Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

maandag 21 november 2011

De vrouw op de muur



Toen ik de parkeergarage in Cannes uitreed zag ik een vrouw. De vrouw zat op een muur en rookte een sigaret. Ze droeg een bril en had wijnrood gepermanenteerd haar. Hoewel ze niet dik was (tenzij haar benen niet in proportie waren met haar bovenlijf, dat kon ik niet zien want haar benen zaten achter de muur) deed ze me denken aan La grosse van Françoise Lefèvre. Ik begreep de samenhang niet, maar dat waren de feiten: ik reed de straat op, zag die vrouw en herinnerde me La grosse.

Iedereen noemt haar la grosse, maar eigenlijk heet ze Céline Rabouillot. Ze woont langs een afgelegen spoorlijn waar één keer per dag een trein passeert. De slagboom tijdig neerlaten en weer opheffen voor de trein van 0h37 is haar dagtaak, daarvoor is ze verhuisd naar dit dorp in la France profonde, dit dorp dat ze van haar noch pluim kende, waar de mensen zo ver uit elkaar wonen dat de slager geen winkel heeft maar een vrachtwagen. Op vaste tijdstippen stopt hij in de buurt van Célines huis, dan komt ze buiten, in een lange jurk en met haar vuurrode lokken dansend tot op haar middel, om spek te kopen voor de vogels in de tuin. Als ze met haar pakje spek naar huis terugkeert, of beter, naar huis schrijdt want Céline loopt niet, ze schrijdt, haar lichaam is "een eik op wandel", lachen de slager en de klanten achter haar rug om.
De mensen weten niets van Céline, niets van het verdriet dat haar wegteert. Zolang ze maar kunnen roddelen, over haar omvang, haar excentrieke uiterlijk of haar relatie met Anatolis, de buurman die veel ouder is en die ze elke dag opzoekt. Anatolis die al drie jaar strijdt tegen kanker, die Céline aanbidt en die haar met z'n wijsheid en liefde kracht geeft om door te gaan.

La grosse is een intense en poëtische vertelling over hoe een samenloop van omstandigheden iemand naar de rand van de maatschappij, de rand van het leven kan drijven.

Terwijl ik wachtte voor het stoplicht dacht ik hierover na. Ondertussen verloor ik de vrouw op de muur niet uit het oog. In tegenstelling tot Céline Rabouillot viel ze niet op, als ik die vrouw op straat zou kruisen zou ik ze waarschijnlijk onmiddellijk vergeten, maar nu had ze iets intrigerends. Er was iets met haar houding, hoe ze daar zat op die muur. Misschien straalde ze eenzelfde soort eenzaamheid uit als Céline Rabouillot. Het licht sprong op groen. De vrouw op de muur had me gezien; ze keek terug. Ik gaf haar een knipoog en duwde het gaspedaal in.

La grosse, Actes Sud Collection Babel, 104 p.

Geen opmerkingen: