en wijsheid. Het boek is licht verteerbaar en plezierig van toon, maar niet exceptioneel. De verklaring voor het galactische succes van Eat, Pray, Love ligt vast in de tijdsgeest. Ik kan best bedenken dat veel mensen (lees: vrouwen) ook graag zo'n spirituele reis willen ondernemen en zich bij wijze van surrogaat tevredenstellen met Eat, Pray, Love.
Elizabeth Gilbert kan het ook goed zeggen, mocht ik vaststellen. Vol vuur vertelde ze over het creatieve proces en over hoe zij geloofde dat het genie niet in de mens zit, maar soms over de mens neerdaalt. Ze vertelde over de Amerikaanse dichteres Ruth Stone die ze geïnterviewd had. Deze zei dat ze de gedichten voelde aankomen. Ze kwamen over het landschap aangesneld en dan moest zij snel naar binnen om potlood en papier te zoeken om ze neer te schrijven. Soms was ze te laat maar kon ze ze nog bij de staart grijpen. Dan kwam het gedicht ook op papier, maar achterstevoren.
'Misschien,' besloot Gilbert, 'beslist het genie om ooit één ogenblik over je neer te dalen en zich te tonen in je werk. Maar in afwachting daarvan moet je gewoon je werk doen.'
Schrijven dus. Of, heel soms, strijken.


dinsdag 8 december 2009

Het potentieel van snelwegen



Mijn vriendin N. belde me op. 'Ga je vrijdag mee naar de cinema? Ze spelen de beste Franse film van het jaar!'
'Welke dan?' vroeg ik. Als Fransen het over Franse filmen hebben, ben ik sceptisch. De vorige keer dat N. me meetroonde naar de gemeentelijke bioscoopzaal, zagen we 'Les Regrets' van Cédric Kahn, over een man die na twintig jaar zijn jeugdliefde terugziet en een passionele relatie begint.
Dit had goed kunnen zijn, akkoord. Jammer genoeg waren de hoofdrollen - vertolkt door monsieur Charlotte Gainsbourg en Valeria Bruni-Tedeschi (zus van) - zo karikaturaal dat ik voortdurend uit het verhaal werd gerukt. Mijn vriendin N. ook trouwens.
'De film heet "A l'origine",' zei N. 'Het gaat over een oplichter die in een klein dorp aankomt en doet alsof hij daar een groot project opstart. Maar in de plaats van te verdwijnen met het geld van de dorpsbewoners wordt hij meegesleept door hun enthousiasme. Een waargebeurd verhaal.'
'Welk project begint hij dan?' vroeg ik.
'Even denken... een autosnelweg, geloof ik, een onafgewerkte autosnelweg.'
'Ok,' zei ik, 'ik zie je vrijdag.'

Bouwwerven van snelwegen hebben namelijk potentieel. Een van de meest bejubelde boeken van de laatste jaren in ons Nederlands taalgebied speelt zich af vlakbij het werf van een autosnelweg. Jawel, u hebt het goed geraden: het is natuurlijk Joe Speedboot, de roman die de Nederlandse auteur Tommy Wieringa vleugels gaf.
De plaats van gebeuren is Lomark, een klein (verzonnen) dorp in Nederland, waar de E 981 binnenkort zal passeren. De verteller is Fransje, een jongen die invalide is geworden nadat een grasmaaier over hem is gereden terwijl hij een samoerai-oefening deed. Fransje kan alleen nog één arm bewegen en is zijn spraakvermogen kwijt. De tweede hoofdpersoon is Joe Speedboot, een nieuweling in Lomark. Even spectaculair als zijn intrede in het dorp (zijn vader rijdt met de verhuiswagen een woning binnen en overlijdt ter plekke) zijn de ideeën van Joe Speedboot. Hij maakt bommen, knutselt een vliegtuig in elkaar en stoomt een tractor klaar voor de Dakar-rally. Tussen Fransje en Joe Speedboot onstaat een vriendschap, die een hoogtepunt bereikt als ze Europa gaan rondreizen om deel te nemen aan armworsteltoernooien met de goede, overontwikkelde arm van Fransje.
Alles wat Fransje meemaakt, schrijft in zijn dagboek: "Als jij bijvoorbeeld vandaag zou langskomen zou ik dat opschrijven. Zo van: die en die gezien, zus en zo laat op deze en deze dag. En als me iets aan je was opgevallen, dat je rare oren hebt of een mooie neus, zou ik dat ook opschrijven, en wat je kwam doen, en hoe je dat deed. Maar ook andere dingen, hoe de herfstregens bijvoorbeeld het blond uit onze haren spoelen, waar het donkere winterhaar onder tevoorschijn komt, en over de rivier die door onze levens stroomt zoals de grote bloedsomloop door het lichaam."

Tommy Wieringa schrijft in een wondermooie taal en deelt zijn personage prachtige overpeinzingen toe. De autosnelweg staat niet op de voorgrond in het verhaal, dat hebt u ondertussen begrepen. Op het eind keert hij terug: "De E 981 is in gebruik genomen, een gletsjer van asfalt heeft nieuwe tijd voor zich uit gewalst en wij zijn verdwenen achter een metershoge geluidswal van aarde en kunststof. We horen inderdaad niks, net zomin als wij nog worden gehoord. Automobilisten die langsflitsen zien misschien vanuit een ooghoek het puntje van onze kerktoren boven het scherm uitsteken, met daarop de hoan die kroaning blef, maar verder heeft de wereld ons aan het zicht onttrokken. Maar daarachter zijn wij niet gestorven, noch zijn wij van gedaante veranderd. Wij zijn hier nog."

"A l'origine" heb ik ondertussen gezien. En kan ik u ook aanraden.

maandag 7 december 2009

Dezelfde golflengte



De auto staat geparkeerd in een drukke straat aan de kust. Het zicht bestaat voornamelijk uit voorbijrazende bussen. Het is droog buiten. Normaal gezien zou ik in deze omstandigheden allang de auto uit zijn. Nu niet. France I. heeft me iets te vertellen. Zij was mijn eerste vriendin in Frankrijk.

In onze begindagen hier, toen P. en ik nog met heimwee terugdachten aan Torres del Paine, wat niet alleen de naam is van een nationaal park in Zuid-Chili maar ook die van onze oude Belgische ijskast die zoals de gletsjers in Patagonië geregeld afkalfde, kende ik in deze contreien naast Madame C. van het immobiliënkantoor geen kat.
Neen, ook geen collega's.
P. en ik gingen maar twee keer naar het werk. Op onze eerste dag werden we vriendelijk genood naar huis terug te keren en te wachten op een telefoontje. Elf september was nog maar drie weken oud en in onze business waren alle projecten stopgezet. Het telefoontje kwam op vrijdagmorgen. Of we om vijf uur konden langskomen?
P. en ik hadden onze baan in België opgegeven. De bedrijfswagen was ingeleverd, dus hadden we een auto gekocht. De huur was opgezegd en in september waren we voor tien dagen naar het zuiden gekomen om een woning te zoeken. We pootten de tent neer op een camping en vertrokken elke ohtend na een ontbijt van drie croissants vol goede moed naar de immobiliënkantoren.
We werden meestal genegeerd, soms bespot ("wat was uw budget ook weer?") en een enkele keer zelfs opgelicht. Als we al een bezoek konden regelen, belandden we ofwel in een tochtige woning die al jaren leegstond en eerder een stal leek, ofwel bij een eigenares die één jaar huur eiste als waarborg. Tot we op de voorlaatste dag het kantoor van Madame C. binnenstapten. Een uur later hadden we de sleutel op zak van een mooie flat op tien minuten rijden van het werk. Zicht op de bergen, zwembad op het domein. Het paradijs.
Dat we in die eerste werkweek niet op kantoor hoefden te zijn, kwam gelegen. We moesten de verblijfsvergunning nog regelen. Na elvendertig faxen naar evenveel instanties in België hadden we de nodige documenten verzameld. We reden naar de prefectuur in Nice. Om kwart voor negen stonden we voor de deuren. Die waren nog dicht, maar op het trottoir wachtte al een rij mensen. Om klokslag negen uur werden we binnengelaten. We kregen een nummertje. Pas om vier uur mochten wij naar het loket. Maar het wachten loonde: we kregen de gegeerde carte de séjour. Alles was nu geregeld.
Tot dat telefoontje kwam: of we om vijf uur konden langskomen?
P. en ik gaven het elkaar niet toe, maar we wisten hoe laat het was. Ja, we werden ontslagen. Om een lang verhaal kort te maken: collega's had ik niet.

Omdat een mens niet de hele dag over huurcontracten kan spreken en Madame C. ook haar werk had, was ik maar wat blij toen ik France I. leerde kennen. Zelfs nu ik vriendinnen heb, blijf ik haar trouw. Ze vertelt even gepassionneerd over het failliet van Dubai als over de fadobars van Lissabon. Ik ken haar nu al acht jaar. Haar kennis over de literatuur? Bodemloos!
Nu, in de auto, heeft ze het over een pareltje van de Franse rentrée littéraire van 2009: Un homme louche van François Beaune. François Beaune is eenendertig jaar en "niet bepaald jong om te debuteren" aldus mijn vriendin. François Beaune is een man van twaalf stielen en dertien ongeluken. Keukenhulpje, nachtwaker, barman: u noemt het, hij is het geweest. Tot wanhoop van zijn moeder die iets anders in petto had voor zoonlief. Maar nu ligt Un homme louche dus in de handel.
De hoofdpersoon is een man van weinig woorden en even weinig vrienden. Jean-Paul Dugommier doet niets anders dan observeren. We krijgen een inkijkje in zijn dagboek. In het eerste deel is hij dertien jaar en leeft hij op het platteland waar zijn ouders een kruidenierszaak uitbaten. Het tweede deel start vijfentwintig jaar later. Dugommier observeert de samenleving door een loep. Kijkt hij bijvoorbeeld naar een reclame-affiche, dan ziet hij het geheel niet, maar wel de details: een overdosis aan felgekleurde pixels. Inderdaad. Een ander mens zou er scheel van gaan zien.
"Humoristisch en poëtisch."
"Een roman die in de war brengt."
"Na dit boek kijk je op een andere manier naar de werkelijkheid."
"Een roman die herinnert aan L'écume des jours van Boris Vian."
Zo is Un homme louche ontvangen.
De moeder van François Beaune is trots, zegt France I. nog.
Dan is het half tien. Tijd voor mijn afspraak. Ik draai de contactsleutel uit. France I. zwijgt begripvol. Ik zeg het u, we zitten op dezelfde golflengte.

vrijdag 4 december 2009

Vrolijke hoeren



Zelfs in ons dorp, dat sommigen toch als een eindpunt van de wereld beschouwen, hebben we verscheidene vormen van vertier: een cinemazaal, een speeltuin en twee vrouwen van plezier. Ik heb hen alleen nog maar kort en van ver gezien, wanneer ik van de autosnelweg naar huis rijd. Op die schilderachtige weg, tussen een diepgroen meer en steile heuvelflanken begroeid met eiken, staan zij. Piepjong ogen ze niet meer. Ze gaan gekleed in hoge witte laarzen en topjes die weinig aan de verbeelding overlaten en dragen zelfs bij regen een zonnebril die hun gezicht haast helemaal bedekt. Op hun modderige parkeerstrook staan ze maar wat naar de voorbijrazende auto's te staren.

Dan kom ik thuis met een herinnering aan droeve hoeren.

Of de dames het gelijknamige boek van Gabriel Garcia Márquez gelezen hebben, betwijfel ik. Ik zou het op hun parkeerterrein kunnen deponeren, akkoord. Maar ik zou niet weten welke vertaling ik zou moeten kiezen en bovendien acht ik de kans groot dat ze er sigaretten van rollen. Dat zou zonde zijn. Herinnering aan mijn droeve hoeren is de laatste roman van Gabriel Garcia Márquez. Het begint zo: "Voor mijn negentigste verjaardag, wilde ik mezelf trakteren op een waanzinnige liefdesnacht met een jonge maagd."
Via een bevriende bordeelhoudster krijgt de oude man zijn maagd. Maar als hij in het bordeel aankomt, slaapt het meisje al, doodmoe na een dag werken in de fabriek. Hij gaat naast haar liggen en kijkt. Hetzelfde gebeurt de volgende en daaropvolgende nacht. Hij wordt voor de eerste keer in zijn leven verliefd. Terwijl hij zijn slapende maagd bewondert, fantaseert hij over hoe de echte liefde zou kunnen zijn. Márquez verweeft de gedachten en belevenissen van de oude man tot een melancholisch verhaal over de liefde en de dood.

Toen ik gisteren van de autosnelweg naar het dorp reed, zag ik dat de dames van plezier er ook weer waren. Het was aan het stortregenen, maar dat leek hen niet te deren. Ze hadden zelfs versterking gekregen: ze waren met vier. Twee van hen stonden geanimeerd te kletsen onder hun paraplu's, de twee anderen kwamen aangewandeld, druk babbelend en lachend. Verderop stonden twee monstertrucks geparkeerd. Het beeld duurde een flits, dan was ik alweer in onze vertrouwde vallei, op de heuvel in het dorp, thuis bij de haard.
Met een herinnering aan vrolijke hoeren.

donderdag 3 december 2009

Aangenaam



'Toon me hoe je je das knoopt en ik zeg je wie je bent.'
Deze gevleugelde zin, gepikt uit de hilarische roman Black Bazar van de Frans-Congolese auteur Alain Mabanckou, kan even goed op de literatuur worden toegepast: Zeg me wie je graag leest en ik zeg je wie je bent. Dit bedacht ik dinsdag, toen ik kennismaakte met een collega van P.
We waren en tête-à-tête aan het lunchen in het bedrijfsrestau. Kwam een man op onze tafel af. Klein van gestalte, met een zwart brilletje.
'Dat is J.,' zei P. 'Kom erbij.'
J. sloeg niet af. Hij schoof zijn plateau (falafel, een blik cola en een yoghurtdrankje) naast die van P.
P. had me over J. verteld, maar ik had hem nog niet ontmoet. J. zou binnenkort naar Londen worden overgeplaatst. Had hij lang voor geijverd.
'Ik moet binnenkort croissants meebrengen,' zei J.
Trakteren met croissants is zo de gewoonte als een van de collega's iets te vieren heeft.
'Daar ontsnap je niet aan,' zei P.
'Dat wordt moeilijk...' J. zuchtte. 'Het probleem is dat ik 's morgens niet in de stemming ben.'
P. en ik glimlachten maar wat.
'Nee, serieus,' zei J., 'ik heb 's ochtends geen humeur om croissants te kopen.'
'Vraag het dan aan iemand anders,' zei P. 'Besteed het gewoon uit.'
J. produceerde een zuur lachje.
Het leek P. gepast het gesprek op een ander spoor te zetten.
'J. leeft in een bibliotheek,' wierp hij op tafel.
'Dat is door mijn vrouw,' zei J. 'Ze is boekhandelaar.'
'Ze leest vijf boeken per week,' mompelde hij. 'Vroeger toch. Nu niet meer.'
Nu hadden ze een kindje van één jaar en was er een tweede op komst.
'Welke auteur lees je graag?' vroeg ik.
J. wierp een donkere blik op zijn bord waar nog een halve falafel op lag.
'Wel...' Hij maakte een snuivend geluid. 'Ik apprecieer Houellebecq wel.'
Michel Houellebecq wordt door sommigen vereerd, door anderen verguisd. Hij is dé schandaalauteur van Frankrijk. Met zijn uitspraken schopt hij tegen vele schenen.
'Het enfant terrible van de Franse literatuur,' zei ik. Ik kon mijn glimlach niet tegenhouden. Zwartgallig, weinig sociaal: J. leek een vleesgeworden personage van Michel Houellebecq. Laat ik u enkele citaten voorschotelen uit de roman Plateforme. Het verhaal gaat over Michel, een mislukte veertiger, die op reis in Thailand Valérie ontmoet, een relatie begint en samen met haar en haar collega een business in seksvakantieclubs opzet - met fatale gevolgen. "L'homme n'est décidément pas fait pour le bonheur", of "Tout peut arriver dans la vie, et surtout rien", of nog "C'est dans le rapport à autrui qu'on prend conscience de soi ; c'est bien ce qui rend le rapport à autrui insupportable."
Terwijl ik aan dit alles dacht, had J. zijn falafel opgegeten.
'Literatuur is mijn domein niet,' zei hij. 'Ik weet meer over klassieke muziek.'
'Speel je zelf muziek?' vroeg P.
'Vroeger,' zei J. terwijl hij zijn flesje yoghurt openschroefde.
'Welk instrument?' vroeg ik.
'Piano en hobo.' Hij dronk het flesje in één teug op.
Het was ondertussen twee uur geworden. We stonden alle drie op en liepen naar buiten.
'Het was aangenaam om kennis te maken,' zei J. Hij glimlachte kort.

woensdag 2 december 2009

Rode slangen



Dit weekend was niet alleen productief in de tuin, maar ook in de keuken. Na een zonnige zaterdag begon de herfst. Op zondag werden we wakker van de regen die tegen de luiken sloeg. Of, juister, de regen sloeg tegen de luiken toen we wakker werden. Wij hoorden het geroffel nauwelijks. Uit de gang kwam een kakafonie van luide klanken.
'Is hij gekomen?'
'We gaan kijken, kom!'
'Nee, wacht, ik ben nog niet klaar.'
'Ik wil eruit!'
Ik grabbelde de wekker vast. Tien voor zeven. De twee oudste zonen stonden voor de slaapkamerdeur te springen. Gekleed.
Terwijl P. zijn mountainbike-outfit aantrok, haalde ik de kleinste uit bed. Ze stormden alle drie naar de woonkamer.
'Hij is gekomen!' riepen de zonen in koor. Ze kieperden hun schoenen uit en graaiden naar de chocoladecenten, suikerpicknicken en speculozen die op de vloer vielen. I.(2) stopte zoveel mogelijk tegelijkertijd in zijn mond, E.(4) vroeg een kom om de schatten in te bewaren en N.(6) at hier en daar iets en liet het overige snoepgoed op de grond liggen.

Tja. Wat doet een mens dan op zondag als hij zo vroeg op is en manlief is gaan fietsen?
Maximonsters tekenen, met de zonen naar de soundtrack van Time of the Gypsies luisteren en in de keuken staan.
Op onze ijskast liggen glanzende receptenboeken van Jamie Oliver, Delia Smith en soortgelijken, maar die kijk ik zelden in. Het boek dat ik het vaakst raadpleeg, is rafelig, bemorst en de band heeft allang losgelaten. Toen ik het ouderlijk nest verliet, stopte moederlief me dit nog snel toe: Cuisine pour toute l'année van Monique Maine. Het boek is gedrukt in 1969. Moederlief vertelde me dat haar broer het van haar moederlief meekreeg toen hij een jaar naar Algerije ging op legerdienst. Ik weet niet of mijn oom ook andere lectuur meehad tijdens dat jaar in het buitenland, maar als dat niet zo was, dan was hij met Cuisine pour toute l'année toch een eind zoet.
Aan elke dag van het jaar is een bladzijde gewijd met twee menu's, één voor 's middags, één voor 's avonds. Uit elk menu wordt telkens een recept gelicht. Bovendien wordt elke maand ingeleid door een verhaaltje over een seizoensgerecht en een handige keukentip.
Het kan niet van elk kookboek gezegd worden, maar Cuisine pour toute l’année biedt ook een veelheid aan recepten voor het soort groente van ons abonnement, in deze tijd van het jaar snijbiet, kolen en penen in een wijd scala aan kleuren. Ik koos een gerecht dat kindvriendelijk oogde, Chou rouge aux pommes - onderdeel van het lunchmenu op de eerste vrijdag van februari, mocht u dat interesseren, en te serveren met geroosterde chipolatas en appelsienen als toetje. Omdat ik toch bezig was, maakte ik ook nog een snijbiettaart en een stoofpot van wortels en rapen.
De zonen waren niet onverdeeld enthousiast over de rode slangen op hun bord, om nog maar te zwijgen van de taart van groene groente. Er was meer dan genoeg over voor P., toen hij bemodderd en met blinkende ogen terugkwam van 1800 meter downhillen in de regen. Want de herfst is echt wel begonnen.

dinsdag 1 december 2009

Harken



'Zou jij het doen als je mij was?'
'Direct,' zei P. zonder opkijken.
Hij had me deze week al gevraagd wanneer ik nu eindelijk ging beslissen. Want hij moest zich wel organiseren.
'Zelfs als ik geen afspraken heb?'
Mijn agent had gezegd dat het op de uitgeverijen verschrikkelijk druk was. Ze hadden mijn manuscript nog niet gelezen.
P. keek me aan. 'Natuurlijk zou ik gaan! Mij zou je het geen twee keer moeten zeggen.'
'Deze middag,' begon ik, 'in de tuin...'
Na de lunch waren we aan het werk gegaan: P. stapelde brandhout, ik harkte. Als ik hark, denk ik aan de dalai lama. Die heb ik van nabij leren kennen via Time-journalist Pico Iyer. Via zijn boek althans. In De open weg werpt Pico Iyer een licht op de vele facetten van de spirituele leider van Tibet. Het boek staat niet alleen bol van de eigenaardige weetjes (wat dacht u hiervan: "als kind van twee werd de dalai lama gevonden door een delegatie monniken, die hem op het spoor kwamen toen er een regenboog aan de noordoostelijke hemel boven Lhasa te zien was, een stervormige zwam op een pilaar in het Potalapaleis verscheen en het hoofd van de dertiende dalai lama herhaaldelijk een beweging in noordoostelijke richting maakte"), maar verkondigt ook een interessante visie. “Droom niets” is een frequente uitspraak van de dalai lama. De meeste mensen reageren dan teleurgesteld, zegt Iyer, maar eigenlijk is die levensvisie net positief. De oplossing voor problemen moeten we zoeken in onszelf, door innerlijke bewustwording. Iyer, die zich een scepticus noemt, ging er ook in geloven. En hij constateerde dat zijn leven veranderde: alles hing af van de manier waarop hij ernaar keek.
Ik had een gelijkaardige ervaring bij het harken. Blaren harken is pure meditatie. Dat weten boeddhistische monniken overigens allang. Als zij willen mediteren, gaan ze vegen. Terwijl ze de bezem bewegen, voelen ze de regelmaat van dag en nacht, het ritme van de ademhaling van de wereld, het kloppen van hun hart. Ik snoof de geur van de gevallen bladeren op, glimlachte naar de paddenstoelen, en droeg armenvol bladeren weg. Hoe langer ik werkte, hoe meer klaarheid ik zag - niet in de tuin want telkens ik een kruiwagen had geleegd, mocht ik constateren dat er weer nieuwe blaren waren gevallen. In mijn hoofd losten de nevels op.
Wat zou ik doen in Amsterdam?
Uitgevers ontmoeten natuurlijk. Afspraken zouden komen, soms moet het lot op de goede weg worden geholpen. En daarnaast? Uren spenderen in Selexyz Scheltema, Athenaeum Boekhandel en American Bookshop. Caesarion kopen en lezen. Keuvelen met mijn vriendin E.. Door het Vondelpark wandelen. Een broodje kroket eten. En, jaaahaaa, E.'s uitnodiging aannemen en haar vergezellen naar het grote feest voor het vijfenzestigjarig bestaan van De Bezige Bij!!! Om er daarna zo'n column over te schrijven.
'Ga verder,' zei P.
'Terwijl ik zo harkte, dacht ik dus, kind, zo'n kans krijg je niet elke dag.'
'Zo'n kans krijg je maar één keer,' zei P.
'Dan doe ik het gewoon.'


maandag 30 november 2009

Zijn probleem



Probeert u kinderen maar eens een abstract begrip uit te leggen. Dan knikken ze van ja, zeggen ze dat ze alles hebben begrepen tot ze het ogenblik nadien een vraag stellen die helemaal naast de kwestie is. Dan begint u met goede moed opnieuw, maar dan krijgt u zo'n blik van "waar heb jij het in godsnaam over?". Sommigen beginnen dan nog eens van voren af aan, anderen slaken een zucht.
Concreet zijn is de boodschap. Héél concreet dan, zoals in het prentenboek Gros-Lapin van Ramona Badescu en Delphine Durand. Het verhaal begint zo:

Dik-Konijn heeft een probleem.
Een probleem even groot als hijzelf.
Een omslachtig probleem dat hem overal volgt
en hem verhindert aan iets anders te denken.
Dus belt hij Eekhoorn op.

Maar Eekhoorn neemt de hoorn niet op en de mama van Dik-Konijn heeft teveel werk. Dus zit Dik-Konijn maar alleen thuis, op de hielen gezeten door een grijs, harig monster. Doet hij de kast open, dan zit het probleem daar; knipt hij de televisie aan, dan ziet hij het op elk station in een andere uitdossing; wil hij naar muziek luisteren, dan maakt het probleem zoveel lawaai dat hij niets kan horen.
Eind goed, al goed. De vrienden van Dik-Konijn kloppen aan met cadeautjes. Zijn mama is er ook met een pannenkoekentaart. Want het is zijn verjaardag! En het probleem? Dat is verdwenen.

De zonen vonden het grijze monster hilarisch. 'Daar is zijn probleem!' riepen N.(6), E.(4) en I.(2) bij elke nieuwe bladzijde uit, waarna ze alle drie in lachen uitbarstten. Maar hadden ze het begrepen?
Het antwoord kreeg ik 's anderendaags. E. speelde in de tuin. N. wilde meedoen, maar E. had er geen zin in. Hij vroeg N. op te houden, tevergeefs. E. werd er kregelig van. Ik zei aan N. dat hij naar binnen moest komen. Hij keek me aan en lachte schalks. 'Waarom dan, mama? Ik ben toch zijn probleem!'

vrijdag 27 november 2009

Arrivé



Elk dorp heeft zijn figuren. Wij zijn op dat vlak nogal goed bedeeld.
Toen ik vorige donderdag om halfnegen 's morgens de Bar des Boulistes naderde, kon ik de twee silhouetten op de stoep voor het café al van ver herkennen.
Monsieur P. kwam het deurgat van zijn tabac-presse uit met een elan dat voor zijn doen verrassend was.
'Bonjour les filles!' riep hij. Ze kregen elk twee klapzoenen - eerst op de linker, dan op de rechter, dat is hier zo de gewoonte.
Les filles knipoogden en zogen hard aan hun sigaret. Les filles zijn twee zussen van voorbij de vijftig, gedrongen van gestalte, met een verlepte permanent en wijnkleurige wangen. Als ze niet in het ene dorpscafé zitten, dan kunt u er prat op gaan dat ze het andere met hun aanwezigheid vergasten. Maar op dit ochtendlijke uur had ik ze nog maar zelden gezien.
Ik was pas helemaal zeker dat er iets bijzonders aan de hand was toen ik wat verder op het dorpsplein de kruidenier zag. De goede man stond voor zijn deur en glimlachte. Had hij plotsklaps beslist de spreuk op zijn luifel "Mon épicier est un type formidable" eer aan te doen? Mijn geloof in de goedheid van de mens heeft grenzen, dus bekeek ik zijn etalage maar eens aandachtig.
Voilà. Een affiche. Had ik het niet gedacht. Dat was aan de hand: Le beaujolais nouveau est arrivé.
Jawel, het was de derde donderdag van november, sedert 1987 de dag waarop de beaujolais nouveau mag worden verkocht.
Ik kocht natuurlijk een fles. Thuis zocht ik het op: jawel, er bestaat een roman met de bevlogen titel Le beaujolais nouveau est arrivé. Geschreven door enen René Fallet in 1975. Het verhaal speelt zich af in Café du Pauvre, een oude bistrot in een Parijse banlieue. Aan de toog van Gaston en Germaine kaarten Camadule, Poulouc en Captain Beaujol in hun sappig argot de vragen des levens aan, terwijl Maman Turlutte zich laaft aan de sauvignon.

Ik heb het boek niet gelezen. Misschien vind ik het in het winkeltje van monsieur P. Maar het is misschien nog interessanter om de straat over te steken en het geld te investeren in enkele glazen beaujolais nouveau voor "les filles". Dat levert gegarandeerd ook verhalen op.

donderdag 26 november 2009

Moord



Hij is 49 jaar geleden gestorven, maar staat in het hart van de Franse actualiteit: Albert Camus. Nicolas Sarkozy wil het stoffelijk overschot van de schrijver in 2010 laten overbrengen naar het Pantheon in Parijs. Daar zou Camus een rist grote namen uit de Franse geschiedenis vervoegen, zoals Jean-Jacques Rousseau, Voltaire, Emile Zola en Victor Hugo. Een "panthéonisation" is zowat de grootste eer die een Fransman te beurt kan vallen.
Camus rust nu op het kerkhofje van Lourmarin in de Lubéron. In dit idyllische dorp had hij met het prijzengeld van de heer Alfred Nobel een optrekje gekocht. Zoon Jean Camus wil dat vaderlief in Lourmarin blijft. Albert Camus hield niet van groot eerbetoon. Een panthéonisation zou indruisen tegen de waarden van de schrijver.

Toen ik vorige week L'Etranger uit de boekenrekken van Cultura pikte, was de hetze rond Albert Camus me nog vreemd - vraagt u het maar aan P., ondanks een krantenabonnement en dagelijkse bezoeken aan nieuwssites slaag ik er meestal in de actualiteit te ignoreren. Bij het lezen van l'Etranger dacht ik dus niet aan de polemiek. Het boek herinnerde me aan een lerares Frans die ik in de middelbare school gehad heb.
L'Etranger is het verhaal van een man, Meursault, die in Algiers woont en het bericht krijgt dat zijn moeder is gestorven. Hij reist naar het dorp waar zij haar laatste levensjaren in een zorgtehuis heeft doorgebracht en woont de begrafenis bij. Als hij terug thuiskomt, raakt hij betrokken in de problemen van zijn buurman, Raymond. Deze heeft zijn Arabische maitresse beledigd en wordt geviseerd door haar broer. Tijdens een uitstap naar het strand wordt Meursault met die Arabier geconfronteerd en schiet hij hem neer. Meursault moet naar de gevangenis, er volgt een proces en hij wordt veroordeeld tot de guillotine.
Het verhaal is geschreven vanuit het standpunt van Meursault, de ik-verteller. We kruipen in het hoofd van een onverschillige, gevoelloze man, die bezeten is door een drang naar waarheid: een vreemdeling in de maatschappij. Camus heeft het personage op een magistrale manier stem gegeven: hoe vreemd hij ook is, toch kunnen we ons in hem verplaatsen.
Als de rechter Meursault vraagt naar het motief van de moord, zegt hij: "J'ai dit rapidement, en mêlant un peu les mots et en me rendant compte de mon ridicule, que c'était à cause du soleil."
Dat voelen we ook zo aan wanneer de moord gebeurt: Meursault en de Arabier hebben elkaar gezien. Meursault staat op het strand, de Arabier ligt een tiental meter verder te rusten bij een bron. De zon brandt op het gezicht van Meursault, het zweet loopt naar zijn wenkbrauwen, hij heeft pijn aan zijn hoofd en voelt zijn aders kloppen onder zijn huid. Hij zet één stap vooruit om de zon van zich af te schudden, hoewel hij weet dat het absurd is en het niet zal helpen. Op dat ogenblik trekt de Arabier zijn mes. Meursault ziet de schittering van het staal in de zon. Het is alsof hij het blinkende lemmet op zijn voorhoofd voelt, alsof het hem verblindt: hij schiet.

Ik had een déjà-vu gevoel toen ik deze passage las. Plots wist ik het weer. Op school hadden we de moordscène besproken. De lerares Frans wijdde er niet één, maar meerdere lessen aan. Later vernam ik dat het arme mens zelfmoord had gepleegd. Terwijl ik verder las, vroeg ik me af wat L'Etranger met haar gedaan had.

woensdag 25 november 2009

De stilte van de angst


Ik zou kunnen beginnen over de soep die ik eergisteren heb gemaakt, een kruidige pompoensoep met currypasta die zuslief - jawel de zus van het trouwfeest met Grunberg - dit weekend uit Zwitserland heeft meegebracht, maar dat is een flauwe intro. Het enige wat die soep verbindt met het onderwerp van vandaag is de kleur van de kom waaruit ik ze heb gedronken. Laten we dus maar met de deur in huis vallen.
Op Mario Vargas Llosa na bereiken Peruaanse auteurs zelden ons taalgebied. Alonso Cueto, die journalistiek doceert aan de universiteit van Lima, had al dertien boeken geschreven eer een Nederlandse uitgeverij met hem in zee ging. Bij De Arbeiderspers verscheen dit najaar Het blauwe uur, volgens Vargas Llosa "een magistrale roman die helder en fantasievol de gevolgen van tien jaar burgeroorlog vertelt".
In Het blauwe uur gunt Alonso Cueto ons een blik op een donkere periode in de geschiedenis van zijn land, de oorlog met de guerrillabeweging Lichtend Pad.
De verteller noemt zichzelf Adrián Ormache en is een succesvolle advocaat in Lima. Ormache komt te weten dat zijn overleden vader, een officier bij de Peruaanse marine, even gewetenloos was als de terroristen en zijn gevangen verschrikkelijk mishandelde. Behalve één keer, toen hij verliefd op een vrouwelijke gevangene en zij kon ontsnappen. Ormache gaat naar deze vrouw op zoek. Gaandeweg ruilt hij zijn gerieflijke leventje in voor de rauwe realiteit en beseft dat hij meer op zijn vader lijkt dan hij had kunnen vermoeden.
Het blauwe uur is een spannende roman die ons laat meevoelen met de overlevenden van de Peruaanse burgeroorlog voor wie "de ijzige stilte van een willekeurige nacht altijd de stilte van de angst zal zijn, de deur van hun huis altijd een deur die elk moment kan worden ingetrapt."
Is uw nieuwsgierigheid gewekt, slaat u dan De Morgen open. Nadere details vindt u in Uitgelezen.


dinsdag 24 november 2009

Meneer



Het is avond. Door de open terrasdeuren dringt een koude luchtstroom de woonkamer binnen. Meneer neemt alle tijd om over de drempel te stappen. Te schrijden, liever. Hij hoeft zijn neus maar te tonen of de deuren gaan open, dat is hij gewoon. Het heeft geen zin achter hem aan lopen in de hoop dat hij zijn pas versnelt. Hij heeft zijn ritme en alleen op uitzonderlijke gelegenheden wijkt hij daarvan af. Terwijl hij naar het midden van de woonkamer stapt, vermijdt hij het om iemand aan te kijken. Een geluidje ontsnapt uit zijn keel. Tevredenheid. Meneer is zich bewust van zijn aaibaarheidsfactor.
Neen het gaat hier niet om een van de zonen, al vertoont het gedrag van I., E. en N. wel enige gelijkenissen. Ik heb het natuurlijk over meneer Kat. Toen we dit huis anderhalf jaar geleden kochten, was hij inbegrepen in de prijs.
Meneer Kat is niet de eerste de beste kat. Hij heeft zijn gewoontjes. Korrels eet hij niet, blikvoer verteert ie niet. Af en toe krijgt hij hesprandjes, een overgebleven stuk worst of een vissenkop, maar zelfs dan is hij nog kieskeurig. Hij drinkt melk, dat wel. En af en toe vinden we een muis of een duivenjong op de mat. Eerst noemden we hem Brutus, maar daar luisterde hij niet naar. Nu is ie gewoon meneer Kat. Nee, luistert hij ook niet naar.

Voor wie van katten houdt, is de bundel On Cats van Doris Lessing een must. Laat ik u eerst iets vertellen over la Lessing. In 2007 kwam deze dame, op de gezegende leeftijd van 88 jaar, met haar boodschappen thuis. Voor de deur van haar Londense huis wachtte een horde journalisten haar op. Zij hadden ook een boodschap, namelijk dat mevrouw zopas de Nobelprijs voor Literatuur had gekregen.
Leest u maar eens The grass is singing, Lessings eerste roman, die in 1950 verscheen. Het verhaal, volgens de website van Lessing "a high-tension story of a woman whose life was changed by a few careless words" speelt zich af in Afrika, waar la Lessing haar jeugd doorbracht. Vanop de eerste pagina wordt de adem u benomen. Ondertussen heeft Lessing een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven. Wie haar bibliografie raadpleegt, ziet dat katten een terugkerend thema zijn. Lessing is er verzot op. De kattenliefde ontkiemde in haar kindertijd, toen ze opgroeide op een boerderij in Zimbabwe. Toen ze in 1949 naar Londen verhuisde, nam ze een kat in huis. De ene volgde de andere op. Ze gaf hen mooie namen zoals Rufus of El Magnifico.
In On Cats (2002) zijn Lessings kattenverhalen gebundeld. Meneer Kat, met zijn eigenaardige gedragingen, had er zo een verhaal in kunnen krijgen. Zelfs niet-kattenliefhebbers zullen akkoord gaan: Lessing maakt katten tot grote literatuur. Alle subtiliteiten van de dieren kan ze vatten. Lessing ziet er nu wel uit als een gezellig omaatje, maar in een vorig leven moet ze een kat geweest zijn, dat kan bijna niet anders.

maandag 23 november 2009

Frankrijk door de ogen van Bril



Als ik een goed boek heb, doe ik het eer aan. Vorige week begon ik op een avond in bed in C'est la vie van Martin Bril. Mocht u het niet weten: Bril was behalve een bekende Nederlandse columnist ook de man die het begrip "rokjesdag" lanceerde. Hij stierf in april, 49 jaar jong. C'est la vie is een bundel van kronieken die zich afspelen in Frankrijk. Na enkele bladzijden legde ik het boek opzij. Bedlectuur? Dit kon ik Bril niet aandoen. De plaats om C'est la vie te lezen is een terras op een Frans plein, bij voorkeur zonbeschenen, met een hoog pittoreskheidsgehalte en liefst een desolaat karakter. De kronieken van Martin Bril spelen zich meestal af op dergelijke pleinen.
Het geschikte plein lag in het buurdorp naast de kerk. Het was 13 uur. Op het terras van restaurant Bellevue was niemand. Binnen daarentegen was er veel volk.
'Er is nog een tafeltje vrij achteraan,' zei een kelner. Achteraan, dat betekende op de veranda met het panorama over de bergen. Het leek me plots een interessante optie. Niet dus. De bankier en zijn bedienden hadden zich daar geïnstalleerd. Om redenen die ik hier niet ga noemen zie ik die liever niet - en hij mij ook niet, trouwens. Ik posteerde me aan de toog waar een jongen die de puberteit net ontgroeid was, bierglazen afdroogde. Of ik buiten kon zitten?
Buiten? Heuh, natuurlijk.
Het was, lieve mensen, zeventien graden - voor de lokale bevolking dus frisjes.
Het terras lag aan de overkant van de straat. Ik nam een tafeltje naast de fontein. Achter me klaterde het water. Een bruin blad dwarrelde uit een van platanen op mijn tafel neer. Ik sloeg C'est la vie open en las over de Franse escapades van Bril, meestal in de voetsporen van Georges Simenon, zijn grote held. Bril las ook als hij op restaurant ging. Het gebeurde soms zelfs bij een etentje met zijn vrouw. Zij was dan ook verdiept in een boek. "Ja, dat gaat ver, inderdaad," schrijft hij. "Maar het is ook het logische eindpunt van elkaar scheel van verliefdheid aanstaren. Ik bedoel: je moet het durven. Het is zoiets als zoenen in het openbaar."
De ober kwam mijn tafeltje dekken.
'Un plat du jour, s'il vous plaît.' Het krijtbord met de dagschotel kon ik van mijn tafeltje niet lezen. Verrassing. Als er maar geen andouillette op tafel verscheen. Voor die exotische naam was ik een keer gegaan, toen ik op reportage was in Versailles. Ik kreeg een dikke bleke worst. Vanbinnen zag ik geen worstvlees maar fijne, concentrische cirkels. Laagjes. Was dit een vleesgeworden croissant? Heerlijk. Ik stak de worstplak in mijn mond. Stante pede vloog de hap er weer uit. Hoe ik de smaak kon beschrijven, wist ik niet, maar iets weerzinwekkender had ik nooit eerder geproefd. Andouillettes zijn gemaakt van varkensdarm, vertelde de ober toen ik hem mijn volle bord teruggaf. Als troost kreeg ik een kaasschotel. Kan lekker zijn, zei mijn vriendin N. later, maar de darmen moeten goed gewassen zijn. Anders smaakt het naar... Tja.
Enkele kronieken later verscheen de ober terug met een dampend bord aïoli. Behalve twee vissoorten, verse tomaten en een gemengde salade was er ook gekookte aardappel, wortel en artisjok. De saus, van look en olijfolie, zat in een aardewerken potje. Terwijl ik las, plukte ik artisjokbladeren en dopte die in de aïoli. De herfstzon brandde en ik haalde mijn zonnebril boven. Er was geen kat op straat, maar van enkele straten verderop waaiden flarden vrolijk gebabbel over. Ik bedacht dat Bril gelukkig was geweest als hij het had meegemaakt.

vrijdag 20 november 2009

Een dag in de cel



November is de maand waarop Irish Coffee weer gaat smaken: niets is beter om de innerlijke mens op te warmen. Het vuur knetterde en de blend was perfect. Om niet oververhit te raken had ik een aangepast boek bovengehaald, en wel Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Alexander Solzjenitsyn. Het verhaal speelt zich af in een strafkamp in Siberië bij temperaturen tot min veertig graden. Wie in de huid van de personages wil glijden, zit er best warmpjes bij.

Het was ook een novemberdag, in 1961. Op de redactie van het tijdschrift Novy Mir in Moskou valt een dikke envelop binnen. Het belandt op de slush pile. De redactiesecretaresse, die een preselectie maakt in de inzendingen, krijgt het manuscript als eerste onder ogen. Ze beseft onmiddellijk dat ze met iets exceptioneels te maken heeft, laat de vijftig recto-verso bedrukte velletjes keurig kopiëren en brengt ze naar de directeur. Van bij de eerste zinnen is deze overweldigd. 's Anderendaags, na een nacht lezen, kondigt hij zijn medewerkers aan dat hij een meesterwerk heeft ontdekt. Hij vraagt hen de auteur op te sporen. Blijkt dat de tekst is ingediend door een germanist en ex-gevangene. Deze vertelt dat het manuscript is geschreven door een medegevangene die nu wiskunde doceert in Riazan, een stad op 200 kilometer van Moskou, Alexander Solzjenitsyn. In het najaar van 1962 verschijnt de editie van Novy Mir met het verhaal Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj. De kiosken worden leeggeplunderd. De buitenlandse pers is er als de kippen bij. Niet veel later verschijnt een spoedvertaling in het Franse magazine Paris-Match. Alexander Solzjenitsyn wordt in een mum van tijd wereldbekend.

Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj is gebaseerd op Solzjenitsyns eigen ervaringen. In 1945 werd hij gearresteerd omdat hij zich onrespectvol had uitgelaten over Stalin. Hij kreeg acht jaar gevangenis. Zoals zoveel anderen werd hij naar een van de strafkampen gestuurd. "Goelag" werden die kampen ook genoemd, naar de overheidsdienst die ze beheerde. Na de dood van Stalin in 1953 werd de helft van de gevangenen vrijgelaten, ook Solzjenitsyn. Maar over wat in de kampen was gebeurd, zweeg iedereen. Solzjenitsyn is de eerste die het taboe doorbreekt. Dit maakt Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj ophefmakend. Solzjenitsyn schreef de roman op twee maanden tijd. Later heeft hij het onderwerp van de strafkampen opnieuw opgenomen in zijn befaamde drieluik, de Goelag Archipel.
Mijn Irish Coffee was al uren binnen, de laatste houtblok in de haard allang opgebrand toen ik de roman neerlegde en net als het hoofdpersonage Ivan Denisovitsj, bijgenaamd Choukhov, onder de wol kroop. Een dag lang was ik Choukhov geweest. Van vijf uur 's morgens wanneer hamergeklop hem wakker maakt tot tien uur 's avonds wanneer hij weer onder zijn deken kruipt. Met een glimlach. Hij, maar ik ook. Want Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj is, ergens, een verhaal van hoop.

donderdag 19 november 2009

Crisis



'Beloof me dat je vandaag gaat lopen,' zei P. voor hij naar zijn werk ging. 'Je bent niet in vorm.'
Hij had geen ongelijk, de spirits waren niet bijzonder high. SAD kon het niet zijn. In deze contreien is het nog heel zonnig. Op onze eik, meer dan een eeuw oud en de trots van de tuin, zijn zelfs twee seizoenen te aanschouwen: op sommige takken verkleuren de blaadjes, op andere staan al nieuwe knoppen. Bovendien hebben we dit najaar ook madeliefjes op heel hoge stelen. Iemand in het dorp beweerde dat ze zelfs al tulpen in de tuin had. Het lijkt alsof de herfst een loopje met ons neemt. Maar bon, we wijken af.
Ik had gedacht dat ik eraan kon ontsnappen. Aan de put die komt na het schrijven van een roman. Eindelijk zou er weer tijd zijn. Voor journalistiek natuurlijk, maar ook voor sporten, deuren schilderen, musea bezoeken, boswandelingen maken en films bekijken. Tijd is er nu, maar wat doe ik? Ik zit aan mijn bureau. Te wachten.
Toen ik mijn manuscript twee weken geleden instuurde, was mijn agent laaiend enthousiast. Veertien uitgevers vroegen het aan. Of ik deze maand nog naar Amsterdam kon komen? Daarna bleef het stil. Vrijdag polste ik: twee uitgevers hebben afgewezen, twaalf lezen nog. Zoiets vraagt tijd. Natuurlijk.
De onzekerheid zou me niet besluipen als ik afleiding had gevonden in mijn werk. Maar de crisis treft ook de freelance journalistiek. Voorstellen worden gewikt en gewogen en redacties besteden minder opdrachten uit.

Toen P. was vertrokken en ik de kinderen naar school had gebracht (te voet: SAD-preventie), zond ik toch maar enkele voorstellen de wereld in. Daarna besloot ik om me op iets anders te focussen: de schoonmaak. Dat was niet alleen nodig (poetsen gebeurt zelden in dit huishouden), maar vooral: er is niets beters om de gedachten af te leiden. Dat weet ik van de monniken die ik vorige maand bezocht. Als de twijfel toeslaat, gaan zij schoenenpoetsen.
Ik zette Jamie's kikkererwtensoep met prei op het vuur, stopte de stomer vol groente voor een hutsepot, vulde de wasmachine en nam dan de dweil ter hand. Terwijl ik door het huis vloog, zelfs onder de bedden en tapijten, en bedacht dat ik P.'s raad opvolgde - dit was minstens even inspannend als joggen -, vroeg ik me af of een baantje in de supermarkt interessant materiaal zou opleveren voor een volgende roman. Toch maar even googelen. Kassiersters worden vaker opgevoerd, zo blijkt. Zoals in Les tribulations d'une cassière van Anna Sam, in 2008 verschenen bij Stock. Anna Sam, 29 jaar, zat zelf jarenlang achter de kassa. Na de uren liet ze haar frustraties de vrije loop in haar blog. Een uitgever bood Sam een royale som om haar ervaringen in een boek te gieten. Van La tribulations d'une caissière werden alleen in Frankrijk meer dan 100,000 exemplaren verkocht. Het is in tien talen vertaald (ook in het Nederlands: De kassière), de filmrechten zijn verkocht, een musical is in de maak en het boek is in stripvorm verschenen.
Mijn geluk zal ik elders moeten zoeken. Maar inspirerend is het wel, schoonmaken.

woensdag 18 november 2009

Dialogen



Hij: Kijk op het plan, we kunnen niet de hele nacht rondjes blijven rijden.
Zij: Ik denk niet dat we rondjes rijden, ik vind de goede straat gewoon niet.
Hij: Kijk op het plan.
Zij: Ik kan er niet bij met mijn veiligheidsriem aan.
Hij: Maak de riem dan los.
Zij: Ik zie niet genoeg, mag het licht aan?
Hij: Nee, dat stoort. Bovendien denk ik dat de lamp aan jouw kant kapot is.
Zij: 't Is niets, als je onder een lantaarn staat, kan ik goed zien. Trager! Trager.
Hij: Goed zo?
Zij: Wacht. Maar ik vraag me af, is het in het elfde of twaalfde arrondissement?
Hij: Het elfde.
Zij: Het twaalfde. Ik had gelijk. M9. Voilà, ik heb het gevonden, we zijn vlakbij. Maar het is in de andere richting, we moeten de toer doen en de straat beneden oprijden.
Hij: Ik parkeer hier, we gaan te voet.
Zij: Het regent!
Hij: Ok, ok, ik doe de toer, maar als we verloren rijden, dan is het niet mijn schuld.

Toen Conversations conjugales van Danièle Sallenave vorige zaterdag op mijn nachtkastje landde, moesten Harry Mulisch (Het stenen bruidsbed) en Alexander Soljenitsyne (Une journée d'Ivan Denissovitch) wijken. Conversations conjugales is niet alleen lekker kort (76 p.), maar ook vol afwisseling en makkelijk verteerbaar. Sallenave serveert ons dialoogjes tussen een man en een vrouw. Aan tafel, in bed of in de auto. Soms gaat het over futiliteiten, zoals de kwaliteit van de boter, soms over delicatere onderwerpen.
Het is niet makkelijk, dialogen schrijven, neemt u dat maar van me aan. Sallenave doet het meesterlijk. Ze laat man en vrouw maar babbelen, maar wij vragen ons af: zijn al die woorden geen ruis om hun onbehagen te verbergen?

dinsdag 17 november 2009

In tijden van SAD



Mijn vriendin S. zuchtte. 'Ik ben al een paar dagen een beetje down.'
'Is het dat extra jaar dan?' Ik belde om haar te feliciteren met haar verjaardag.
'Dat zal er wel iets mee te maken hebben,' zei S.
Een paar weken daarvoor was het mijn beurt geweest. Het doet me niets, had ik aan iedereen verkondigd. Tot ik bij de verjaardagsmail dit bericht las: "Proficiat met je zevenendertigste!" Toen ik het getal zwart op wit op het scherm zag, kroop een rilling over mijn rug. Het zou verboden moeten zijn, leeftijden vernoemen bij verjaardagswensen aan mensen ouder dan 35.
'Weet je,' zei S., 'ik heb zo'n gevoel alsof mijn leven nu vaststaat, dat het de volgende decennia niet meer verandert.'
'Misschien heb je een hobby nodig,' opperde ik. 'Fotografie, zumba, ik zeg maar wat.'
'Wanneer zou ik dat doen? Ik heb het zo al druk genoeg.'
'Als je écht wil, kan je de routine doorbreken. Het is mogelijk. Alles is mogelijk. Verkoop je huis, verhuis naar de Provence en open een Bed&Breakfast.'
Ik had een punt; S. is een van de grootste Provence-liefhebbers die ik ken.
'De Provence, akkoord, maar een B&B, da's niets voor mij,' zei S. 'De job die ik hier heb, doe ik heel graag.'
'Maar verhuizen kan wel,' zei ik. 'Dat houd ik me toch altijd voor. Alles kan.'
'Inderdaad,' zei S. 'Maar het zou misschien niets voor mij zijn... Eigenlijk ben ik niet slecht af. Het ligt vast aan het vallen van het blad. Als het winter wordt, ga ik altijd piekeren.'

Wie heeft er nooit last van? SAD of Seasonal Affective Disorder. Winterblues. Mensen die werken in kantoorgebouwen met weinig ramen kunnen er zelfs het hele jaar aan lijden. Dagelijks een uur wandelen helpt, maar dat is niet voor iedereen haalbaar. Een alternatief is een lekker boek. Zoals Een jaar in de Provence van Peter Mayle. Ik hoor u denken: een boek over een buitenlander die zich settelt in Zuid-Frankrijk? Daarvan zijn er dertien in een dozijn! Dat dacht ik ook. Maar toen de persverantwoordelijke van het Comité Regional de Tourisme van Marseille er ook over begon, werd ik toch nieuwsgierig. Peter Mayle had een goede job in de reclame in Londen. In 1988 liet hij alles zitten en verhuisde hij met zijn vrouw naar een dorp in de Lubéron (en wel Ménerbes, al wordt dit niet in het boek vermeld). Mayle kocht een 18de-eeuwse mas en ondernam renovatiewerken. In zijn boek vertelt hij over zijn eerste jaar ter plaatse: de gekmakende mistral, de betogen van zijn loodgieter Monsieur Menicucci, de geheimen van de Provençaalse keuken. Ik las het vorige winter. In één ruk. Het is goed geschreven, bij momenten erg grappig én het werkt onthemend. Misschien een mooi verjaardagsgeschenk voor S.?

maandag 16 november 2009

Een pleidooi voor niet-lezen



Zelfs mensen die geen interesse hebben voor boeken, zullen niet ontkennen dat enige literatuurkennis mooi meegenomen is. Het helpt niet alleen om de eigen drijfveren beter te duiden, maar is ook nuttig naar de buitenwereld toe: in een wachtrij kan men er de medemens mee vermaken, op een receptie is het ideaal om omstaanders te imponeren en op het perron kan men er studenten mee verleiden.
Doch. Niet iedereen heeft moed, zin of tijd om turven zoals Ulysses, Honderd jaar eenzaamheid of La recherche du temps perdu te doorploegen. Het goede nieuws is dat dit ook niet hoeft, zegt Pierre Bayard, psychanalyst en literatuurdocent aan Université de Paris VIII. Om goed te spreken over een boek sla je het beter niet open, stelt hij, en de boeiendste gesprekken heb je met iemand die het ook niet gelezen heeft.

Pierre Bayard heeft er een boek over geschreven: Comment parler des livres que l'on n'a pas lus?, in het Nederlands verschenen als Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen?
Er zijn vier categoriën boeken, stelt hij: de boeken die we niet kennen, de boeken die we hebben doorbladerd, de boeken waarover we iets hebben gehoord en de boeken die we zijn vergeten - significant zijn de afwezige categorieën: de boeken die we niet hebben gelezen, de boeken die we hebben heeft gelezen.
Aan elke categorie wijdt hij een hoofdstuk. Laten we even dieper ingaan op de eerste en grootste categorie. Niet-lezen kan op een actieve manier, zegt Bayard. Het zou zelfs onderwezen moeten worden.
Hij haalt het voorbeeld aan van de bibliothecaris in De man zonder eigenschappen van Robert Musil, die meer dan drie miljoen boeken beheert. Op een dag komt er een generaal op bezoek. De aanblik van al die boeken overdondert de generaal. Hij voelt de aandrang om controle uit te oefenen. Daarom berekent hij hoeveel tijd hij nodig heeft om alle boeken te lezen aan een ritme van één boek per dag. De klus zou tienduizend jaar vergen.
"Mijn generaal!" roept de bibliothecaris. "Wilt u weten hoe ik het doe om al mijn boeken te kennen? Niets houdt me tegen u dit toe te vertrouwen: ik lees er geen enkel!"
Door alleen de titel en de inhoudstafel te bekijken vat de bibliothecaris de essentie van het boek en kan hij zich oriënteren in zijn bibliotheek.

In het tweede deel beschrijft Bayard situaties waarin we soms verplicht zijn te spreken over boeken die we niet hebben gelezen: in het mondaine leven, bij een geliefde, oog in oog met een docent of - nog erger - met de schrijver zelf; in het derde en laatste deel verklapt hij hoe we ons op elegante wijze uit zo'n situatie kunnen redden.
Bayard staaft zijn argumenten met voorbeelden uit de wereldliteratuur, van Paul Valéry en Montaigne tot Graham Greene. Toen ik het boek uit had, nam ik de auto en reed naar de bibliotheek. Bayard heeft het misschien niet zo bedoeld, maar Hoe te praten over boeken die je niet gelezen hebt? nodigt meer dan om het even welk ander boek uit om aan het lezen te gaan.

vrijdag 13 november 2009

Chocolade met Giordano



Onlangs waren P. en ik voor enkele dagen in Turijn. Dit is niet alleen de stad van Fiat en van het grootste Egyptisch museum buiten Egypte, ooit de hoofdstad van het groothertogdom van Savoye en van het koninkrijk Piëmont-Sardinië, maar ook de stad van Paolo Giordano, de schrijver van De eenzaamheid van de priemgetallen.
Wereldwijd is De eenzaamheid van de priemgetallen waarschijnlijk een van de meest succesvolle debuten van het afgelopen jaar. In Italië alleen al werden er meer dan een miljoen exemplaren van verkocht, het is in 22 talen verschenen en wordt dit jaar ook verfilmd. Toen de roman verscheen, was Paolo Giordano amper zesentwintig en werkte hij aan een doktoraat in de natuurkunde. Hij kreeg de grootste literaire prijs van Italië, de Premio Strega (die bestaat sedert 1947), en werd de jongste winnaar ooit.

De eenzaamheid van de priemgetallen is het verhaal van de vriendschap tussen Alice Della Rocca en Mattia Balossino. Toen Alice zeven was, had ze een ski-ongeval waar ze een mank been aan heeft overgehouden. Mattia liet zijn zwakbegaafde tweelingzusje onderweg naar een verjaardagsfeestje achter op een bank in het park, waarna zij nooit is teruggevonden. De levens van Alice en Mattia zijn getekend door hun jeugdtrauma: zij heeft anorexia, hij doet aan zelfverminking. Als tieners komen ze op dezelfde school terecht. Ze voelen zich met elkaar verbonden, maar hebben moeite om echt contact te krijgen - met de gevleugelde woorden van Giordano: "Mattia dacht dat Alice en hij zo waren, twee tweelingpriemgetallen, alleen en verloren, vlakbij elkaar, maar niet dicht genoeg om elkaar te raken."
Mattia die - net als Giordano - doktoreert in de fysica, benadert de werkelijkheid vanuit een natuurkundig standpunt. Zijn geruisloze bewegingen linkt hij aan de chaostheorie; als hij op een feestje zijn glas met cola vult, berekent hij de oppervlaktespanning; als hij in de striemende regen met zijn vader in de auto zit, legt hij uit waarom de regen schuin lijkt te vallen. Giordano is erin geslaagd de eenzaamheid van zijn personages haast tastbaar te maken.

We waren dus in Turijn, P. en ik. Turijn is ook de stad van de chocolade. De beste plekken om die te proeven zijn de historische cafés rond Piazza Castello. Terwijl we onder de eindeloze arcaden flaneerden op zoek naar het mooiste café, hield ik de voorbijgangers in het oog. Ik herkende Giordano's look wel in menig mannelijke passant (mannen, wil u de trend voor zijn, opteer dan voor een baard), maar hemzelf zag ik niet. P. en ik strandden in Cafe Mulassano. Terwijl ik van de hete chocolade nipte, vroeg ik me af of Giordano hier soms kwam, misschien zelfs een bladzijde heeft geschreven. Of heeft hij de roman uitgetikt aan de universiteit, had hij daar op zijn computer - onder X-Windows als het besturingssysteem op de departementen natuurkunde nog altijd hetzelfde is als tien jaar geleden - een geheim bureaublad openstaan dat hij aanklikte als de bottom-quarks hem teveel werden.

donderdag 12 november 2009

Primeur



Vrijdagnacht spendeerde ik met Arnon Grunberg. We waren te gast op een huwelijksfeest. Ik zat met Grunberg aan tafel. Een bescheiden, bijna verlegen man, zo bleek. Tussen ons ontspon zich een gesprek over schrijven. Ik vroeg hem of hij me voor deze blog de primeur wilde geven van zijn volgende titel. Die gaf hij me. Wilde hij ook iets over de roman vertellen? Natuurlijk.
Net toen hij van wal zou steken, weerklonk een vreemd geluid in de feestzaal. We draaiden ons hoofd in de richting waar het vandaan kwam. Er was niets bijzonders te zien. Daar was het weer. Zachte gezangen. Wat zou Grunberg ervan maken? Ik wendde me tot hem. Maar Grunberg was er niet meer. Ik lag in bed. Het was half acht en in de buurkamer was mijn tweejarig zoontje I. aan het zingen. Mamaaa! Ik wil eruit!

De enige verklaring die ik voor deze droom kan bedenken, is de jurk die ik de dag tevoren had gekocht in Nice. Voor het trouwfeest van mijn zus P. volgende maand. Wat Grunberg kwam doen, ontgaat me. Voor zover ik weet, is hij geen kennis van mijn zus of schoonbroer. En geheime fantasieën koester ik niet over hem, als u dat zou denken. Ik volg zijn blog, dat wel. Voor ik begin te lezen, kijk ik op de reiskaart waar de groene stip staat: New York, Dublin, Amsterdam, Băile Herculane, Podgorica, u kunt het zo gek niet bedenken of Grunberg is er wel geweest. Lezen over mijn reizende medemens doet me deugd. Daarom ook begin ik The Financial Times altijd achteraan, bij The Fast Lane, de column van Tyler Brûlé, die op een normale week zes vliegtuigen neemt.
Maar om terug te komen op Grunberg: ik had van bij het begin moeten weten dat het niet echt was. Grunberg haat huwelijksfeesten. Onder de douche probeerde ik me de titel van zijn roman te herinneren. Ik had alleen nog het vage idee dat het drie woorden waren waarvan één "van" was.
Omdat ik u niets wil wijsmaken, heb ik de proef op de som genomen. De assistent van Grunberg mailde me terug:

De titel van Arnon Grunbergs nieuwe roman zal vier woorden tellen.

Voilà, bij deze hebt u de primeur.

woensdag 11 november 2009

Monsieur Séguin



Laatst waren I. en E. aan het spelen in hun kamer. Ze hadden de duploblokken over de vloer verspreid en daarboven de manden met autootjes en dieren uitgekieperd. Ik kon hen tot in de woonkamer horen.
'Vroem vroem,' zei I. 'De moto gaat zeer rap.'
'Wie is erop?' vroeg E. 'Wie is die meneer?'
Het bleef even stil. 'Da's monsieur Séguin!' riep I.

Denkt u nu niet dat monsieur Séguin onze buurman is. Het had gekund, dat wel. Monsieur Gilbert, die afhankelijk van de gelegenheid zwarte pieren, processierupsen, slangen of ijsjes door de ijzerdraad heen wurmt, krijgt ook vaak een rol in hun spel.
Monsieur Séguin is het hoofdpersonage van een verhaal van Alphonse Daudet, uit de bundel Lettres de mon Moulin. De bundel werd precies 140 jaar geleden gepubliceerd. Na zes jaar voorlezen is La Chèvre de monsieur Séguin nog altijd een succesnummer in dit huishouden. Het is het verhaal van een boer in de Provence die op een mooie dag een jong geitje koopt, Blanquette. Het dier lijkt gelukkig in de weide, anders dan de vorige zes geiten die naar de bergen zijn ontsnapt, waar de wolf hen heeft opgegeten. Edoch, na een tijd wordt haar melk schaars en trekt ze de hele dag aan haar touw, vol verlangen naar de vrijheid van de bergen. Monsieur Séguin sluit haar op in de stal, maar ze ontsnapt door het raam. Na een dag vol vertier valt de avond. Naast de bel van monsieur Séguin weerklinkt ook gehuil. Het struikgewas ritselt, daar is de wolf. Hij grijnst bij het vooruitzicht van het smakelijke maal.

In het begin en op het eind van het verhaal spreekt Daudet een zekere Gringoire aan. Ik wist nooit goed wat ik met die Gringoire aan moest. Tot ik onlangs mocht vernemen dat Daudet dit verhaal schreef voor zijn vriend Pierre Gringoire, een Parijse dichter. Gringoire werkte als columnist voor de krant, maar was daar niet tevreden mee. Hij droomde van een leven waarin hij enkel en alleen zou kunnen dichten. "Tu verras ce que l'on gagne à vouloir être libre" zegt Daudet in het begin van het verhaal aan zijn vriend.
Deze moraal bespaar ik de kinderen nog. Zij hebben voorlopig niets méér nodig dan het geitje, de wolf en monsieur Séguin. Een monsieur Séguin die op zeer rappe moto's rijdt.

dinsdag 10 november 2009

Twee levens in de Lichtstad



In onze impasse waar na acht uur 's avonds alleen het occasionele kattengehuil nog de stilte verstoort, is het leven in de grootstad met zijn lichtreclames, theater, foto-exposities, kunstgalerijen, modeshows, koffiebars, vintage-boetieken en internationale boekhandels een ver-van-ons-bed-show. De enige lichtreclame in het dorp is die van de Bar du Clos; het verkeer beperkt zich tot renaults en peugeots in alle staten van ontbinding - akkoord, heel soms passeert er een limousine, bijvoorbeeld als Rod Stewart met vrouw, zoon en leger lijfwachten iets komt drinken op de Place (jawel, uw dienaar nuttigde die dag toevallig een grand crème aan een buurtafel); als mij de drang overvalt een boek te kopen, kan ik terecht in onze presse-tabac waar er behalve een keur aan receptenboeken en thrillers over paddestoelenjachten ook wel eens een Goncourt-winnaar wordt geëtaleerd, als ik geluk heb.

In zo'n omgeving, begrijpt u, wordt wel eens naar de grootstad verlangd.
Het was dan ook met veel goesting dat ik Les heures souterraines van Delphine de Vigan ter hand nam, een roman die zich afspeelt in de Lichtstad en overigens ook genomineerd werd voor de Prix Goncourt - nee, ik kocht het boek niet onze presse-tabac.
Thibault, een dokter bij SOS Médecins, heeft net zijn vriendinnetje Lila buitengebonjourd omdat hij vermoedt dat zij niet van hem houdt. Mathilde, een weduwe met drie kinderen, bekleedt al acht jaar een hoge functie in een cosmeticabedrijf, maar wordt sedert negen maanden door haar baas gepest. We volgen beide personages op één dag, 20 mei. Een waarzegster heeft Mathilde voorspeld dat haar leven dan zal veranderen. Terwijl Thibault zich van de ene naar de andere urgentie spoedt en ondertussen angstvallig zijn mobieltje in het oog houdt in afwachting van een bericht van Lila, volgen we Mathilde op de metro en de RER naar haar kantoor.
De verhaallijnen scheren soms rakelings naast elkaar heen, bijvoorbeeld als Mathilde op de metro een vrouw bijstaat die een toeval krijgt en Thibault wordt opgebiept om die vrouw te onderzoeken. Meer dan wat ook voelen we de eenzaamheid van de personages. Thibault en Mathilde zijn allebei de geestelijke uitputting nabij. Toch is er ook verwachting, hoop op verandering. Zal Lila Thibault bellen en hem haar liefde declareren? Zal Mathilde naar een andere afdeling in het bedrijf verplaatst worden? Of, misschien, zullen Thibault en Mathilde elkaar ontmoeten, elkaar vinden?
Dat laat ik u zelf ontdekken. Ik las het boek in de zetel voor het haardvuur in onze stille straat. En besefte dat het goed is om af en toe een bezoek aan de grootstad te brengen, maar afgezien daarvan? Laat het maar een ver-van-mijn-bed-show blijven
.

maandag 9 november 2009

Een monument



Deze dagen regent het in mijn contreien literaire prijzen. Vorige week ging de Prix Goncourt naar Marie NDiaye (Trois femmes puissantes), de Prix Renaudot naar Frédéric Beigbeder (Un roman français), de Prix Médicis naar Dany Laferrière (L'Enigme du retour) en vandaag zullen we weten welke auteur de Prix Femina ontvangt.
In het hoge noorden zijn de Gouden Uil en de Libris Literatuurprijs al toebedeeld. De AKO-Literatuurprijs blijft nog over. Op de shortlist, pardon "toplijst" heet dat nu officieel, prijken Lelystad (Joris van Casteren), Alles nieuw (Joke Van Leeuwen), Godenslaap (Erwin Mortier), De terugkeer van Lupe Garcia (Carolina Trujillo), Via Capello 23 (Christiaan Weijts) en Caesarion (Tommy Wieringa). Morgen valt het oordeel.

Ik heb maar een van de zes kanshebbers gelezen. Het is een atypisch boek. Niet eigentijds. Niet snel. Geen korte zinnetjes. Geen vermakelijk toontje. De verteller is een hoogbejaarde vrouw. Vanuit haar bed blikt ze terug op haar leven. Helena stamt uit de oude bourgeoisie. Haar vader was een welstellende handelaar, haar moeder een mooie Waalse. Al haar naasten zijn allang gestorven; ze heeft alleen nog Rachida, de trouwe Marokkaanse verzorgster. Terwijl Rachida zich bekommert om het huishouden, schrijft Helena in kleine aantekenboekjes haar herinneringen neer aan de Eerste Wereldoorlog. Ze woonde toen met haar moeder en broer op een landgoed in Frankrijk. In die jaren, terwijl de oorlog in al zijn verschrikkingen woedde, leerde Helena de liefde van haar leven kennen.

Toen ik Godenslaap van Erwin Mortier las, dit voorjaar, was het ongeloof me soms nabij. Godenslaap is niet zomaar een boek, maar een monument: het is geschiedsschrijving, poëzie én verhalend proza van het allerhoogste niveau. Als er in ons taalgebied een schrijver is die excelleert in l'art du mot juste, dan is het wel Erwin Mortier. Altijd weet hij precies dat ene goede woord op te dissen, dat volmaakte beeld te creëren. Als geen ander kan hij het ongezegde in woorden vatten. Een boek van dit kaliber verschijnt zelden in ons taalgebied. Jawel, zelfs zonder de mededingers te hebben gelezen, weet ik het wel: Godenslaap verdient de AKO Literatuurprijs.

maandag 2 november 2009

Indian summer



Deze week verlaat ik de boekenwereld even om me te bekommeren om de realiteit. Die ziet er zo uit:


Wie de aandrang voelt om van de Indian summer aan de Côte d'Azur te komen genieten (jawel, deze foto dateert van 29 oktober) en graag een hapje geschiedenis tot zich neemt, kan ik de boekwerken van Raoul Mille aanraden. Deze ex-journalist van Nice-Matin, wiens hand ik overigens onlangs mocht schudden in Mouans-Sartoux, heeft uren doorgebracht in de stoffige archieven van Nice en Cannes. De sappige anekdotes die hieruit mochten resulteren, heeft hij gebundeld in de reeks Ma Riviera. U leest er over Auguste Escoffier en het ware verhaal van de Pêche Melba - de kok van de koningen en de koning van de koks werd namelijk geboren in Villeneuve-Loubet en daar is zijn geboortehuis vandaag te bezichtigen - over Francis en Zelda Scott Fitzgerald en les années folles op Cap d'Antibes, over het romaneske leven van Louis-Raphaël Bischoffsheim die het observatorium van Nice liet bouwen waarvan de koepel een ontwerp is van Gustave Eiffel, over de tragische dood van de danseres Isadora Duncan op de Promenade des Anglais, en zo zou ik nog enkele bladzijden kunnen doorgaan, als mijn drie realiteiten niet om aandacht zouden schreeuwen.
Tot binnenkort!

vrijdag 30 oktober 2009

Auteursrechten



Toen ik P. mocht aankondigen dat mijn manuscript zijn definitieve versie had bereikt, waren zijn enige woorden: 'Dat betekent dus 5000 euro op onze rekening volgende maand?'
Ik bleef woordeloos staan, mijn 115 bladzijden tegen de borst gedrukt. Dat P. niet gespeend is van enig sarcasme weet ik allang. Maar toch.
'Hoeveel procent was dat weer, die auteursrechten?' vroeg P.
'Tien procent.'
Bij boeken zoals de Milleniumtrilogie van Stieg Larsson, die zelfs in de enige krantenwinkel van het godverlaten Spaanse gehucht Villadrau in de etalage staan, loopt het salaris van een auteur al snel in de miljoenen euro's op, maar in de meeste gevallen is een schrijverssalaris ontluisterend laag. Ik heb de Milleniumtrilogie overigens nog altijd niet gelezen. Ofwel wordt het een grote ontgoocheling, ofwel vergaat me hetzelfde lot als P. en wil ik drie dagen niets anders meer doen, wat rampzalige gevolgen heeft in een huishouden met kleine kinderen. Mijn vriendin V. kan hiervan meespreken. Zij heeft uren op het toilet gelezen, terwijl manlief zich om de kroost bekommerde en af en toe ongerust kwam vragen hoe haar buikkrampen evolueerden.
'Dat betekent dus 2 euro per boek als je boek aan 20 euro wordt verkocht,' zei P.
'Twintig euro? Zeg maar 15 euro.' Kwestie van redelijk te blijven.
'Oké, 1,5 euro per boek dat je verkoopt.' Hij krabde in zijn haar. 'Met drieduizend boeken heb je nog niet eens 5000 euro!'
Gelooft u nu niet dat P. zo materialistisch is ingesteld, maar hij is een nuchtere geest, dat wel.
'Drieduizend boeken... eerlijk gezegd hoop ik op vijfduizend.'
Ik moet erin geloven, anders kom ik nergens.
P. keek me met een twijfelachtige blik aan. 'Zou je niet beter 1,5 euro vragen aan je vrienden en familie? Dan geraak je er misschien ook...'
Dat het er mij om gaat de lezers bij de lurven te grijpen, hen even te doen stilstaan in de ratrace, een lach en (zeer onwaarschijnlijk) een traan los te weken, en misschien een enkeling een andere kijk te bezorgen, verzweeg ik maar.

's Anderendaags kreeg ik een postpak in de bus. Van Uitgeverij Augustus, naar wie ik mijn manuscript een jaar geleden heb gestuurd: "Hierbij zenden wij uw manuscript retour. Helaas heeft het ons niet in die mate aangesproken dat wij uitgave bij Augustus overwegen."
Zoiets brengt een mens wel weer met de voeten op de grond, gelooft u me maar.
In het slechtste geval kan ik de pdf-versie online verkopen. Voor 1,5 euro.

donderdag 29 oktober 2009

Villa Rothschild



Vorige week vond in ons huishouden behalve dit nog een gedenkwaardig evenement plaats. De roman die precies vijf jaar geleden in mijn hoofd ontkiemde, twee jaar geleden op schrift werd gesteld en sedert één jaar aan schaafwerk is onderworpen, rolde uit de printer. Dat moest ik in stijl fêteren. Nalezen op de groezelige salonsofa was uitgesloten. Een bezoek aan mijn kantoor diende zich dus aan.

Een schrijver heeft een kantoor nodig, begrijpt u, en een woonkamerkantoor hoort niet tot de opties. Het is een van de vele zaken die ik opgestoken heb na lezing van Bestseller van Paul Sebes, hét boek voor auteurs-in-spe.
Dit kantoor bevindt zich in Cannes en wel in de Villa Rothschild, het kroonjuweel van de stad van de zevende kunst. De villa werd gebouwd in het begin van Cannes' gloriedagen, na de passage van Lord Brougham. Brougham, een Brits parlementslid, was in 1834 met zijn dochter op weg naar Genua. Hij deed Cannes aan voor een overnachting, maar de bouillabaisse, de wijn en de warme decemberzon smaakten hem zo dat hij zijn vakantieplannen in Italië liet varen. Hij ging op zoek naar een geschikt terrein voor een buitenverblijf. Niet veel later kende Cannes haar eerste villa, Villa Eléonore, genoemd naar Broughams lieftallige dochter. Toen Broughams vrienden over Cannes hoorden, kwamen ze en masse over. Belle Epoque villa rezen als champignons uit de grond. Villa Rothschild dateert van 1881 en werd gebouwd voor de barones James de Rothschild. Aan de overkant van de straat, avenue Jean de Noailles, ligt misschien wel het meest opvallende bouwwerk van Cannes, namelijk het negentorenige Château Vallombrosa, een neogotisch Schots kasteel. In de tweede helft van de negentiende eeuw huisde hier de hertog van Vallombrosa, de motor van het mondaine leven van de Côte d'Azur. Ik zal u de verdere details besparen, maar als u interesse hebt, kunt u alles hier nalezen.

Villa Rothschild is niet van mij. Ik huur er niet eens een kamertje. De villa behoort toe aan de stad Cannes en huisvest de stedelijke bibliotheek. In de leeszaal, onder de zeven meter hoge, met uitheemse fresken beschilderde plafonds installeerde ik me met mijn stapel papier. Ik kan u alvast onthullen dat dit 115 bladzijden waren. Op de rekken rond me zag ik mijn roman al prijken. Mocht het een bestseller worden.