Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 11 juni 2010

Honderdvijftig



Het strand van Nice was ontruimd en om de zoveel honderd meter stond een agent. Op zee telde ik één boot, van de politie. Zo op het eerste gezicht was ook de hemel leeg en hoewel het tegen vijf uur liep, anders toch spits, was de Promenade des Anglais nagenoeg autoloos.

Zo moet het geweest zijn in de Belle Epoque, dacht ik, en ik beeldde me in hoe rond dit uur, na de afternoon tea, koetsen uit de heuvels van Cimiez en Mont Boron afdaalden en de Promenade oprolden, met dames in witte jurken en mannen in pak. Het wintertoerisme in Nice kende toen zijn gloriedagen.

De eersten die hier de winters kwamen doorbrengen waren de Britten op het eind van de achttiende eeuw, toen het graafschap van Nice nog de speelbal was van Frankrijk en Sardinië. Tussen 1822 en 1824 liet de Britse dominee Lewis Way een weg aanleggen langs het strand, de eerste versie van de Promenade des Anglais. In 1860 werd Nice bij Frankrijk geannexeerd, en toen vier jaar later een spoorverbinding tot in de stad werd doorgetrokken, ging het wintertoerisme helemaal bloeien.
Op zoek naar zon en plezier zakte de Noord-Europese elite af naar Nice. Aristocraten en artiesten kuierden zorgeloos over de Promenade, verlost van alle protocol. Het gerucht deed de ronde dat het toen makkelijker was om gekroonde hoofden te ontmoeten in Nice dan aan de Europese koninklijke hoven.

In de novelle Sur l'eau geeft Guy de Maupassant ons een beeld van de Côte d'Azur uit die periode. Sur l'eau is een soort dagboek van een croisière die de Maupassant in 1888 maakt in zijn jacht, de Bel-Ami. Hij reist van Antibes naar Saint-Tropez en dan weer naar Monaco en maakt onderweg verscheidene excursies aan wal. Zijn ervaringen en observaties leiden tot lange reflecties over de zee en de wind, maar even goed over zijn innerlijke kwellingen (de gekte die hem in 1893 zal vellen, schemert hier en daar al door), over politiek, vrouwen of het wezen van de Fransman.
Hij schrijft over de zichten op het massief van de Estérel en hoe de wisseling van de kleuren lijkt uitgevonden om de Britse toeristen te vermaken, over de drie prinsen die hij kruist op de Croisette, over de mysterieuze invloed van de maan op het menselijke brein, en wanneer hij in Fréjus een menigte ziet samentroepen voor een kerk waar een huwelijk plaatsvindt, is dat een aanleiding om zijn mening te ventileren over het mensenras en hoe de mens de lelijkste van alle soorten is, en daar ook bij te vermelden dat hij een afschuw heeft van mensenmassa's omdat ze een ziel hebben en dat argument te staven met een citaat uit een brief die Lord Chesterfield aan zijn zoon schreef in 1751.

Ik bekeek het gedrang rond me op de dijk en kon er minstens mee instemmen dat een menigte een eigenaardig fenomeen is. Een politiewagen reed traag door de massa. Niemand sloeg er acht op. Alle blikken waren op de horizon gericht. Als ik mijn ogen toekneep, kon ik ze zien: acht puntjes, nu eens op een perfecte lijn, dan weer als een soort vliegende sterconstellatie.

Enkele seconden later strekte mijn nek zich, precies op het ritme van de nekken van de omstaanders. Onze monden vielen simultaan open en net als al die andere handen rond me gingen ook de mijne op zoek naar een fototoestel.

Acht vliegtuigen van de Patrouille de France scheerden boven het strand. Ze lieten blauwe, witte en rode rookpluimen na. Een oefening, zo bleek, voor het feest ter gelegenheid van de honderdvijftigste verjaardag van de annexatie van Nice.


Geen opmerkingen: