U weet het misschien nog niet, maar deze week hebben we iets te vieren. Van boeken en mensen celebreert Zuid-Amerika, het continent van het magisch realisme, van Machu Picchu, El Salar de Uyuni, Torres del Paine en het Amazonewoud, van de koffie en de rum, van de grootste telescopen ter wereld. Als dit alles geen feest verdient, dan weet ik het ook niet meer.
Ik moet zo'n zestien jaar geweest zijn toen ik Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez in handen kreeg. Dagenlang leefde ik in Macondo, aanhoorde ik de profetieën van Melquiades, was ik kind aan huis bij de Buendía's. Nog meer dan van het feitelijke verhaal was ik in de ban van de sfeer van de roman, waarin het wonderlijke deel uitmaakt van de dagelijkse realiteit. Zo voorziet een grootmoeder dat ze zal sterven "als het ophoudt met regenen" (de regenbui duurt vijf jaar), wordt een kind geboren met een varkensstaart, stijgt een vrouw van vlees en bloed als een engel naar de hemel.
Dat niet al deze wonderbare gebeurtenissen ontspringen aan Márquez' grenzeloze verbeeldingskracht, sterker zelfs, dat zijn magisch-realistische universum écht bestaat, mocht ik in het heuglijke jaar 1994 ondervinden. Maar eerst vertel ik u alles over de Venezolaanse zus die in 1991 in onze familie arriveerde.
1 opmerking:
Oh!! Die was ik vergeten! Ze maakte zo'n heerlijke... wat was het... Iets met lasagnevellen... De herinneringen zijn te vaag. En hoe heette ze ook alweer? Ah! Laat dat blogje maar komen! :)
Een reactie posten