Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 1 juni 2012

Doorreizigers



Ik trok de deur dicht en draaide de contactsleutel om. Het was dinsdagavond half zeven, een tijdstip waarop ik normaal thuis ben, meestal in de keuken waar ik de oven en de kookpannen in het oog houd met een roman in mijn hand, als ik een heel goed boek heb gevonden kies ik express ingewikkelde recepten, soms vragen mensen me wanneer ik in hemelsnaam tijd heb om te lezen, dan zeg ik, Als je zoekt vind je op een dag genoeg momenten, waarop ze sprakeloos zijn alsof ik een onzinnigheid heb verkondigd of plots in een zeldzame Oosterse taal ben gaan praten, dat duurt een tijd, dan mompelen ze meestal dat ik geen job heb want schrijven beschouwen ze niet als werk, zeker niet als het thuis gebeurt, gewoon in de woonkamer of in de keuken, die mensen mogen dat vinden, al is het nonsens, alsof ik voor mijn plezier tot drie uur ’s nachts aan een recensie werk zoals ik die avond overigens nog zou doen, al wist ik dat nog niet, aan werken dacht ik niet in de auto, ik reed de hoofdweg op en keek hoe de straat leeg voor me lag, de wereld open, en ik wilde gillen, mijn longen drukten tegen mijn ribben, de zuurstof moest eruit, maar ik deed het niet, in de plaats daarvan draaide ik het raam open, op straat was niemand, niets bewoog, geen hond, geen vogel, zelfs geen tak, behalve ik, in mijn oude Renault reed ik de heuvel af terwijl ik tuurde naar de hekken, de huizen, de klaprozen in de berm, in zijn verlatenheid kwam de omgeving me nieuw voor, onbekend, aan de horizon rees het profiel van de bergen op, schimmig en purper en nog verder was alles eenzelfde kleur blauw, maar het laagste blauw glansde een beetje, daar lag de zee, dat heeft een vrouw me verteld die ik enkele jaren geleden geregeld zag maar nu nooit meer, zo gaat dat, in ons leven zijn veel doorreizigers, ik ben nieuwsgierig naar hen, zelfs naar de mensen die ik op straat zie en waar ik geen woord tegen zeg, ik probeer me hun levens in te beelden, waar ze net vandaan komen en waar ze naartoe gaan en welke zin ze laatst hebben uitgesproken, daarom sprak de nieuwe roman van Javier Marías me direct aan, in De verliefden is de verteller, María, gefascineerd door een man en een vrouw die ze elke dag ziet maar nooit aanspreekt, wanneer ze hen ‘s ochtends ziet in het café waar ze gaat ontbijten observeert ze hen, geïntrigeerd door hun ogenschijnlijk geluk, tot de twee op een dag niet meer opdagen en María maanden later te weten komt dat de man is vermoord, neergestoken door een zwerver, een moord die op het eerste gezicht nutteloos en gratuit is, misschien heeft iemand die ik ooit heb gezien iets gelijkaardigs voorgehad, wie zal het zeggen, ik vond de roman van Marías zo goed dat ik niet wilde dat hij eindigde, ik wentelde me in zijn pensamiento literario, de plot was slechts een fundering, een onderbouw voor wijdlopige, intelligente, formidabele bespiegelingen, goede auteurs doen wat ze willen, daar was Marías een voorbeeld van, dat dacht ik toen ik de auto op het dorpsplein parkeerde, daarom had ik soms zelfs bij trieste passages gelachen, ik nam me voor dat ik het moest opschrijven, straks, als ik weer thuis was, met vers stokbrood.


De verliefden, Meulenhoff, 368 p.
Een recensie van De verliefden leest u hier.

Geen opmerkingen: