Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 24 juni 2011

Latrelatie



We hebben een soort latrelatie. Hij komt alleen 's zomers, zo tussen april en oktober, en alleen 's nachts. Ik verwacht hem. Het is onbewust. Tegen negen uur voel ik de spanning opkomen. Dan vraag ik me af waar hij blijft. Het lijkt bijna alsof hij dat aanvoelt. Plots is hij daar.

Vanavond was een mijlpaal. In de vijf jaar dat ik hem ken heb ik hem voor het eerst gezien. Het gebeurde rond een uur of tien. Hij was al een tijd aangekomen, dat wist ik, al had ik er niet bewust bij stilgestaan. Ik liep de tuin in, tegen mijn zin want ik was middenin een dringende mail, maar ik moest de tomatenplanten water geven. De tomatenplanten sterven elk jaar door mijn vergeetzucht. Dit jaar mag het niet gebeuren. Ik slenterde dus het terras op, nam de gieter, vulde hem bij de kraan en liep toen over het graspad achterom naar de groentetuin, al is groentetuin een groot woord voor zes tomatenplanten met een draad rond.
Het gebeurde halverwege, ter hoogte van de spar. Eerst hoorde ik vleugelgeklap. Het was geen gewoon vleugelgeklap, maar heftig, bijna paniekerig gefladder. Een schicht schoot uit de kruin van de spar, te snel om een duif te zijn, te grijs voor een ekster, te groot voor een vleermuis. Voor ik besefte dat ik hem had gezien, was hij al verdwenen in de bomen bij monsieur Rossignol. Ik bleef met die volle gieter in mijn rechterhand op het pad staan en luisterde. Het bleef stil, wel een minuut lang. Toen klonk zijn karakteristieke roep, uit de verte nu.

Als we televisie hadden, dacht ik tijdens het besproeien van het tomatenperceel, zou ik hem niet kennen. Zijn roep is zo kort en discreet dat hij niet boven het gezoem van een televisie uitstijgt. Daarna lachte ik. Een scène uit La télévision van Jean-Philippe Toussaint welde plots op.
De hoofdpersoon, die onbenoemd blijft, beslist op een dag niet meer naar de televisie te kijken. Hij heeft een werkbeurs gekregen om in Berlijn een essai te schrijven over de band tussen kunst en politiek in de zestiende eeuw in Italië, waarbij hij zich baseert op één bepaald werk van Titiaan (voluit Tiziano Vecelli,  jawel: TV).
Vrouw en kind zijn op reis naar Italië, het werk vlot niet, het is snikheet en hij besluit een wandelingetje te maken. Hij komt bij een park met een meer en installeert zich daar. Tot zijn verbazing merkt hij dat de meeste mensen naakt in het gras liggen. Hij kleedt zich ook uit, een beetje gegeneerd weliswaar. Terwijl hij leest, bespiedt hij het jonge meisje dat verderop ligt. Maar het is echt wel warm. Hij krijgt zin om zich te verfrissen. Poedelnaakt loopt hij over het grasplein naar het meer. Tussen het grasplein en het strand is er een wandelpad waarover mensen flaneren, bijna allemaal gekleed, elegante dames en heren met een sjaaltje om en kranten onder de arm. Van ver ziet hij ze aankomen, maar het is te laat om rechtsomkeert te maken. Een van hen steekt de hand al op.

De scène die volgt is hilarisch. Toussaint beschrijft op zijn typische droge manier de ontmoeting van de hoofdpersoon met zijn weldoener Hans Heinrich Mechelius, de Duitse diplomaat en dichter van wie hij zijn werkbeurs heeft ontvangen. Mechelius stelt hem voor aan zijn gezelschap, de schrijver Cees Nooteboom. De heren doen alsof er niets aan de hand is, wat het ongemak van de hoofdpersoon nog vergroot.
Toussaint heeft dit heel mooi gedaan. De plaatsvervangende schaamte die de lezer overvalt!

Zelfs nu, twee maanden later, voelde ik die schaamte nog. Toen, om kwart over twaalf in bed, had ik de slappe lach gekregen. Ik zette de gieter op zijn plaats, sloot de luiken en ging naar binnen. De heldere roep weerklonk. Ik vroeg me af waar hij nu zat.
Hij, de dwergooruil.

La télévision, Les Editions de Minuit, 270 p.

Geen opmerkingen: