Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

woensdag 15 september 2010

Dakota (Basje Boer)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Het was een warme, donkere dag. Het bakstenen gebouw dat hoog boven me uittorende deed een aardige poging om de dikke, zwarte wolken te kietelen die een dak vormden boven de stad. Aan de overkant van de straat sneed een klap onverbiddelijk door de stilte en denderde zijn echo door de verlaten straten van de stad. Het was het geluid van de zware voordeur die werd opengegooid door de een of andere kleerkast met de klauwen van een gorilla. Hij trok een iel grietje achter zich aan naar buiten en haastte zich de straat uit. Ik schoot mijn peuk de goot in en stak de straat over naar de vuile deur die toegang gaf tot Dakota.
     De lange, magere barman was er één van ’t zwijgzame type en ik had wel zin om een potje te zwijgen. Er werd een glas van ’t één of ander voor me ingeschonken en met het ijskoude drankje in mijn hand draaide ik me op mijn kruk om en keek eens goed om me heen. Het was zo’n slecht verlichte bar waar de tijd niet tikt. Of ’t nou ’s avonds is of overdag, je zou ’t bij god niet weten. Achterin zaten twee ongeschoren types hartstochtelijk te zwijgen en aan de andere kant zat een asblonde dame die ouder was dan ze zou willen. Ze voerde biscuitjes aan haar hond, zo’n pluizig ding waaraan je amper kan zien wat voor is en wat achter. Aan het andere uiteinde van de bar tenslotte, in het donkerste hoekje van heel het café, zat een brunette achter haar glas. Haar donkere haar golfde in eindeloze krullen over haar schouders, diep en donker genoeg om een man in te verdrinken. Ze had een gladde, porseleinen huid en grote, grijze ogen. Achter haar strakke blik ging een heel leven aan leed verborgen, dat was zeker.
     Ik vrat nog een sigaret en de tijd strompelde voort. Het hondje van de blondine had genoeg van de biscuitjes en lag met zijn kop op zijn poten onder de stoel van zijn baasje. Een van de kerels in de hoek rekende af en knikte kort naar de brunette. Ze schonk hem een lief verdrietig glimlachje dat de man teruggaf in de vorm van een brutale grijns. Met het smelten van het ijs in mijn glas smolt ook de tijd weg; de uren, de dagen, totdat ik het verschil niet meer zag tussen herinnering en werkelijkheid. Een dame legde een koude hand in mijn nek en blies onvergefelijk zoete woorden in mijn oor. De sleep van haar rode jurk verdween door de spleet van een deur. Ik strekte mijn hand uit maar mijn vingers gleden door de stof als een mes door boter. Ik dook achter haar aan, de deur door naar buiten. Een dun ventje met doorlopende wenkbrauwen trok me aan mijn mouw de nacht in. ‘Meneer, meneer,’ klonk zijn hoge, nerveuze stem. ‘Ik dacht niet dat u nog zou komen, meneer.’ Hij ontblote zijn lange gele tanden in een glimlach en liet me de foto zien die hij in zijn magere vingers geklemd hield. Het was een flets kiekje van een dagje aan het strand. De gorilla van vanmiddag stond erop. Hij hield zijn behaarde arm rond het pietepeuterige middeltje van een dame van wie alleen haar lange donkere haar te zien was terwijl ze omkeek naar de zee achter zich. Ik keek op maar de magere kerel was verdwenen. Ik draaide de foto om en zag mijn naam in kersenrode inkt, geschreven in het zwierige handschrift van een vrouw. De letters tolden voor mijn gezicht, verdwenen in een draaikolk van woorden en gezichten. Het enige wat overbleef was het geluid van een schelle schaterlach.
     Ik greep me vast aan de rand van de bar. ‘Meneer.’ De lange barman sjorde aan mijn mouw. ‘Meneer, ik dacht niet dat u nog bij zou komen, meneer.’ Ik grijnsde. ‘Doe me nog zo één,’ zei ik, wijzend op mijn lege glas. De barman knikte. Hij had zijn stem weer ingeslikt en zijn blik op standje uitdrukkingsloos gezet. Ik keek om naar de brunette aan het andere uiteinde van de bar. Ze zat voorovergebogen op een velletje papier te kalken. Wat moest dat een mazzelpik zijn, dacht ik, die snuiter aan wie ze een brief aan het schrijven was. Ze stond op van haar kruk en heupwiegde mijn kant uit, het velletje papier tussen haar elegante vingers. Het rood van haar rok speelde om haar benen, als golven die stukslaan op de kust. Bij mijn kruk aangenomen hield ze en ze keek naar me op met die grote verdrietige ogen van haar. Toen ze mijn naam zei, barstte die in kersenrode letters uit elkaar. ‘Martin Philips,’ zei ze, ‘je had vast niet gedacht dat ik nog zou komen.’ Ze stak me het vel papier toe. Zij en ik zaten lachend aan het strand, allejezus jong en gebruind door de zon. Ik draaide de foto om.

Basje Boer (1980) is schrijver en beeldend kunstenaar. In 2006 debuteerde zij met de verhalenbundel Kiestoon (Arbeiderspers). Recentelijk verschenen nieuwe verhalen van haar in o.a. De Gids, De Revisor en Deus ex machina.

Wie pasticheert Basje? Uw reactie graag hieronder.

14 opmerkingen:

Alex zei

Celine?

Basje Boer zei

Iets minder literair denken. En iets meer Amerikaans.

Martijn zei

Bukowski..

Hassan zei

Lulu Wang?

Hassan zei

Gerbrand Bakker?

Basje Boer zei

Grappig, Bukowski is niet goed maar schreef ook een pastiche op de schrijver die we zoeken.

Gustaaf zei

John Fante?

Basje Boer zei

Helaas, Gustaaf.

Basje Boer zei

Voor degenen die nog willen raden: er zit een hint in de naam van de hoofdpersoon. En ik zou ook een beetje in de hoek van moord en doodslag denken...

Friso zei

Raymond Chandler

Karin zei

Thomas Harris? Zo niet dan wil ik graag nog een hint..

Karin zei

ah, die vorige is goed. niet eerlijk, die ken ik niet!

Friso zei

Het is heel erg "Singing Detective". Je hoort de voice-over al die pompeuze metaforen uitspreken.

Basje Boer zei

Jep, Raymond Chandler is correct. En The Singing Detective/Dennis Potter in het algemeen speelden inderdaad door mijn hoofd.

Martijn, Bukowski's laatste roman Pulp is ook een soort van Chandler-spoof. Best aardig gedaan.