Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

zaterdag 13 december 2014

'Ik wilde niet eindigen als mijn vader'

Zijn personages zijn goor en soms zo pervers dat je adem ervan stokt, maar toch moét je doorlezen. De Amerikaan Donald Ray Pollock maakte zijn debuut toen hij 54 was, nadat hij 32 jaar in een papierfabriek had gewerkt. ‘Ik heb heel veel geluk gehad.’ 

‘Sinds mijn debuut ben ik zes keer in Frankrijk uitgenodigd, maar het is mijn eerste bezoek aan België’, zegt Donald Ray Pollock. We zitten aan een tafeltje in de bovenzaal van de Gentse Vooruit. Met zijn tenger en klein figuur, kort geknipt grijs haar, brilletje en klassieke trui en broek oogt de Amerikaan keurig en onopvallend. Als je hem op straat zag, zou je niet vermoeden dat hij een drugs- en alcoholverleden heeft. Of dat hij tweeëndertig jaar lang afstompend werk heeft verricht in een fabriek. Of dat hij een rijzende ster is in Amerika en Frankrijk.

Barbaars 


Onze zuiderburen ontdekten Pollock in 2010, toen Buchet-Chastel de verhalenbundel Knockemstiff publiceerde, genoemd naar het gehucht in Ohio waar de schrijver opgroeide. Het boek kreeg lovende kritieken, maar de doorbraak kwam pas toen Al die tijd de duivel in 2012 bij Albin Michel verscheen. De roman, die zich deels ook afspeelt in Pollocks geboorteplaats, werd door het magazine Lire uitgeroepen tot beste boek van het jaar. 
“In 1957 woonden er ongeveer vierhonderd mensen in Knockemstiff, bijna allemaal aan elkaar verwant door een of andere godvergeten calamiteit, hetzij lust, noodzaak of gewoon onwetendheid”, lezen we in de proloog van de roman. 
In die besloten, vergiftigde gemeenschap groeit de zachtmoedige Arvin Eugene Russell op. Vader Willard is getraumatiseerd door de oorlog en sindsdien sluimert de waanzin in hem. Wanneer zijn vrouw Charlotte kanker krijgt, slaan zijn stoppen door. Hij verplicht Arvin in het bos dieren te offeren en nachtenlang te bidden. Tevergeefs. Charlotte sterft, Willard pleegt zelfmoord en Arvin zal onherroepelijk beschadigd blijken.

Naast de jongen volgen we in Al die tijd de duivel ook een aantal randfiguren. Pollock is ijzersterk in het introduceren van zijn personages. Elk aspect dat hij beschrijft suggereert iets over hun karakter. Geleidelijk aan krijgen zijn zinnen een verontrustende bijklank tot hij een bom dropt en we een gruwelijke waarheid inzien: de één is een seriemoordenaar, de ander is een pedofiel, nog iemand anders blijkt een huurmoordenaar. 
De personages van Knockemstiff zijn niet minder barbaars. Ze zijn verslingerd aan drank, drugs of pillen (het liefst alles samen), broeden op morbide plannen en hebben geregeld driftbuien. 
Deprimerend? Ja, maar ook verslavend. Pollocks proza druipt van de humaniteit en humor loert steeds om de hoek. Was het leven in Knockemstiff werkelijk zo erg als hij beschrijft? 
‘Ik heb het slechte aangedikt en het goede weggelaten’, zegt Pollock. ‘Het was sowieso een heftige plek om op te groeien. Geweld was niet weg te denken uit Knockemstiff. Wijd en zijd stond het bekend om zijn vechtpartijen. Ik zag mijn eerste bloedvergieten toen ik zes was. Mijn moeder had me uitgestuurd om brood te kopen. Terwijl ik mijn munten uittelde, kwam een vrouw binnengestormd. Het bloed droop van haar gezicht. Ze vroeg de winkelier de sheriff te bellen. Haar man had met een mes naar haar neus uitgehaald. Het beeld van die winkeldeur die openzwaait en die bloederige vrouw die verschijnt zal ik nooit vergeten.’ 

Een ander leven 

In Pollocks werk zijn gewelddadige vaderfiguren gemeengoed. Zijn eigen vader was ook geen doetje. ‘Mijn vader heeft een opvliegend karakter en is beresterk’, zegt hij aarzelend. ‘Ik lijk meer op mijn moeder. Zij is klein van gestalte en kalm.’ 
Pollock was een verlegen kind. Lezen deed hij amper omdat er thuis geen boeken waren. Op school ging hij weleens naar de bibliotheek, maar met een boek op straat lopen durfde hij niet. Zijn vader had een goede baan bij de papierfabriek in het nabije stadje Chillicothe en thuis hadden ze het beter dan in de meeste andere gezinnen. 
In Knockemstiff liepen veel “wino’s” rond, vertelt hij. ‘Wino’s zijn mannen die verslaafd zijn aan goedkope wijn. Er waren drie winkels, een bar en een kerk. Het gehucht lag in een vallei en er leidde maar één weg naartoe. Zodra je in de vallei kwam, had je het gevoel een kleine, insulaire gemeenschap te betreden. De meeste bewoners gingen maar een of twee keer per jaar naar de stad.’
De vallei verlaten is een droom die bij veel personages van Knockemstiff terugkeert. In het verhaal Schott’s Bridge fantaseert de jonge Todd over een toekomst in de vastgoedhandel of in een bankfiliaal. Als hij van zijn grootmoeder een aardige som geld erft, wordt weggaan mogelijk. “Hij had onmiddellijk nadat zij hem het geld en de sleutels had overhandigd naar de stad moeten vertrekken, maar Todd kwam erachter dat hij bang was om de vallei te verlaten, ook al was het leven er slecht”, schrijft Pollock. Met een vriend zet Todd een handeltje in pillen op, maar dat loopt faliekant af. 
‘Als kind wilde ik maar één ding: uit Knockemstiff ontsnappen. Ver ben ik niet geraakt. Ik woon in Chillicothe, twintig kilometer verderop.’
In Begin ik opnieuw droomt de verteller ook van een nieuw leven, al is dat onrealistisch. Bernie Givens zit vastgeklonken aan een ongelukkig huwelijk, is ontslagen (nadat hij met zijn lunchtrommel de kaak van een collega heeft gebroken) en zijn zoon Jerry is na een slechte drugstrip verstandelijk gehandicapt. “Ik ben zesenvijftig jaar oud, moddervet en zit net zo vast in Ohio als de grijns op de reet van een dooie clown”, klinkt het. In de drive-in van de hamburgertent die Bernie met vrouw en zoon aandoet start hij opnieuw, maar op een volledig foute manier. 
‘Die dromen van een ander leven zijn gebaseerd op mijn persoonlijke ervaring’, vertelt Pollock. ‘Als kind wilde ik maar één ding: uit Knockemstiff ontsnappen. Ver ben ik niet geraakt. Ik woon in Chillicothe, twintig kilometer verderop. Op mijn zeventiende mocht ik van mijn vader van school. Toen ik een jaar later ook in de papierfabriek begon, ben ik uit Knockemstiff weggegaan. Het plan was enkele jaren te werken en dan iets anders te doen, professionele baseballspeler worden of zo. Maar voor ik het wist, was ik getrouwd, had ik allerlei rekeningen te betalen en zat ik vast.’ 
Daarbij kwam dat Pollock dan al zwaar verslaafd was. Op zijn twaalfde begon hij te knoeien met pillen, weed en drank en toen hij twintig was, had hij er dagelijks behoefte aan. ‘We waren dom genoeg om Bactine te inhaleren’, vertelt hij. ‘We sprayden het ontsmettingsmiddel in een broodzak die we over ons hoofd trokken. Daarna ga je gedurende enkele minuten hallucineren.’ 

Diploma  

In tegenstelling tot zijn personages kon Pollock wél een nieuw leven beginnen. Toen hij tweeëndertig was en voor de vierde keer in een ontwenningskliniek belandde, besloot hij de drank en de drugs voorgoed te laten en begon hij aan een studie Engelse literatuur aan Ohio State University, die voor drie vierde door de papierfabriek werd gefinancierd. Op zijn veertigste had hij zijn diploma op zak. 
Vijf jaar later nam hij de beslissing die zijn leven kompleet zou veranderen. ‘In die periode ging mijn vader op pensioen. Toen ik hem zijn dagen zag doorbrengen in zijn luie zetel, klikte er iets in mijn hoofd. Zo wilde ik niet eindigen. Ik had alleen ervaring met fabrieksarbeid, maar hoe moeilijk kon het zijn om een boek te schrijven?’ Pollock lacht hardop. ‘Ik was heel naïef.’ 
‘Ik tikte de verhalen over van auteurs die ik bewonderde. Ik kon een verhaal nog zo vaak lezen, maar het was pas nadat ik het had uitgetikt dat ik inzag hoe de auteur te werk ging.’
Om de kneepjes van het vak te leren legde hij zich een aparte methode op. ‘Ik tikte verhalen over van auteurs die ik bewonderde. Hemingway, Flannery O’Connor, John Cheever, Denis Johnson... Ik kon een verhaal nog zo vaak lezen, maar het was pas nadat ik het had uitgetikt dat ik inzag hoe de auteur te werk ging. Ik heb nooit een betere manier gevonden om te leren schrijven.’ 
Zijn eerste publicatie was het verhaal Bactine, geïnspireerd op zijn eigen drugsverleden en ook opgenomen in Knockemstiff. Hij stuurde het naar The Journal, het literair tijdschrift van Ohio State University. Daar waren de redacteuren zo enthousiast dat ze Pollock aanraadden zich voltijds op fictie toe te leggen. Na 32 jaar werken in de papierfabriek nam hij ontslag en begon hij een Master of Fine Arts in Creative Writing. In het eerste jaar vond hij al een uitgever. 
‘Kort nadat ik een verhaal had gepubliceerd in Third Coast, een klein magazine, kreeg ik mail van een literaire agent in New York City. Hij had het gelezen en mijn contactgegevens aan de universiteit opgevraagd. Toen ik vertelde dat ik een negental verhalen had liggen, vroeg hij of ik al een agent had. Ik zond hem mijn manuscript en een maand later was het verkocht aan uitgeverij Doubleday.’
Pollock kijkt me ernstig aan. ‘Geloof me, er zijn schrijvers die stukken beter zijn dan ik en die niet hebben wat ik nu heb. Ik heb ontzettend veel geluk gehad.’ 
Geluk speelde wellicht een rol, maar het is ook zo dat deze bescheiden, beminnelijke Amerikaan steengoed schrijft. Hij heeft een beeldende, elegante stijl, is suggestief en betoont zich virtuoos in het bespelen van ons inlevingsvermogen. De streken van zijn personages zijn soms zo afschuwelijk dat we naar adem happen, maar curieus genoeg hebben ze ondanks hun monsterlijkheid iets aandoenlijks. 

Tour de force

Pollock slaagt erin sympathie, of toch mededogen, op te wekken voor de grootste onverlaat. Een tour de force. Ik beken hem dat ik bij het lezen soms hardop moest lachen, om meteen daarna een stomp in de maag te voelen. 
Hij glimlacht. ‘In de fabriek werkte ik met mensen die over om het even wat konden grappen, hoe triest of ellendig het ook was. Van bij het begin wist ik dat er in mijn boek humor moest, anders schiet je je na afloop een kogel door het hoofd.’ 
Ik contesteer dat niet. Alleen dankzij z’n stijl en humor is de gruwel verteerbaar. Terwijl we opstaan en onze jassen aantrekken – Pollock heeft andere verplichtingen – zeg ik hem dat ik reuzenieuwsgierig ben naar het echte Knockemstiff. Dat is nu waarschijnlijk een literair bedevaartsoord? 
Mijn vraag stuit op een schaterlach. ‘Wie Knockemstiff niet kent, kan het niet vinden. Het bord met de plaatsnaam is enkele weken voor mijn verhalenbundel verscheen gestolen en het is nooit vervangen. De drie winkels en de bar zijn al lang gesloten. Wie mijn boeken wil, moet naar Chillicothe. De meeste bewoners bezitten een exemplaar van Knockemstiff, maar volgens mij hebben ze het niet gelezen.’ 
‘Mijn ouders, die nog in Knockemstiff wonen, lezen mijn boeken ook niet’, zegt hij als we afscheid nemen. ‘Lezen maakt geen deel uit van hun leven. In mijn vaders ogen zou ik het gemaakt hebben als ik een boerderij had gekocht, niet door boeken te schrijven.’ 

Knockemstiff. Vertaling: Vertaling Charles Bors, Mon Faber, Jona Hoek en Stefanie Liebreks. Karaat, 224 p.
Al die tijd de duivel. Vertaling: Mon Faber. Karaat, 320 p.
Dit interview verscheen op 10 december 2014 in De Morgen.

donderdag 27 november 2014

'Ik lees de boeken van mijn ouders niet'

Solomonica de Winter schrijft sinds ze acht is. Nu is ze zeventien en ligt haar debuut in de handel, Achter de regenboog, een duister verhaal met een boze tiener in de hoofdrol. Kind zijn van het befaamde schrijversduo Leon de Winter en Jessica Durlacher ervaart ze niet als een extra druk. ‘Ik wil niet dat mijn ouders zich bemoeien met wat ik doe.’ 

De taxi glijdt door de brede, boomrijke lanen van Bloemendaal. Gelegen op een half uurtje rijden van Amsterdam, staat deze gemeente bekend als het Brasschaat van Nederland. Het adres dat de uitgeverij me heeft gegeven ligt in een uithoek, niet ver van de duinen. ‘Een van de rustigste kwartieren van Bloemendaal’, licht de taxichauffeur toe. 
Voor een hoog vrijstaand huis met grote glaspartijen stap ik uit. In de keuken zie ik een portret van Solomonica de Winter staan, hetzelfde als op de omslag van haar roman. De man die aan de tafel op een laptop aan het tikken is, moet haar vader zijn, schrijver Leon de Winter. 
Vorige week heeft Solomonica een eerste interview gehad, vertelt hij terwijl hij me voorgaat naar het salon. Bij het raam poseert dochterlief voor de fotograaf. Met haar ruglange donkere haren, reeënogen en porseleinen huid is ze een opvallende verschijning. Ietwat verlegen komt ze me een hand geven. De attitude contrasteert met de pose die ze meteen weer aanneemt voor de lens – geconcentreerd, professioneel bijna. 

'Dochter van' 
Ik wacht in de aanpalende veranda. Hoge ramen bieden een panoramisch zicht op de tuin waar de herfst het gebladerte in okertinten kleurt. Binnen straalt alles gezelligheid uit, van de warmrode muur en de verweerde houten tafel tot de met fluweel beklede stoelen met vergulde randen. Het is haar moeder, Jessica Durlacher, die het huis heeft ingericht, zal Solomonica me toevertrouwen. In de gang hoor ik de Winter met de fotograaf overleggen, maar Durlacher zelf is nergens te bespeuren. Komen zij er straks bij zitten tijdens het interview? Het schrijversechtpaar waakt nauwlettend over de perscontacten van hun dochter. Je kan het hen niet kwalijk nemen. Solomonica – ‘Moon’ voor vrienden en familie – is pas zeventien en ze heeft het potentieel om een hype worden. 
Alles aan haar verhaal is bijzonder, van haar jonge leeftijd en haar afkomst tot haar roman zelf, die in het Engels is geschreven en eerst in het Duits is verschenen. Het lijkt wel een promotiestunt, opper ik als ze bij me zit. Vader de Winter komt vragen of we iets willen drinken, maar trekt zich dan terug. 
Solomonica lacht verontschuldigend. ‘Het is een samenloop van omstandigheden. Ik heb mijn boek in het Engels geschreven omdat we zo vaak in Amerika hebben gewoond. Nu wonen we weer in Nederland sinds 2011, maar in de zomer gaan we nog elk jaar een maand naar Amerika. Door de jaren heen is Engels mijn eerste taal geworden en Nederlands mijn tweede taal. Ik ga naar de Internationale school in Amsterdam waar ik les krijg in het Engels, ik lees alleen in het Engels en ik droom en ik denk in het Engels. Toen ik het boek af had, besloten mijn ouders en ik het eerst door een buitenlandse uitgever te laten lezen omdat we een neutrale blik wilden. In Nederland kent iedereen ons. Nederlanders hebben vaak vooroordelen. Hier ben ik direct “de dochter van”.’ 
De keuze viel op de Zwitserse uitgeverij Diogenes, die de titels van Solomonica’s ouders op de Duitstalige markt brengt. ‘De uitgever zag de kwaliteiten van het manuscript, maar hij wilde een onafhankelijke mening. Hij liet mijn boek aan vier adviseurs lezen zonder mijn naam en leeftijd te vermelden en een week later had hij vier enthousiaste reacties…’ 
De roman kreeg in Duitsland een lovende ontvangst. ‘Ongelofelijk cool, zuiver en stijlvast verteld’, schreef de Frankfurter Allgemeine Zeitung. 

Duistere kant 
Solomonica’s verteller, Blue McGregor, is een boos meisje van dertien. In het eerste deel van de roman richt Blue zich tot haar psychiater. Ze heeft twee mensen vermoord en beschrijft hoe het zover is gekomen. We vernemen dat haar moeder drugsverslaafd is en dat haar vader is neergeschoten terwijl hij een bankoverval pleegde. Blue was toen acht. De dag voor hij stierf gaf hij haar het boek The Wizard of Oz. Sindsdien heeft Blue geen woord meer gezegd. Het boek is haar vlucht, haar leven, haar alles. Ze draagt het overal met zich mee en vereenzelvigt zich met Dorothy, de protagonist. Dorothy’s wereld “achter de regenboog” is haar realiteit, en wat Blue dagelijks meemaakt, pesterijen op school, het verval van haar moeder, het gemis van haar vader, beschouwt ze als nachtmerries. 
Ze heeft het haar vader nooit vergeven dat hij zijn leven voor zijn gezin heeft gewaagd. Als ze op een dag ontdekt dat hij werd afgeperst door een maffiabaas, weet ze met haar woede geen blijf. Ze vat het plan op de man te vermoorden, maar terwijl haar haat toeneemt, bloeit ook een ander gevoel op. Ze wordt verliefd op de jongen aan de kassa van de buurtwinkel, die geobsedeerd is door de film The Wizard of Oz
Mijn ouders zeggen altijd "Schrijf over wat je weet, over wat je kent". Ik wil net het omgekeerde, ik vind het juist mooi om te schrijven over wat ik niet ken
Voor een kind van dertien heeft Blue een opvallend duistere kant. Overtuigend schetst Solomonica hoe het meisje verscheurd wordt door woede, verdriet en angst en hoe die negatieve gevoelens haar wereldbeeld bepalen. Aan haar dokter schrijft Blue: “Ik haat mensen. Met de stomme, lelijke ledematen die aan hun lijf bungelen, die rare neuzen die in de mafste soorten en maten uit hun gezicht tevoorschijn komen. De knokigheid van de knieën. De wriemelworstjes die aan onze voeten plakken, met de naam tenen.” 
Zoals de jonge schrijfster voor me zit, spontaan en enthousiast, kan ik me moeilijk voorstellen dat ze zelf ook zo’n schaduwkant heeft, of heb ik het verkeerd voor? 
Ze schudt haar hoofd en lacht weer. ‘Blue komt helemaal uit mijn verbeelding. Mijn ouders zeggen altijd "Schrijf over wat je weet, over wat je kent". Ik wil net het omgekeerde, ik vind het juist mooi om te schrijven over wat ik niet ken, bijvoorbeeld over een gestoord meisje zoals Blue. Iedereen heeft ergens iets duisters, maar bij Blue is het extreem. Haar een stem geven was een uitdaging. Ik moest me heel erg inleven.’ 
Ervaring had ze al. Verhalen verzinnen doet ze sinds ze een potlood kan vasthouden. ‘Schrijven zit bij me ingebakken, maar ik had het evengoed kunnen haten. Mijn broer is totaal niet met boeken bezig. Mijn ouders hebben me niet gestimuleerd. Ik houd me niet bezig met wat zij schrijven en ik lees hun boeken niet. Ik wil niet dat zij zich bemoeien met wat ik doe.’ 

Ritueel 
Toen Solomonica aan de roman begon, woonde ze pas weer in Nederland na drie jaar in Amerika. Ze was veertien – één jaar ouder dan Blue. Het was een lastige periode, biecht ze op. 
‘In Los Angeles was ik niet echt een goede dochter. Ik ging naar een public high school op vijf minuten van ons huis, waar ik slechte vrienden had uit slechte buurten. Ik spijbelde vaak. Het is moeilijk om in Los Angeles bij jezelf te blijven omdat het zo’n wilde, chaotische stad is. Je laat je makkelijk door iets of iemand meeslepen en dat heb je minder in een kabouterlandje zoals Nederland. Maar ik was daar heel gelukkig en toen we hier terugkeerden, was ik boos. Een beetje van mijn boosheid zit ook in Blue, maar bij haar is die sterk uitvergroot.’ 
Solomonica werkte twee jaar aan het boek en schreef zes versies. ‘Eerst ging het gewoon over een meisje dat met een verslaafde moeder leeft in een slechte buurt, maar geleidelijk aan heb ik elementen, scènes en karakters toegevoegd.’ 
Negen jaar schrijven en ontzettend veel lezen hebben haar gevormd. Kafka, Dostojevski, Kundera, Sylvia Plath en Jack Kerouac voeren het lijstje van haar favoriete auteurs aan. Als ze bij het schrijven in de knoop zit, laat ze haar tekst liever even liggen dan raad te vragen aan haar vader of moeder. Ze wil “alles zelf uitvogelen”. Dat betekent niet dat ze nooit met haar ouders over schrijven spreekt. Met haar vader had ze tijdens het schrijven van Achter de regenboog een soort ritueel. ‘Na elke versie gingen we samen aan tafel zitten en vroeg hij me over het boek, over scènes, personages. Hij gaf geen advies en begeleidde me niet, dat wilde ik ook niet. Hij stelde vragen om me uit te dagen en mijn creativiteit te stimuleren, een beetje zoals Socrates deed met zijn leerlingen.’ 
Het idee The Wizard of Oz in het boek te stoppen is zo ontstaan, vertelt ze. ‘Na de tweede versie gingen mijn vader en ik weer zitten en vroeg hij, Is er iets waar Blue heel erg van houdt? Toen keken we elkaar aan en begonnen we allebei spontaan te huilen. Ik zei: "The Wizard of Oz". Honderden keren had ik die film gezien en ik kreeg er nooit genoeg van. Daar dacht mijn vader natuurlijk ook aan. Ik wist dat Blue een lichtpuntje nodig had en The Wizard of Oz, het symbool voor onschuld, paste perfect. Het verhaal wordt haar realiteit, ze verdrinkt er bijna in.’ 

Een glas koud water in ons gezicht 
Achter de regenboog overstijgt de young adult-roman. Daarvoor is de karaktertekening van Blue te geraffineerd en de opbouw van het boek te ingenieus. Hoezeer Blue in haar verbeelding leeft, blijkt na 190 bladzijden, in het tweede deel van het boek. Het idee dat we ons hebben gevormd moeten we plots bijstellen. Het is alsof Solomonica een glas koud water in ons gezicht gooit: de wending komt onverwachts, maar is verfrissend. 
De jonge schrijfster houdt wel meer surprises voor ons in petto, inhoudelijk en ook stijlmatig. Voor een zestienjarige is ze opvallend ervaren. Ze schrijft filmisch en suggestief en gebruikt een mooie beeldspraak. Het verhaal telt enkele valse noten – Blue’s moeder is bijvoorbeeld een karikaturaal personage, de band tussen moeder en dochter mist diepgang en het slot van de roman lijkt vlug afgehaspeld – maar verder glinstert het boek van de belofte. Donderdag ligt het bij ons in de rekken. Hoe voelt Solomonica zich daar bij? 
Ze zoekt naar woorden. ‘Het is spannend en een beetje onwerkelijk dat vreemde mensen nu mijn boek gaan lezen. Misschien haten sommige mensen het... De slechte recensies wil ik liever niet lezen. Ik wil afstand houden. Ik moet me focussen op mijn schoolwerk. Dit is mijn laatste jaar middelbaar. Ik heb in februari voorexamens en in mei echte examens.’ Weet ze al wat ze volgend jaar gaat doen? Haar ogen lichten op. ‘Ik wil graag iets studeren in Amerika of in Israel. In ieder geval iets met literatuur. Schrijven is vanzelfsprekend voor me. Ik wil mijn hele leven verhalen creëren. Mooie dingen maken voor mensen, daar gaat het me om. Niet zo lang geleden ben ik iets nieuws begonnen. Net voor je kwam, heb ik een half uur geschreven. Het vordert trager dan vorige keer omdat ik meer schoolwerk heb, maar ik vind het nu al beter dan Achter de regenboog.’ 
Ze aarzelt even voor ze verdergaat: ‘De grote thema’s zijn haat, wraak en jaloezie, maar meer kan ik er niet over kwijt.’ 

Cool 
Het loopt intussen tegen zes uur. De tuin is aardedonker, de veranda een lichtbel in de nacht. Mijn tijd is verstreken. Solomonica vergezelt me naar de voordeur. In de keuken is haar vader aan het telefoneren. Hij onderbreekt zijn gesprek en vraagt of ik mijn tekst kan doorsturen, “zodat Solomonica kan corrigeren”. Ik denk aan zijn gesprek met de fotograaf daarnet. Na de fotosessie vroeg de Winter of hij de beelden bij het interview mocht kiezen. De fotograaf zei dat het ongebruikelijk was en vroeg wat hij belangrijk vond. ‘Dat Solomonica heel mooi is’, ving ik op. ‘Dat is ze natuurlijk, maar dat kan jij versterken.’ 
Vader de Winter weet hoe hij de media moet bespelen, maar voor Solomonica is de persaandacht nieuw. In de omgang is ze discreet en onbevangen zoals de meeste meisjes van zeventien. ‘Over schrijven praten doe ik zelden’, bekent ze bij het afscheid. ‘Op school weet iedereen dat ik schrijf, maar mijn vriendinnen zijn niet met schrijven bezig. Als ik hen zeg "Dat boek komt uit", antwoorden ze "Cool", maar ze hebben geen idee waarover het gaat.’ 
‘Thuis spreken we ook weinig over schrijven’, besluit ze. ‘Aan tafel hebben we het over film of televisieseries. Ik voel geen druk, wat fijn is. Alles wat ik schrijf, is van mij.’ 

Achter de regenboog, Solomonica de Winter. Prometheus, 216 p.
Dit interview verscheen op 26 november in De Morgen.

woensdag 19 november 2014

Wankel geweten van een natie

Juan Gabriel Vásquez stelt in De reputaties wezenlijke vragen over de macht en verantwoordelijkheid van de opiniemakers en de feilbaarheid van het geheugen. 

Juan Gabriel Vásquez (°1973) schrijft al jaren over Colombia, maar De reputaties is het eerste boek dat hij ook in zijn vaderland heeft geschreven. Toen hij drieëntwintig was, trok hij naar Parijs om zich aan de Sorbonne te specialiseren in de Latijns-Amerikaanse literatuur en in 1997 maakte hij daar zijn fictiedebuut. Met een doctoraat op zak vestigde hij zich na een jaar in de Belgische Ardennen in Barcelona waar hij noest verder schreef en voor de roman De informanten in 2004 een eerste onderscheiding binnenhaalde. Sindsdien houdt de prijzenregen niet op. Met Het geluid van vallende dingen mocht Vásquez onder meer de Premio Alfaguara en de Impac Dublin Literary Award 2014 op zijn palmares schrijven. Zijn nieuwe titel, die ook al twee prijzen kreeg, speelt zich af in en rond Bogotá waar de schrijver sinds 2012 weer woont. 

Dreigbrief 

In De reputaties kruipen we in de huid van Javier Mallarino, een levende legende in Colombia. De bot- en kraakbeenstructuur van politici analyseren en uitvergroten is al veertig jaar lang zijn werk. Zijn spotprenten, die elke dag in de oudste liberale krant van het land verschijnen, maken of kraken reputaties. Toen hij als jonge tekenaar een anonieme dreigbrief kreeg, wuifde zijn hoofdredacteur die weg met felicitaties: “In dit land ben je pas iemand als een ander je wat wil aandoen.” Mallarino interpreteerde het als een teken aan de wand en heeft er steeds over gewaakt onzichtbaar te blijven, maar nu hij vijfenzestig is, moet hij in het daglicht treden want de Colombiaanse staat heeft een huldiging georganiseerd. 
‘s Anderendaags krijgt Mallarino een journaliste over de vloer die op de plechtigheid present was. Onder het mom van een interview komt Samanta Leal op bezoek. Een drogreden, zo blijkt. De jonge vrouw vraagt Mallarino uit over een gebeurtenis die lang geleden plaatsvond en toen leidde tot een bijzonder scherpe spotprent – één die hij misschien niet had gemaakt als hij de gevolgen had kunnen overzien. 

Op losse schroeven 

Vásquez kiest voor een boeiend perspectief om de macht en verantwoordelijkheid van de opiniemakers aan de kaak te stellen. Mallarino heeft zich ontpopt tot “het kritische geweten van de natie”. Maar is de waarheid die uit zijn spotprenten spreekt wel dé waarheid? Het gesprek met Samanta Leal ondermijnt zijn zelfvertrouwen. Heeft hij de situatie indertijd correct ingeschat? Voor het eerst twijfelt Mallarino en dat net nu hij op een voetstuk staat en zijn reputatie des te breekbaarder is. 
Ook de feilbaarheid van het geheugen en het onvermogen om het verleden echt te kennen – thema’s die als rode draden door Vásquez’ oeuvre meanderen – komen in De reputaties aan bod. Als er zoiets bestaat als valse herinneringen, in hoeverre kunnen we dan vertrouwen op de herinneringen die we authentiek achten? En wat als een zekerheid uit het verleden plots op losse schroeven komt te staan? Vásquez prikkelt onze hersencellen en doet zijn naam als een van Colombia’s meest getalenteerde hedendaagse auteurs eer aan. 

De reputaties, Juan Gabriel Vásquez. Vertaling: Brigitte Coopmans. Signatuur, 139 p.
Deze recensie verscheen op 19 november in een kortere uitvoering in De Morgen.

maandag 10 november 2014

‘Trek mij uit de Vlaamse klei’

Seppe van Groeningen schrijft met een naturel dat weinig debutanten gegund is. Aards Paradijs is een sprankelend verhaal over een jongen die in de jaren tachtig opgroeit op een Vlaamse flowerpowerboerderij en zich afzet tegen zijn goeroevader. “Ik noem het een emotionele autobiografie.” 

“Verhalen vertellen is altijd mijn ding geweest”, zegt Seppe van Groeningen (°1972). “Als tiener kladde ik schriftjes vol met akelige verhalen.” 
Aan Aards Paradijs heeft van Groeningen tien jaar gesleuteld. Omdat hij voor zijn werk als geluidstechnicus van set naar set reist en tussen twee filmproducties door telkens maar enkele weken schrijftijd heeft, boekte hij weinig vooruitgang. Uiteindelijk nam hij een sabbatjaar om het manuscript te voltooien. 
De lange incubatietijd heeft duidelijk geloond. Voor een debuut is Aards Paradijs merkwaardig matuur. Een rake toon, sterke dialogen, een goede sfeerschepping, personages die echt tot leven komen… de roman heeft het allemaal. Van Groeningen baseerde het verhaal op zijn jeugdjaren in een hippiemidden. Hij noemt Aards Paradijs een ‘emotionele autobiografie’. 
“Ik heb enkele sterke gevoelens die ik als kind had in kaart willen brengen”, zegt hij. “De jaloezie die ik als vijfjarige voelde toen mijn broer Felix werd geboren en ik de centrale plaats in het gezin verloor, bijvoorbeeld. In mijn familie speelde bijna iedereen muziek. Terwijl ik de hemel werd in geprezen omdat ik de enige was die las, benijdde ik mijn neven om hun muzikaal gehoor en tekentalent. Ook dat is een gevoel dat ik heb uitvergroot.” 
Het verhaal speelt zich af op een boerderij in het Oost-Vlaamse Poeke. Van Groeningen geeft toe dat hij de werkelijkheid naar zijn hand heeft gezet. “We hebben in een commune gewoond, later op een grote boerderij, de eigenlijke setting voor Aards Paradijs, en nog later in Gent, met allemaal muzikanten. Al die periodes heb ik laten versmelten. Sommige dingen zijn verzonnen of opgeblazen, andere geminimaliseerd. Gabriel García Márquez zei dat de moeilijkheid er voor Latijns-Amerikaanse schrijvers in bestaat de werkelijkheid geloofwaardig op papier te krijgen. Ik heb dat ook ondervonden. Bepaalde zaken kwamen niet geloofwaardig over als ik ze waarheidsgetrouw neerpende.” 
Zijn protagonist Jules “John” Castro is de eerste zoon van een in Brussel gestrande Colombiaan en een Gentse. Tot zijn zesde is Jules’ wereld ‘t Aards Paradijs, waar hij met Benoit en Marie woont (‘mama’ en ‘papa’ mag hij hen niet noemen). De hoeve is een zoete inval voor mensen uit alle windstreken. Als vliegen op de stroop komen ze op de tussen de maïsrijen verstopte wietplantage van Benoit af. 

Nevels van wiet 

Vrienden die binnen- en buitenlopen, kampvuren waar dag en nacht aan gezongen wordt, feesten in nevels van wiet… Jules weet van niet beter. Tot de dag aanbreekt dat hij naar school moet. De confrontatie met de buitenwereld komt hard aan. Met zijn ruglange blonde haardos en ongewone kleren is hij in de klas een zonderling en wordt hij uitgesloten en geplaagd. Maar de school trekt zijn blik ook in positieve zin open. Jules leert vlot en graag en op de bus heeft hij tijd om te lezen, een activiteit die zijn vader “voor intellectuelen” vindt en verbiedt. 
Benoit – in een vorig leven overigens zelf een intellectueel – wil van zijn zoon een tweede John Lennon maken. Hij noemt Jules alvast John en laat hem elke dag privéles volgen in de hoop dat een groot muzikaal talent zich op een dag zal openbaren. Het was ‘den John’ die Benoit op het spoor van ’t Aards Paradijs zette toen hij als twintiger met zijn eerste vrouw, haar koningspoedel en hun zoontje Bert nog in een villa in Ukkel woonde, als bedrijfsrevisor werkte en rondreed in een blitse Jaguar. 

Gelukzalig

Het tafereel waarin Benoit een ommezwaai aan zijn leven gaf is onwaarschijnlijk maar met zoveel aplomb neergezet dat het waarachtig blijft. Een formidabele scène. Als personage tart Benoit overigens elke verbeelding. Als een koning regeert hij over de hoeve waar hij zich laat omringen door een schare volgelingen en dartel de vrije liefde beoefent. Met zijn fabelachtige voorgeschiedenis, zijn onweerstaanbare latino looks en zijn ongelooflijke talenten lijkt hij weggelopen uit een roman van García Márquez. 
De Colombiaanse maestro behoort met Haruki Murakami en Fjodor Dostojevski tot van Groeningens favoriete schrijvers. Een verwoed lezer was hij altijd al, vooral van buitenlandse literatuur. Op school auteurs van eigen bodem ‘moeten’ lezen vond hij een straf tot hij Louis Paul Boon ontdekte en later Jeroen Brouwers. Rond zijn dertiende begon hij zelf te schrijven. Zijn ouders huurden toen een groot huis in het Gentse, waar hij voor het eerst een eigen kamer had. 
“We woonden in een herenhuis vol muzikanten. Groepen als K13 met Patrick Riguelle als frontzanger en The Skyblasters met PDW aan de drums hebben daar het licht gezien. Om aan de drukte te ontsnappen sloot ik me af en toe op in mijn kamer waar ik me ontfermde over mijn kamerplanten en lugubere korte verhalen schreef. Ik droomde van een typemachine. Dactylo op school vond ik fantastisch en dankzij dat ene uurtje per week kan ik nog altijd blind typen.” 
De episode in het Gentse herenhuis eindigde toen zijn ouders scheidden. “Naar de gelukzalige sfeer die daar hing ben ik altijd blijven verlangen”, gaat hij verder. “Rond mijn dertigste vertelde ik mijn toenmalige vriendin er in een nostalgische bui over. Zij moedigde me aan weer te schrijven, maar de inspiratie kwam pas toen ik een laptop kocht en naar hartenlust kon typen. Drie maand later lag de eerste versie van Aards Paradijs op tafel.” 
De initiële euforie waaide vlug over. Van Groeningen was zonder vooropgezet plan aan het verhaal begonnen en de eerste versie was warrig en langdradig. Tien jaar later had hij eindelijk een versie waar hij mee naar buiten durfde komen. 
“Josse De Pauw was de eerste persoon buiten de kring van vrienden en familie die het te lezen kreeg. Hij was enthousiast en stelde voor het manuscript aan zijn uitgever te laten zien.” 

Hypnotiserende cadans 

“In zijn laatste, autobiografische boek Leven om het te vertellen verklapt García Márquez dat hij altijd gestreefd heeft naar een hypnotiserende cadans die de aandacht van de lezer vanaf de eerste regel in de greep moet houden. Al mijn literaire helden beheersen die cadans, hoewel hun schrijfstijlen totaal verschillend zijn. Haruki Murakami is er ook een meester in.” 
De toon hangt nauw samen met de perspectiefkeuze. In Jules heeft van Groeningen een uitstekende verteller gevonden. Van de eigenaardige, soms bijna surrealistische taferelen die op ’t Aards Paradijs plaatsgrijpen kijkt de jongen niet op. Hij registreert droogweg, wat een komisch effect sorteert. Wanneer Jules ouder wordt, gaat de idylle barsten vertonen. Hij schaamt zich voor de fratsen van zijn vader en zondert zich zoveel mogelijk af. De kloof tussen de hoeve en de buitenwereld wordt onoverkomelijk als hij verliefd wordt op een meisje uit een klassiek, intellectueel midden. Tenslotte breekt hij met zijn familie. Het duurt een kwart leven voor hij inziet dat hij wel degelijk de zoon van zijn vader is. Tegen dan blijft van de gedreven goeroe een zielig hoopje mens over. 
Met veel hippies is het slecht afgelopen, aldus van Groeningen. “Ik heb het in mijn omgeving vaak genoeg gezien. Sommigen zijn ten onder gegaan aan drugs, anderen konden de reële wereld niet aan en zijn in de marge van de maatschappij gesukkeld. Mijn ouders hebben gelukkig geen kleerscheuren opgelopen, integendeel, de bruisende energie uit die flowerpowerperiode hebben ze gekoesterd en altijd meegedragen.” 
Aards Paradijs is geworteld in la Flandre profonde, maar het verhaal overstijgt de landsgrenzen. De roman doet verfrissend on-Vlaams aan, laat ik van Groeningen weten. Rouwig is hij daar niet om. “In Liefde voor muziek zingt Raymond van het Groenewoud ‘Trek mij uit die Vlaamse klei...’ Dat was op school mijn lijfspreuk. Het doet me plezier te horen dat het zijn vruchten heeft afgeworpen.” 

Aards Paradijs, Seppe van Groeningen. De Arbeiderspers, 227 p.
Dit interview verscheen op 5 november in De Morgen.

donderdag 6 november 2014

'Heel mijn familie heeft trauma's'

Soms is de werkelijkheid straffer dan de fictie. KASK-studente Feline Minne debuteert met een autobiografische roman over een onwaarschijnlijke jeugd op de boerderij van haar oma bij Gent. 

Feline Minne (°1990) heet eigenlijk Eveline Gevaert. Ze adopteerde het pseudoniem drie jaar geleden, toen ze aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) studeerde en haar eerste stappen zette als multimediakunstenaar. 
“Minne verwijst naar mijn over-over-grootvader, de Vlaamse kunstenaar George Minne”, vertelt ze trots. De voornaam Feline speelde al lang door haar hoofd. “Toen ik vijf was, besloot mijn oma dat ik van naam moest veranderen. Ik was naar de Disney film Bambi aan het kijken. Feline is het liefje van Bambi.” 
Oma Medea was, om het licht uit te drukken, een dominante persoonlijkheid. In korte, filmische hoofdstukken vertelt Feline Minne hoe ze zich van het juk van Medea bevrijdt en met vallen en opstaan een eigen pad baant. Je kunt Medea en ik dan ook lezen als een autobiografische coming-of-ageroman.
Het verhaal begint heftig. Feline is vier jaar en haar ouders zijn pas gescheiden. Ze woont bij haar moeder Eva. Haar vader, die bezoekrecht heeft, haalt haar op een dag op om een ijsje te eten, maar ontvoert haar. Pas drie maand later, als hij door de politie wordt gevat, ziet Feline haar moeder terug. “Ik was vijf jaar oud, maar voelde me geen kind meer”, schrijft ze in de roman. “Spelen zou ik nooit meer doen.” 

Bruine rijst met tofu 

Haar piepjonge moeder Eva (ze was zeventien toen Feline werd geboren) leidt een jachtig leven als fotomodel en heeft geen tijd om voor het kind te zorgen. Feline trekt in bij oma Medea, haar grootmoeder van moederszijde. Medea en haar tweede man Erik wonen op een boerderij bij Gent. Feline belandt er in een sprookjesachtige wereld. Opa Erik doet aan healing en reiki (alternatieve geneeswijze met manu- ele therapie) en oma Medea, die gehuld gaat in lange brokaten gewaden en schitterende juwelen, cultiveert een weelderige bloemen- en kruidentuin en is een niet te stelpen bron van verhalen. 
Feline beschrijft de wonderlijke omgeving van haar kinderjaren op een mooie, zintuiglijke manier. Het huis, dat drenkt in aroma’s van “thee, cederhout, brandnetelsoep, kolenvuur en chocolade”, appelleert aan onze meest idyllische jeugdherinneringen. Toch is Felines kindertijd geen rozengeur en maneschijn. 
Met die gekke oma is ze in de ogen van haar klasgenoten en hun ouders een buitenbeentje. Op verjaardagsfeestjes schotelt Medea de kinderen geen taart voor maar bruine rijst met tofu, en aan de schoolpoort deelt ze flesjes valeriaantinctuur aan de ouders uit “om de kinderen rustig te maken”. Feline legt zich toe op haar pony’s Benjamin en Billeke en ontwikkelt een passie voor tekenen – hobby’s waar ze obsessief mee bezig is en die haar “rust en vastigheid” geven. 
Over het feit dat haar grootouders in aparte kamers slapen stelt ze zich geen vragen tot ze opa Erik met een van zijn volgelingen op de zolder betrapt. Met Medea gaat het intussen van kwaad naar erger. Ze verbiedt Feline haar moeder te zien die een terrorist zou zijn, een hoer, een pornomodel. Ze eist Feline voor zich op en heeft perverse trekken die het kind niet kan duiden. Het beeld van de ideale grootmoeder verbrokkelt en het meisje keert zich tegen Medea. Uiteindelijk neemt ze een beslissing. “Ik zou later kunstenares worden en schoonheid scheppen uit mijn lijden”, schrijft ze.

Zeven versies 

Momenteel zit Feline in haar laatste jaar animatiefilm. Het idee voor de roman ontstond twee jaar geleden. 
“Ik heb de eerste versie in een vlaag van creatieve waanzin geschreven. Tien dagen non stop. De tweede versie duurde een maand. Schrijven is vooral herschrijven en schrappen. Ik heb mijn manuscript ongevraagd naar Houtekiet gestuurd en Leo De Haes heeft het opgepikt. Wat een eer! Hij heeft ook mijn lievelingsjeugdboek De wereld van Sofie uitgegeven. Ik kon het niet geloven.” 
In het totaal schreef Feline zeven versies, op anderhalf jaar tijd. Van vijfhonderd bladzijden bracht ze het manuscript terug naar honderd dertig bladzijden. De roman is opgedeeld in kleine hoofdstukjes die een cruciale scène of episode belichten. De filmische structuur is een bewuste keuze, maar door die opeenvolging van korte, losstaande taferelen voelt Medea en ik bij momenten aan als een opsomming van feiten. Feline durft van de hak op de tak te springen en blijft soms te summier. Daardoor blijft het potentieel van meerdere scènes onbenut. 
Op een gegeven ogenblik beslist ze bij haar vader te gaan wonen, die ze jaren niet meer gezien heeft en amper herkent. Zijn familie – de Gevaerts – was pionier in biologische voeding en richtte in 1957 het natuurvoedingsbedrijf Lima op dat failliet ging toen Feline vijf was. Ze komt terecht op een verloederde boerderij waar haar vader, oma, ooms en tantes in haat samenleven. Triest? Ja, maar het hoofdstuk was een pak sterker geworden als ze suggestiever was gebleven en de sfeer invoelbaar had gemaakt. 
Aan het verblijf bij haar vader komt een abrupt einde. Hij verdwijnt naar Marokko, krijgt problemen en belandt meermaals in de gevangenis. Inmiddels heeft Feline hem al een paar jaar niet meer gezien. Over de ontvoering hebben ze nooit gepraat. 
“Mijn vader blijft voor mij een mysterie”, zegt ze. “We spreken een andere gevoelstaal. Hij zit vol wrok en haat tegenover zijn familie en dat is wederzijds. Ik zat tussen twee vuren toen ik als veertienjarige op die grote boerderij terecht kwam. Ik heb vreselijke verhalen over hem gehoord, maar of ze steek houden weet ik niet. Het kan me niet meer schelen. Ik heb hem losgelaten. De waarheid zal ik nooit kennen. Nu wil ik hem niet meer zien, want van elke ontmoeting word ik intriest. Mijn oudere halfzus wil hem ook niet meer zien. We hebben allemaal veel verdriet gekend. 
Iedereen in mijn familie heeft zware littekens die al sinds de eerste wereldoorlog van generatie op generatie worden doorgegeven. Al mijn nichten, neven, tantes en nonkels hebben trauma's. Ik weet niet wie of wat hier de oorzaak van is. Ik geef niemand de schuld, maar pijn en verdriet werden dikwijls op elkaar afgereageerd. Er zijn gelukkig veel mensen die positieve en vrolijke herinneringen overhouden aan die coöperatieve boerderij, maar de mijne zijn spijtig genoeg schrijnend.” 
Met haar mama Eva heeft Feline wel een goede band. Eva woont samen met Magnum-fotograaf Carl De Keyzer en studeert kunstwetenschappen in Gent. Moeder en dochter zien elkaar niet dikwijls – Feline woont bij haar Engelse vriend in Brighton en werkt haar masterproef aan het KASK op afstand af – maar ze bellen wel ongeveer elke dag. Ook met opa Erik heeft Feline geregeld contact. De roman heeft hen niet uiteen gedreven, integendeel. Medea mocht het debuut van haar kleindochter niet meemaken. In het laatste hoofdstuk lezen we over haar onverwachte dood. 

Demonisch 

Leven doet Medea wel in de roman, en hoe. Tot het eind blijft ze een fascinerend personage: onzeker, hunkerend naar liefde en aandacht, mythomaan, soms demonisch. Hoe blikt Feline vandaag terug op die Medea die haar eigen dochter met voodoo iets wilde aandoen en glimlachte toen ze hoorde dat de zoon van haar partner Erik zelfmoord had gepleegd? 
“Ze was een onbegrijpelijke vrouw. Dat is wat haar mythisch maakt. Ik heb haar vergeven. Toen ze zwanger was van haar eerste en enige dochter is haar moeder in een tragisch ongeval gestorven. Ik heb een stapel ontroerende brieven gelezen tussen Medea en haar mama. Ze hadden een enorm hechte band. Medea kreeg door het hevig verdriet een zwangerschapspsychose en zag haar moeders geest uit de sneeuw oprijzen. Hier begint het verhaal van mijn mama Eva, in de jaren zeventig.” Kunnen we dan een tweede roman verwachten? Feline ontwijkt de vraag handig. “Medea en ik is een begin”, zegt ze. “Ik schilder, teken, film en nu heb ik de smaak van het schrijven te pakken. Combinaties maken het leven interessant. Mijn grenzen verleggen en aftasten, dat is wat ik wil doen.” Een verfilming van Medea en ik staat in de plannen, maar het is een project van lange adem. “Financiering vinden is het lastigst”, zegt Feline. “Ik zoek investeerders via Tax Shelter (een fiscale regeling die de productie van audiovisuele en cinematografische werken aanmoedigt, red.). Topactrice Line Pillet gaat waarschijnlijk de rol van Eva of Feline spelen. Voor Medea denk ik aan een vijftigjarige schoonheid zoals Pascale Platel. Mijn docent scenarioschrijven Jeannice Adriaansens wil allicht meewerken aan het scenario. De film zal vol nieuwe verrassingen en ontdekkingen zitten. Ik mag verder niets verklappen.” 



Medea en ik, Feline Minne. Houtekiet, 132 p.
Dit interview verscheen op 5 november in De Morgen.

woensdag 29 oktober 2014

‘Woede is mijn drijfveer’

De Italiaanse schrijfster en filosofe Silvia Avallone (30) is boos. Ziedend zelfs. Omdat de verpletterende schoonheid van haar land verwoest is. Omdat de jonge generatie zich verraden voelt door de grote stad, verraden door een tijdperk. 'Ik vertel over een beweging die verborgen blijft.' 

Silvia Avallone is een heftige dame, zelfs per email. Vlug en vurig reageert ze op de vragen die ik doorstuur. Ze schrijft me vanuit een dakkamertje in Bologna, de stad waar ze elf jaar geleden filosofie en literatuurstudies kwam studeren. 
‘Dit is de plaats die ik heb gekozen voor mijn toekomst, en het is hier dat ik mijn beide romans heb geschreven. Toen ik op mijn negentiende in Bologna aankwam, had ik een hoofd vol dromen. Dit jaar ben ik de dertig gepasseerd en ik ben verbaasd dat ik me nog altijd hetzelfde voel als toen ik mijn koffer hier in september 2003 neerzette. Elke roman betekent voor mij een nieuw begin, vanaf nul. Onblusbaar, woedend, vol verlangen.’ 
Avallone was zesentwintig toen ze debuteerde met Staal, een rauwe en gevoelige roman over twee tienermeisjes die hun schoonheid uitbuiten om aan de lotsbestemming van hun vroeg oude, verbitterde moeders te ontsnappen. Uit het verhaal van haar jonge protagonisten Francesca en Anna laat de Italiaanse het portret oprijzen van een gedesillusioneerde arbeidersklasse die soelaas vindt in geweld, drugs en drank. De roman veroorzaakte nogal wat ophef. Avallone’s genadeloze blik en spitse pen vielen in de smaak bij de kritiek en bij veel lezers, maar de schrijfster kreeg ook kwade reacties te verduren. In Piombino werd ze uitgescholden door boze bewoners die het niet namen dat ze in Staal als hoeren en drugsverslaafden werden afgeschilderd. 

Drank en sigaretten 

Staal speelt zich af rond de lelijke kuststad Piombino en haar enorme staalfabriek. Als kind bracht Avallone daar de schoolvakanties bij haar vader door. In haar tweede roman Marina Bellezza richt ze de schijnwerpers op de stad Biella in de Cervo-vallei, waar ze bij haar moeder woonde en school liep. ‘De plekken waar je opgroeit voeden je en belemmeren je tegelijkertijd’, aldus Avallone. ‘Hun specifieke grenzen – de zee in Staal, de bergen in Marina Bellezza – spreken tot de verbeelding. Je vraagt je af wat er achter die grenzen ligt. Piombino en Biella symboliseren in mijn ogen enerzijds het verlangen om te ontsnappen, maar anderzijds staan ze voor woeste, onwrikbare wortels. Terwijl Piombino een metafoor is van om het even welke industriële provincie in crisis, is Biella een metafoor van de Far West, van de poging om opnieuw te beginnen als alle fabrieken zijn gesloten en er alleen verlatenheid overblijft.’ 
Avallone situeerde Staal in 2001. In Marina Bellezza springt ze naar 2012. Na bijna twintig jaar Berlusconi likt Italië zijn wonden. In de Cervo-vallei in het noorden van Piemonte is de miserie kompleet. De dorpen en stadjes zijn nagenoeg leeggelopen en de jongeren die niet zijn weggetrokken, hangen voor de tv, doden de tijd met kleine misdrijven en smoren hun ellende in drank en sigaretten. De 27-jarige Andrea Caucino is een van de weinigen die rebelleren tegen zo’n leven. Hij heeft een baan als bibliothecaris, maar droomt ervan veehoeder te worden op de oude boerderij van zijn grootvader in de bergen. Zijn vroegere liefje Marina Bellezza, een bloedmooie blondine van tweeëntwintig met een gouden stem, jaagt ook een toekomstdroom na: zij wil zangeres worden, de primetime halen op een Rai Uno en naar Milaan of Rome verhuizen. Wanneer de twee elkaar na drie jaar onverwachts terugzien, spat de vonk weer over. Maar zijn hun dromen met elkaar te verzoenen? ‘Marina en Andrea verbeelden twee tegengestelde, extreme wegen die iemand vandaag kan opgaan in een land waar 44,2% van de jeugd werkloos is’, zegt Avallone. ‘We staan aan het einde van een tijdperk. Marina en Andrea zijn op zoek naar een nieuw begin. Ze moeten het doen zonder kant-en-klare oplossingen of vooraf uitgestippelde paden. Andrea interpreteert de toekomst als een terugkeer, Marina als een vertrek. Via mijn personages wilde ik een reactie tonen op de woestijn waarin we hier leven, een reactie van woede en volharding, van wil en vastberadenheid. Voor de mensen van mijn generatie zijn er in Italië geen “normale” wegen of “normale” beroepen. We zijn opgegroeid met het geloof dat de toekomst binnen handbereik zou liggen, maar we hebben het deksel op de neus gekregen. We antwoordden met een grote spontaneïteit en vindingrijkheid op de vraag: "Wat wil je worden?". Leraar, advocaat, brandweerman, ingenieur ... Niemand van ons is in staat om dat waar te maken. We hebben allemaal alternatieve, vaak krankzinnige wegen moeten nemen. Sommigen hebben Italië verlaten, anderen zijn gebleven en moesten zichzelf opnieuw uitvinden.’ 

Maagdelijke gebieden 

Andrea’s oudere broer Ermanno hoort thuis in de eerste categorie. Hij verhuisde naar de Verenigde Staten, werkt bij NASA, heeft een gezin en woont in Arizona, een bestemming waar Andrea als kind van droomde. In zijn ogen symboliseert Ermanno het succes. Pas als hij Ermanno gaat opzoeken en inziet dat zijn leven een heel stuk minder fabelachtig is dan hij altijd heeft gedacht, beseft hij dat hij zich illusies heeft gemaakt. 
‘Het paradijs ligt waar je besluit dat het ligt’, zegt Avallone. ‘Voor de jonge Italianen is Italië verlaten vandaag een voor de hand liggende keuze. Ik wilde met mijn personage Andrea in opstand komen tegen de dictaten dat de toekomst altijd elders moet zijn. Italië verlaten is cruciaal om te ontdekken hoe groot de wereld is, maar volgens mij is het net zo belangrijk om te kunnen terugkeren. De verpletterende schoonheid van mijn land is verwoest. Dat maakt me ziedend. Het is die woede die me drijft te schrijven. Onze provincies zijn ontvolkt, verlaten en toch vol schoonheid. Je kan ze zien als plaatsen om uit weg te vluchten óf plekken om te herstellen, in de steek gelaten, maagdelijke gebieden.’ 
De Cervo-vallei – een regio die geen toeristen trekt en niet in het nieuws komt – is in haar ogen hét voorbeeld bij uitstek. Het is het Italië van de stilte, zegt Avallone, en in deze stilte ligt een kans. 
‘Ik vertel over een beweging die verborgen blijft: de terugkeer van jongeren naar het platteland omdat ze zich verraden voelen door de grote stad, verraden door een tijdperk. Hun pioniersmentaliteit en moed hebben indruk op me gemaakt. De handen in de aarde steken en vuilmaken zoals Andrea betekent hard werken. Het vraagt toewijding en verantwoordelijkheid, waar het de mensen die niet aan onze toekomst hebben gedacht duidelijk aan ontbrak.’ 
Terwijl Andrea naar het platteland terugkeert om als een pionier een stukje van het verlaten, vervuilde, geplunderde en verarmde Italië terug te winnen, probeert Marina de media, de televisie en het internet te veroveren. 
‘Het pad van de zichtbaarheid bewandelen is een beroep geworden’, zegt Avallone. ‘In de totale desillusie die heerst, kan je vandaag op jouw beurt een illusie worden.’ Voor het personage van Marina liet ze zich naar eigen zeggen inspireren door de verhalen en de weg naar de roem van veel Amerikaanse zangers. ‘Marina blijft natuurlijk op en top Italiaans. Omdat haar familie tekortschoot is ze opgevoed door de Italiaanse televisie, die reusachtige machine van dromen en illusies. Maar haar ware aard ligt volgens mij in haar opstandigheid. Ik wilde een vrouwelijk personage dat tiranniek, moedig en kwetsbaar is, een wezen dat de tegenstellingen van mijn tijd en mijn land in zich vervat houdt. Ik wilde, kortom, mijn kleine, provinciale, gedurfde Madame Bovary! Ze groeide op in het tijdperk van de talentenjacht en van de droom dat de televisie je kan wegrukken uit je dorp en je “echt” kan laten bestaan: dat wil zeggen, voor duizenden kijkers. Ik wilde een heldin scheppen die vermomd is als het oude Italië, het Italië van het klatergoud en de illusies, maar die het nieuwe Italië in zich draagt – het talentvolle Italië dat de moed heeft om tegen alles in te gaan.’ 
Marina en Andrea kunnen niet los van elkaar, hoe verschillend ze ook zijn. De beeldschone, grillige blondine kwetst de goedige Andrea keer op keer, maar toch laat hij zich telkens weer verleiden. Dat Marina zijn afgrond zou zijn, spreekt Avallone tegen. 
‘Marina is zijn kans om zich te meten met een schitterend, fel en vrij wezen. Haar ware schoonheid komt niet tot uiting in het harde licht van de schijnwerpers, maar in de mysterieuze duisternis van de streek waar ze werd geboren. Ontoegankelijke, vijandige, dichtbeboste plekken, bewoond door herten. Het is op deze schoonheid dat Andrea verliefd wordt.’ 

Eerbetoon 

Na Staal werd Avallone als een geëngageerde auteur omschreven. Marina Bellezza, die ook een sociale roman is (én het verhaal van een onmogelijke, alles verterende liefde én een coming-of-ageroman), zal dat etiket bevestigen. Wat vindt ze daar zelf van? Wil ze met haar romans een bewustwording afdwingen? 
‘Als ik schrijf, ben ik overgeleverd aan mijn personages. Het is mijn taak hen tot leven te scheppen en te achtervolgen in hun vrijheid en mysterie. Wat me tot schrijven drijft, zijn woede en de wil om iets aan het licht te brengen dat verborgen blijft, de wil om tegen de stroom in te gaan. De werkelijkheid interesseert me, maar niet om er een naam op te plakken. Ik wil vragen oproepen, de kleine verhalen vertellen die in de lokale pers verloren gaan en iets redden dat volgens mij een eerste kiem van een nieuwe beweging bevat.’ 
Zelf weer naar de Cervo-vallei verhuizen ziet de schrijfster op dit moment niet zitten. ‘Ik zou Bologna alleen kunnen inruilen voor een stad waar ik nog niet heb gewoond. Maar niemand kan me afnemen wat ik voel als ik de tolweg bij Carisio verlaat en de hoofdweg oprijd, die bijna te pletter slaat tegen de bergen waartussen ik ben opgegroeid. De vallei heeft mijn perspectief bepaald: het was een van de eerste dingen die ik zag. Staal en Marina Bellezza zijn een eerbetoon aan de plekken die me hebben gevormd. Overal waar ik ga, neem ik Biella en Piombino met me mee.’ 

Silvia Avallone, Marina Bellezza, De Bezige Bij, 512 p., 19,90 euro. Vertaling: Manon Smits. 
Dit interview verscheen op 22 oktober in De Morgen Boeken. 


44,2 % jeugdwerkloosheid in Italië
Ouderen voor ouderen 
De Italiaanse jongeren zijn het slachtoffer van de “gerontocrazia" van voormalig premier Berlusconi. Zijn bestuur van ouderen organiseerde de politiek en economie rond de zorg voor generatiegenoten en besteedde minder aandacht aan huisvesting, werkloosheid en kinderopvang, cruciale zaken voor wie aan het begin van zijn loopbaan staat. Het Italië van Berlusconi heeft de volgende generaties aldus “verraden”. Tussen augustus 2010 en augustus 2014 steeg het aantal werklozen bij de 15- tot 24-jarigen in Italië van 27,20% naar 44,20% – een recordhoogte sinds het begin van de statistieken in 1977. Dat maakt Italië na Spanje en Griekenland tot het EU-land met de hoogste jeugdwerkloosheid. Veel Italiaanse hooggeschoolden zoeken dan ook heil in een carrière in het buitenland. Duitsland, Groot-Brittannië en Zwitserland zijn populaire bestemmingen, maar er grijpt ook een emigratie plaats naar de Verenigde Staten en Zuid-Amerika.

woensdag 15 oktober 2014

Eén schilderij, één vrouw, drie mannen

In de nieuwe roman van Bernhard Schlink gaat een gearriveerde advocaat op zoek naar de vrouw die veertig jaar daarvoor zijn eerste grote liefde werd en plots uit zijn leven verdween. Wat als zij wél voor hem had gekozen? 

De Duitse jurist Bernhard Schlink (°1944) brak in 1995 internationaal door met De voorlezer, over een puber die verliefd wordt op een twintig jaar oudere vrouw en later ontdekt dat zij bewaakster was in de concentratiekampen. Het boek klom de bestsellerlijst van The New York Times in, won prijzen en kreeg een verfilming (The Reader) met Kate Winslet in de hoofdrol. 
Geprezen titels volgden, zoals De thuiskomst (2006) en Het eerste weekend (2008) waarin de beladen geschiedenis van Duitsland ook weer een rol speelde. In De vrouw op de trap focust Schlink op het intieme verleden van zijn protagonist. 

Femme fatale 

De verteller, een senior advocaat in een succesrijk Duits kantoor, is in Sydney om een bedrijfsfusie te regelen. Tijdens een museumbezoek stoot hij op De vrouw op de trap, een verloren gewaand schilderij van de wereldvermaarde (fictieve) kunstenaar Karl Schwind. 
Het doek en de naakte blondine die erop figureert, Irene, waren veertig jaar geleden de spil van een intrige waarin de verteller ook verwikkeld was. Haar man, de gehaaide ondernemer Peter Gundlach, had het portret op de trap door de toen nog onbekende Schwind laten maken. Toen zij hem verliet voor Schwind, bracht hij als wraak beschadigingen op het doek aan die Schwind moest herstellen. 
De mannen sloten ten slotte een pact en lieten de verteller – toen een piepjonge advocaat – een contract opstellen: Gundlach zou Irene terugkrijgen en Schwind kreeg zijn doek. Femme fatale Irene had de advocaat inmiddels evenwel veroverd. Hij hielp haar het schilderij te stelen, waarna zij met het doek van het toneel verdween. Drie mannen bleven radeloos achter. 

Een mooie vrouw met een duister kantje, een verteller die zich aan haar overgeeft zonder dat hij iets over haar weet, een verleden dat opspeelt: het begin van een De vrouw op de trap doet denken aan het werk van de nieuwe Nobelprijswinnaar Literatuur Patrick Modiano. Terwijl Irene bij Patrick Modiano wellicht een verleidelijke schim zou blijven, is dat hier niet het geval. Ze blijkt nog te leven en onze verteller vindt haar terug in een beschermd natuurgebied ten noorden van Sydney, waar ze zich schuilhoudt voor de autoriteiten. Als ook Schwind en Gundlach zich daar aanmelden, wordt duidelijk dat Irene het weerzien zorgvuldig heeft georkestreerd, met reden. Ze houdt 'haar' drie mannen een spiegel voor. 

Mijmeringen 

De vrouw op de trap is een interessante roman die vragen oproept en aantoont hoe ieder van ons door een welbepaalde perceptie wordt gestuurd. Soms zijn de personages al te stereotiep en de verteller maakt een aantal ongeoorloofde zijsprongen, maar er we krijgen ook veel fraais te lezen: mooie mijmeringen over hoe onze blik verandert bij het ouder worden en over hoe onze kleine nederlagen ons kwellen als 'splinters in ons vlees'. Naar het einde toe verrast Schlink ons met een ingenieus verhaal in het verhaal. 
Wie na afloop nieuwsgierig is naar het mysterieuze doek waar de roman rond draait, hoeft maar even te googelen. Karl Schwind is een verzinsel, lezen we in het nawoord, maar het schilderij bestaat en staat als jaren als ansicht op Schlinks bureau.


De vrouw op de trap, Bernhard Schlink. Vertaling: Gerda Meijerink. Cossee, 222 p.
Deze recensie verscheen op 15 oktober in De Morgen.

donderdag 9 oktober 2014

Kom hier dat ik uw tranen droog

Jarenlang jezelf wegcijferen, hoe kom je dat te boven? In Kom hier dat ik u kus schetst Griet Op de Beeck een caleidoscopisch portret van een vrouw die in een disfunctioneel gezin opgroeit en de last van dat verleden meetorst. 

Weinig Vlaamse auteurs lokken met hun schrijven zoveel reacties uit als Griet Op de Beeck. Vele hemels boven de zevende (2013) trof het grote publiek als een vloedgolf. Duizenden lezers waren kapot van het verhaal, stelden hun leven in vraag en namen beslissingen die ze anders niet hadden aangedurfd. De roman is inmiddels aan een twintigste druk toe. Sindsdien heeft Op de Beeck niet stilgezeten. Met regisseur Jan Matthys werkt ze aan een verfilming (gepland voor 2016), met Wannes Cappelle bereidt ze een muziekvoorstelling voor en intussen heeft ze ook een tweede roman geschreven, die na één dag in de boekhandel al aan een tweede druk toe was én tot boek van de maand werd uitgeroepen in de Nederlandse talkshow De wereld draait door.

Onzalige kindertijd

In Kom hier dat ik u kus geeft de Vlaamse Mona ons gedurende drie verschillende periodes een inkijkje in haar leven. 
“Ik ben geen braaf kind”, zegt Mona in het beginhoofdstuk. Ze is negen en neemt voor lief wat haar kille moeder haar in het hoofd prent. Als deze kort daarna bij een auto-ongeluk sterft, is Mona vooral bekommerd om haar eigen (gebrek aan) reactie: “Ik begon niet te huilen, wat ik een beetje vervelend vond. Ik probeerde tranen naar mijn ogen te sturen, maar ze wilden niet luisteren. Ik keek dan maar naar beneden, zo'n beetje naar mijn navel, kin bijna tegen de borstkas, zoals verdrietige mensen doen.”
Als kindverteller heeft Mona ons mee, de volwassen Mona komt minder waarachtig over
Na enkele maanden krijgt Mona’s vader een nieuwe vriendin, Marie, die Mona en haar broertje onmiddellijk mama moeten noemen. Marie is labiel en lijdt aan depressies. Mona’s vader, die sowieso al zwijgzaam is van natuur, trekt zich nog meer in zichzelf terug. Mona probeert de kerk in het midden te houden en bij iedereen goed te staan. Dat die onzalige kindertijd gemene littekens heeft geslagen, ontdekken we in de volgende delen waar ze respectievelijk vierentwintig en vijfendertig is. De enige die de last van het verleden kan verlichten is haar vader, die met terminale kanker in de kliniek ligt. 

Aan de hand van korte taferelen – Mona die haar stiefmoeder ’s nachts betrapt op een boulimie-aanval, Mona tijdens een sollicitatiegesprek, Mona in discussie met haar egocentrische geliefde – schetst Op de Beeck een caleidoscopisch beeld van Mona’s jeugd en jonge volwassenenleven. Als kindverteller heeft Mona ons mee. Wat in het gezin scheef loopt blijft onbenoemd, maar is des te beter voelbaar. We krijgen een ruime interpretatievrijheid. De volwassen Mona komt minder waarachtig over. Hier klinkt de stem van de auteur sterk door. Te pas en te onpas neemt Mona toevlucht tot beeldspraak. Als haar vader is gestorven, denkt ze bijvoorbeeld: “In mijn hoofd is de nacht zwart, de mist dik, de grond vochtig”. Op de Beeck appelleert aan onze emoties, maar dat heeft een tegengesteld effect: onze aandacht gaat naar de taal, niet naar Mona’s gemoedstoestand. 

Toegankelijk

De sleutel van Op de Beecks succes ligt wellicht in de toegankelijkheid van haar proza. Net als in Vele hemels is het Vlaams hier de voertaal en zijn de dialogen doorspekt met “ge wilt”, “gij zoudt” en “ge waart”. Haar personages zouden net zo goed bij jou of mij om de hoek kunnen wonen. Ze schrijft over gewone mensen die dan weer bijzonder worden omdat ze hun gedachten en gevoelens in vraag stellen en zich durven bloot te geven. Zelfs de hatelijke Marie weet uiteindelijk sympathie – of toch medelijden – op te wekken. Melodrama of literatuur die recht uit het hart komt? De scheidslijn is flinterdun.


Kom hier dat ik u kus, Griet Op de Beeck. Prometheus, 336 p.
Deze recensie verscheen op 8 oktober in De Morgen.

donderdag 25 september 2014

Hoe goed kun je iemand kennen?

In de roman Cassandra uit 1962 beschrijft Dorothy Baker de gespletenheid van een jonge vrouw die zich niet kan losscheuren van haar tweelingzus. Sinds New York Review Books het boek weer in de omloop heeft gebracht, beleeft het terecht een revival.

Cassandra Edwards is elf minuten ouder dan haar zus Judith. Op de ouderlijke ranch zijn de tweelingzussen geïsoleerd opgegroeid met hun oma en hun ouders, een stel eigenzinnige intellectuelen. Nu zijn ze vierentwintig en scheiden hun wegen. Cassie werkt aan een scriptie en Jude gaat trouwen. 
In het eerste hoofdstuk rijdt Cassie van haar universiteit naar de ranch waar de bruiloft zal plaatsvinden. De verloofde van Jude is er nog niet, en tijdens een in cognac gedrenkte nacht overtuigt Cassie haar zus dat het huwelijk niet kan doorgaan, althans dat herinnert ze zich toch bij het ontwaken. Maar hoe goed kun je iemand kennen? Zelfs een zus die uiterlijk gezien een kopie lijkt van jezelf, kan een vreemde zijn, merkt Cassie ‘s anderendaags. De dag van de bruiloft verloopt niet zoals ze hoopt en ook Jude komt voor een nare verrassing te staan.

Cassandra, oorspronkelijk Cassandra At The Wedding, is de vierde en laatste roman van Dorothy Baker (1907-1968). De Amerikaanse schrijfster inspireerde zich wellicht op haar dochters. Het boek raakte in de vergetelheid tot NYRB Classics in 2004 met een herdruk kwam.
De roman bestaat uit drie delen waarin de zussen beurtelings verteller zijn. In het eerste en het laatste deel voert Cassie het woord. De gespletenheid die haar kwelt komt tot uiting als ze haar gezicht onverwachts in een spiegel gereflecteerd ziet: 
“Het was het gezicht van mijn zusje Judith (…) Elke keer dat ik het toevallig in een spiegel zie, kan dat gezicht me de kriebels geven, vooral op momenten zoals dit, wanneer ik alleen ben, en wel moet erkennen dat het echt het mijne is, omdat er niemand anders is die ik ermee op kan zadelen.”

Vintage

Zoals de foto op de omslag laat vermoeden, ademt Cassandra een vintagesfeer uit. Op de ranch van de familie Edwards heersen elegantie en intellect. De moeder van de meisjes is gestorven. Thuis worden ze vertroeteld door hun geraffineerde oma, terwijl hun vader, ooit docent filosofie, hen in levenslessen voorziet. 
Toen Jude en Cassie als tieners getalenteerde zwemsters bleken, liet omalief een zwembad aanleggen. Het is een van de sleutellocaties van de roman. Als Cassie op haar eerste avond op de ranch gaat zwemmen, wanen we ons dankzij Bakers sublieme stijl ter plaatse: “De onderwaterverlichting was nog aan en boven het water hing een kleine kegelvormige zwem nachtvlinders, die glinsterden als kroonjuwelen. Ik deed mijn best om aan iets anders te denken dan aan mensen, of aan kleren en bruiloften, en uiteindelijk dacht ik aan vleermuizen en aan hoe die altijd tegen de tijd dat het donker werd over het zwembad scheerden, gewichtloos en in scherpe duikvlucht, waar wij dan van schrokken, maar niet heel erg.”
Baker laat zich kennen als een feilloos stilist met een talent voor dialogen en een scherp inzicht in de menselijke psyche. Cassandra is weer zo’n herontdekking die met kop en schouders boven de meeste hedendaagse romans uitsteekt.

Cassandra, Dorothy Baker. Vertaling: Harm Damsma & Niek Miedema. Nieuw Amsterdam, 255 p.
Deze recensie verscheen op 24 september in De Morgen.



donderdag 28 augustus 2014

Wreedheid toont haar menselijke kantje

De Uruguayaans-Nederlandse schrijfster Carolina Trujillo ontkent haar zelfdestructieve neigingen niet. Uit notities die ze schreef tijdens een van haar donkerste perioden puurt ze een ode aan de “daler”. 

Carolina Trujillo (°1970) kreeg het idee voor De zangbreker toen ze in 2003 door Colombia trok en daar rugzakreizigers ontmoette voor wie alleen drugs en hoeren nog telden. Toen ze zag hoe ze zich naar de ondergang hielpen, kwam het bij haar op dat de wereld onderverdeeld was in “stijgers” en “dalers”. Terwijl stijgers aan hun geluk timmeren en de toekomst vertrouwensvol tegemoet zien, hebben dalers zelfdestructieve neigingen. Wat ze opbouwen maken ze weer kapot. 
In die periode was Trujillo naar eigen zeggen zelf een goede daler. Tijdens haar reis – die uiteindelijk drie jaar duurde en ook naar Peru en Uruguay leidde – leefde ze in een roes van schrijven en coke, tot ze met een hersenbloeding in de kliniek belandde en in allerijl naar Nederland werd overgebracht, een rugzak van zestig liter propvol notities in het kielzog. Uit haar aantekeningen puurde ze de roman De terugkeer van Lupe Garcia (die in 2009 de shortlist van de AKO Literatuurprijs haalde) en nu ook De zangbreker

Het hoofdpersonage, Tony, “zit in dalers”, wat betekent dat hij mensen die van nature uit destructief zijn een duwtje in de rug geeft. Hij werkt voor een wereldwijde organisatie en moet elk jaar bepaalde quota halen. Zijn job bestaat erin te claimen (een klant kiezen), te dalen (diens ondergang bespoedigen) en te cashen (een dode bijschrijven op zijn cv). Soms neemt hij een loopje met die regels. Aan bergbeklimmers bijvoorbeeld kan hij niet weerstaan. Als hij er een hoog tegen een rotsflank ziet hangen, moet hij zijn touwen doorsnijden, ook als het geen klant is. 
Tony’s klanten weten niets van zijn bestaan af. Hij gedraagt zich als een mens, maar is onzichtbaar. Wat hij precies is – een spook, een engel van de dood of nog iets anders? – laat Trujillo aan onze verbeelding over.

Kille sfeer 

De zangbreker leest als een terugblik van Tony op z’n carrière, vanaf het ogenblik dat er iets mis begon te lopen. Na een beroepsfout moet Tony naar Montevideo verhuizen. Hij leert de Mus kennen, een bergbeklimmer die zijn bijnaam dankt aan zijn talent om in barre omstandigheden te overleven. Tony vergezelt hem op een noodlottige klimpartij van de Aconcagua. Nadat de Mus daar is doodgevroren, blijft Tony zijn gezin bezoeken. De jaren verstrijken. Hij volgt de kinderen van nabij en het ongehoorde gebeurt: hij hecht zich aan een van hen. 

Trujillo’s geboortestad Montevideo vervult slechts een decorfunctie. De sfeer en de eigenheden van de stad komen nauwelijks aan bod. Een kille sfeer dampt van de bladzijden af. Trujillo duwt haar personages in de ellende en schuwt het sarcasme niet. De parallelle wereld waarin Tony en zijn collega’s leven is surreëel maar in z’n wreedheid ook angstwekkend menselijk. Sommigen zullen De zangbreker verslavend vinden, anderen zullen opgelucht de laatste bladzijde omslaan. 

De zangbreker, Carolina Trujillo. Querido, 372 p.
Deze recensie verscheen op 20 augustus in De Morgen.

woensdag 23 juli 2014

Duistere delicatessen uit Colombia

In Colombia wordt Evelio Rosero aanzien als een van de grootste stilisten van de huidige generatie schrijvers. Zijn vroege verhalen, nu in bundelvorm verschenen, ontstellen en intrigeren.

Een man maakt een sprong en komt niet meer op de grond terecht. Iemand heeft zoveel honger dat hij bij de aanblik van zijn lege voorraadkast de lakens en het venster begint op te peuzelen. Een ander belt naar huis en hoort zichzelf de telefoon opnemen. De situaties die Evelio Rosero (°1958) in 34 zeer korte verhalen en een vogelkat beschrijft, zijn bevreemdend en een tikje obscuur. Gevaren loeren altijd om de hoek. De man die springt zweeft steeds hoger de hemel in. Het personage dat eet heeft een werkelijk oneindige honger en de man die zichzelf aan de lijn heeft, tja, die krijgt zijn verbazing zwaar te bekopen. 

Rosero komt weg met de meest onwaarschijnlijke scenario’s en heeft daar weinig woorden voor nodig. Invloeden van Jorge Luis Borges en Julio Cortázar, de grootmeesters van het fantastische korte verhaal, schemeren her en der in zijn proza door. Soms gaat hij volledig de surreële toer op, andere keren laat hij gaandeweg de grenzen tussen werkelijkheid en droom vervagen. In De ene dood bijvoorbeeld wordt een schrijver bedreigd door een ongeschreven personage. Vertoeven we in het hoofd van de schrijver en zien we zijn angstbeelden of is de man echt in gevaar? Rosero heeft maar negen regels nodig om onze hersenen rondjes te laten draaien.
Ook als hij zich aan de realiteit houdt, zet hij zijn lezers graag op het verkeerde been. Zo blijkt de vrome zuster uit De zittende non helemaal niet zo onschuldig als hij ons aanvankelijk laat vermoeden.

De besliste toon en de geslepen stijl van deze verhalen wijzen op een grote maturiteit. Toch was Rosero nog piepjong toen hij ze schreef. Vorig jaar werden de zkv’s (waarvan sommige vier tot vijf bladzijden lang zijn) gebundeld, maar oorspronkelijk verschenen ze tussen 1978 en 1981 in Colombiaanse dagbladen en magazines. Sindsdien heeft Rosero uiteenlopende literaire genres beproefd, van poëzie tot kinderverhalen. Het zijn z’n romans die hem literaire roem hebben gebracht. In 2007 brak hij internationaal door met De vertrapten.
Een bundel om zuinig mee om te springen. Hem in één ruk uitlezen zou zonde zijn.
In Colombia staat hij bekend als een van de grootste stilisten van de huidige generatie. Deze vroege verhalen getuigen al van een hoog ontwikkeld taalgevoel. Rosero schrijft gebald, helder en beeldend. Soms leunt zijn proza tegen de poëzie aan. 
34 zeer korte verhalen en een vogelkat is een bundel om zuinig mee om te springen, niet omdat overdaad schaadt, maar omdat alles in één ruk uitlezen zonde is.


34 zeer korte verhalen en een vogelkat, Evelio Rosero.
Vertaling: Henk van Driel en Luc de Rooy. Karaat, 104 p.
Deze recensie verscheen op 23 juli in De Morgen.


woensdag 2 juli 2014

Dwingelandij in een Argentijns hoofd

Patricio Pron groeide op tijdens de Vuile Oorlog. In een gedurfde roman laat hij voelen hoe de jaren van angst en onderdrukking zijn generatie hebben getekend.

Wanneer Patricio Pron (°1975) in 2000 naar Europa verhuist, heeft hij meer dan één doel voor ogen. Hij gaat doctoreren én komaf maken met zijn jeugd in Argentinië, toen de militaire junta het land terroriseerde en moorden en verdwijningen dagelijkse kost waren. Pron strijkt neer in Duitsland waar hij een doctorstitel haalt in de Romaanse filologie. Later vestigt hij zich in Madrid. Terwijl hij romans en verhalenbundels schrijft en ook als journalist en vertaler werkt, verdringt hij zijn herinneringen – een oefening die uitmondt in bezoeken aan de psychiater en een dagelijks gebruik van angstremmers en antidepressiva.

Verkeerd bezig

Pas in 2008, als hij eindelijk weer Argentijnse bodem betreedt omdat zijn vader op sterven ligt, ziet hij in dat hij verkeerd bezig is. In zijn thuisland schijnt alles hem nieuw toe. Maar is dat echt zo of speelt zijn door de psychofarmaca beproefde geheugen hem parten? Zijn vader komt hem haast als een onbekende voor. Wie is hij? Hoe heeft hij geleefd?
Pron stuit in z’n ouderlijk huis op een map recente krantenartikelen over een raadselachtige verdwijning. Het gaat om een zekere Burdisso, een bewoner van de stad waar Prons vader opgroeide. Terwijl hij de documenten inkijkt, wellen herinneringen en schrikbeelden uit z’n jeugd op. Alleen het verleden kan hem dichterbij zijn vader brengen, beseft hij. Erover schrijven wordt een noodzaak. 
De ziel van mijn vader klimt omhoog in de regen is geen rechttoe rechtaan verslag, maar een merkwaardige verzameling van mijmeringen, dromen en feiten. De foute nummering van de hoofdstukjes lijkt een afspiegeling van Prons gebrekkige geheugen.

Wat zijn familie is overkomen, vergelijkt hij met een auto-ongeluk: “Iets had onze weg gekruist en onze auto was een paar keer over de kop geslagen en van de weg geraakt, en nu liepen wij doelloos en verdwaasd door de velden (…). Achter ons lag een auto op zijn kop in de berm van een landweggetje, met bloedvlekken op de stoelen en op het gras, maar niemand van ons wilde zich omdraaien en achteromkijken.”

Als lezer voelen we de urgentie die Pron drijft. Hoewel hij in de epiloog specificeert dat het boek wel degelijk fictie is, houdt hij zich angstvallig aan de feiten. Zo neemt hij talloze krantenartikelen over de zaak Burdisso in het boek op. Die saaie, stuntelig geschreven teksten leiden niet tot sterke fictie.
Het wordt interessanter als Pron de verdwijning op zijn vader betrekt en een verband legt met de verdwijning van Burdisso’s zus tijdens de militaire dictatuur. Pron komt te weten dat zijn ouders actief waren in het verzet en ziet in hoezeer hun strijd uit de jaren zeventig zijn eigen leven nog steeds kleurt.

Toptalent

In 2010 werd de jonge Argentijn door Granta uitgeroepen als een van de 22 beste Spaanstalige schrijvers onder 35 jaar. Net als de Chileen Alejandro Zambra die ook in de Grantalijst is opgenomen sluit hij zich aan bij een nieuwe garde Latijns-Amerikaanse auteurs die opgroeiden tijdens dictatoriale regimes en proberen te achterhalen hoe hun identiteit daardoor is bepaald.
Zijn verhaal ademt onzekerheid, angst en pijn uit, maar ook aanvaarding en de vastbeslotenheid verder te gaan met de last van het verleden.

De ziel van mijn vader klimt omhoog in de regen, Patricio Pron. Vertaling: Arieke Kroes.
Meulenhoff, 206 p. 
Deze recensie verscheen op 2 juli in De Morgen.