Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

maandag 28 maart 2011

Garmin (10)



Ik drukte op de startknop van Garmin en begon te lopen. Het was de eerste echt warme dag van het jaar al begon de lente officieel pas over twee dagen. Na een kilometer had ik mijn fleece uit, maar zelfs in t-shirt was het heet. Door de hitte kon ik me moeilijk concentreren. Bovendien lieten mijn personages voortdurend van zich horen. Stil, riep ik terug, zet niet zo'n keel op!

Zij weten van niets maar ik reserveer hen een Spartaanse opvoeding. Voor m'n eigen kinderen ben ik geen voorstander, maar mijn personages moeten in een ijskoud bad. Alleen als ze dat overleven hebben ze recht van spreken.

Ik wachtte dus op het verdict van een criticus. Omdat ik m'n geduld en relativeringsvermogen moest opkrikken liep ik twee grote toeren. Op elke helling voerde ik mijn snelheid op. Af en toe kruiste ik andere lopers. Fietsers ook. Allemaal met rode hoofden van de hitte.

Na een tijd (het duurde toch zeven kilometer) bereikte ik het beoogde effect. Mijn hoofd was leeg. Het enige waar ik nog aan kon denken was een geconcentreerd waterpilletje. Je legt het op de tong en het voelt alsof je een glas water drinkt. Weg, dorst. Waarom bestaat dit niet? vroeg ik me af, het is een gat in de markt. Lopers, wielertoeristen, mountainbikers, iederéén zou dit omarmen. En wandelaars! Hoeven ze niet meer zo'n zware drinkfles mee te zeulen. En ouders konden gewoon een tube pastilles meegeven aan hun kinderen als ze 's zomers buiten gingen spelen.

Als dit in 1978 had bestaan, dacht ik, had Niccolò Ammaniti vast ook een handvol waterpastilles in de broekzakken van zijn personages gestopt. In Ammaniti's roman Je n'ai pas peur (Ik ben niet bang), die zich afspeelt in Zuid-Italië tijdens de zomer van 1978, slaat de hitte van de pagina's.
De negenjarige Michele Amitrano woont met zijn ouders en kleine zus in een gehucht van vijf huizen in het binnenland. Het is zomervakantie en het heeft maanden niet meer geregend. De volwassenen verschansen zich in hun huizen, maar Michele en zijn vriendjes gaan nog wel buiten om te vechten tegen imaginaire monsters of fietskoersen te houden. Op een middag ontdekt Michele tijdens een spel in een nabijgelegen vallei een kuil waarin een lichaam is verborgen. Hij zegt niets aan zijn vriendjes en keert later alleen terug. Het lichaam, zo blijkt, is van een jongen van zijn leeftijd. En hij leeft nog.

Niccolò Ammaniti schept een beklemmende sfeer. Hij doet dat op een erg beeldende manier. De isolatie van het gehucht, de eindeloze korenvelden rondom, de verschroeiende hitte die het land teistert, we zien het perfect voor ons, we voélen het zelfs. In dit decor wordt een vreselijk geheim bewaard dat Michele ontdekt zonder te beseffen in welke gevaren dit hem zal brengen
Ammaniti toont veel maar laat de interpretatie aan de lezer over. We beleven alles door de ogen van de jongen, maar wat denkt zijn moeder van het leven in dat godverlaten oord met een man die voor z'n werk altijd op de baan is? Wat is haar mening over de dubieuze man die Micheles vader plots in huis haalt? Wil zij dit alles wel?
Want, zo blijkt, iedereen in het dorp is medeplichtig. Echte monsters, ontdekt Michele, zien eruit als gewone mensen.

Dit alles flitste door m'n hoofd, daarna beheersten de waterpastilles opnieuw mijn gedachten.
Thuis dronk ik twee grote glazen citroensap. 12.7 kilometer, meldde Garmin.

Je n'ai pas peur, Le Livre de Poche, 252 p.
Ik ben niet bang, Lebowski, 206 p.
De vorige Garmin leest u hier.

Geen opmerkingen: