dinsdag 12 februari 2013
De Top Drie (24) van
Sara De Moor (1980) is klassiek filologe en leerkracht Spaans. Sedert eind 2011 werkt ze bij Walry in Gent. Boekhandel Walry werd in 1969 opgericht door Jenny Walry. Tien jaar later werd de winkel overgenomen door Paul Luyten, de huidige zaakvoerder. Waar Walry zich oorspronkelijk concentreerde op Nederlandstalige literatuur, filosofie, poëzie en kinderboeken, is de winkel in de loop der jaren geëvolueerd naar een meer internationaal gerichte boekhandel, met een sterk uitgebouwde afdeling Spaans (literatuur en lesmateriaal). Vandaar mag er in de top 3 van Walry zeker geen oorspronkelijk Spaanstalig boek ontbreken.
Nr. 1
Laat mij dus maar beginnen met Manieren om naar huis terug te keren (Formas para volver a casa) van de jonge Chileense auteur Alejandro Zamba (Santiago de Chile, 1975). Ik heb mij laten vertellen dat zijn twee eerdere romans, Bonsai en Het verborgen leven van bomen ook al een schot in de roos waren, en dat wil ik graag geloven na lectuur van zijn recentste roman. In Manieren om naar huis terug te keren voeren afwisselend twee vertellers het woord, die elk terugdenken aan hun jeugdjaren in de schaduw van de Chileense dictatuur van Pinochet. De verhaallijnen lijken eerst parallel te lopen maar vloeien naarmate de roman vordert steeds meer in elkaar over. Zambra beweerde zelf in een interview voor Cobra veel meer te schrijven dan hij publiceert. Hij schrijft, schrapt en herschrijft tot hij tevreden is. Dat merk je echt goed in deze roman: het verhaal is volledig uitgepuurd, alle overtollige ballast is overboord gegooid, er blijft een mooi fijngeslepen diamantje over. Het relaas van beide vertellers is intiem, subtiel, vol rake details. Ik heb het boek bijna volledig tijdens een slapeloze nacht uitgelezen, en een boek dat je slapeloosheid efficiënt verzacht, blijft altijd bij.
Nr. 2
Stoner van John Williams, verschenen in 1965 maar pas in 2012 naar het Nederlands vertaald, is voor mij ongetwijfeld een van de beste romans die ik de afgelopen jaren heb gelezen. William Stoner, een boerenzoon uit het Midwesten van Amerika, wordt in 1910 naar een regionale universiteit gestuurd om landbouwwetenschappen te studeren. In plaats daarvan wordt hij verliefd op de literatuur en kiest hij voor een carrière als docent Engels. Stoner wijdt zijn leven aan het werk en aan de liefde, maar faalt op beide fronten. Hij trouwt met een manisch-depressieve, manipulatieve vrouw en krijgt op het werk af te rekenen met een uiterst rancuneuze collega. Toch flakkert het vuur hier en daar op, zoals in zijn bevlogen colleges, in een sensuele affaire met een jongere vrouw en in de liefde voor zijn dochter. Naarmate Stoner ondoordringbaarder wordt voor zijn vrouw en collega’s, des te innemender wordt hij voor de lezer. Ik vond het heerlijk om mee te leven met deze integere, intelligente man die zich het leven helemaal anders had gedroomd maar toch nooit verbitterd raakt. Een rauw, voortreffelijk portret van een man en een tijdvak.
Nr. 3
Op zaterdag 3 november 2011 hadden we in de winkel de Noorse auteur Karl Ove Knausgård op bezoek. Liefde, het tweede deel van zijn massieve autobiografische cyclus Mijn strijd, was toen net uit in het Nederlands. In Noorwegen en Zweden heeft Knausgård met deze controversiële autobiografie, waarin hij iedereen bij naam noemt en geen kleine kantjes onbelicht laat, de status van literaire rockster verworven. Hier in Gent bleek hij vooral een heel timide, zachtaardige man te zijn. Liefde was een boek dat ik niet kon laten liggen. Er zit geen echte plot in, het verhaal kabbelt verder van de ene associatie en herinnering naar de andere, maar het bleef me boeien van begin tot eind. Mensen van vlees en bloed die hoog oplaaiende discussies, momenten van euforie, dagdagelijkse verveling, twijfels en frustraties beleven, het is gewoon uitstekend vertelmateriaal. Meer moet dat niet zijn, het leven is literatuur.
Dit is een late aflevering van de Top Drie reeks die in december en januari op Van boeken en mensen liep en in het archief terug te vinden is.
vrijdag 8 februari 2013
Aardse zaken
Omdat ik nooit eerder eenentwintig kilometer had gerend en ik mijn hoofd minder vertrouwde dan mijn benen, had ik me een opdracht gegeven. Tijdens de halve marathon Nice-Monaco zou ik romantitels bedenken. Daarbij moest ik regels in acht nemen. Het aantal woorden stond vrij en het gebruik van leestekens was toegelaten, maar samenstellingen konden niet en de termen “licht” en “schaduw” waren verboden. Verder moest de titel origineel zijn, maar klinken alsof hij altijd had bestaan.
Ik hield het plan in mijn achterhoofd toen ik zondagmorgen om negen uur in de haven van Nice samen met achttien honderd negenennegentig andere renners in beweging kwam. Het traject volgde de Basse Corniche, die langs de kust naar Monaco loopt. Omdat de baan in de haven smal was en we talrijk waren, had ik al mijn aandacht nodig om botsingen te vermijden. Bij de eerste klim, een steile lus die omhoog kroop tot boulevard Maeterlinck, was de rennersstroom nog zo dicht dat ik de eenzame worsteling met de helling niet moest aangaan maar me door de mensenmassa kon laten meevoeren.
Voor de aardigheid begon ik titels op te sommen die ik mooi vond: Kaas, Valse papieren, De onverschilligen, De kolonel krijgt nooit post. Zo ging ik een hele tijd rustig door – De toverberg, Tante Julia en meneer de schrijver, Veronderstellingen, Gloed, Palomar, Het verborgen leven van bomen – tot ik ineens met wantrouwen werd vervuld. Hield ik van deze titels omdat ik de boeken sterk vond of had ik naar deze boeken gegrepen omdat ik de titels zo goed vond? Ik had er geen duidelijk zicht op. Omdat de haarspeldbochten elkaar in hoog tempo opvolgden en de hellingsgraad nu toch zijn tol begon te eisen, besloot ik de kwestie te laten rusten tot ik vlak terrein zou bereiken, maar toen het zover was en boulevard Maeterlinck zich voor me uitstrekte, was mijn hoofd volstrekt leeg, er was zelfs geen plaats voor een gedachte aan de schrijver die vanaf de jaren ’20 tot zijn dood in 1949 in deze laan woonde, Maurice Maeterlinck, die vooral bekend is om zijn toneelstukken, maar ook gedichten, proza en essays op zijn naam heeft en nog steeds de enige Belg is aan wie de Nobelprijs Literatuur werd toegekend.
Boulevard Maeterlinck ging over in Boulevard Princesse Grace de Monaco en even later liepen we door het oud centrum van Villefranche-sur-Mer en dan langs de haven tot aan de kustpromenade waar een antiekmarkt aan de gang was en flanerende gezinnen ons bemoedigingen toeriepen. Er volgde een recht stuk langs het strand en dan moesten we een ijzeren trap op en kwamen we op Saint-Jean-Cap-Ferrat. We renden voorbij Villa des Cèdres, die ooit toebehoorde aan Koning Leopold II, en dan dwars over het schiereiland tot aan de oostkust waar we het huis van The Pink Panther-acteur David Niven passeerden en na een bocht verrast werden door een reusachtige vergulde reptielenkop die over een muur naar ons staarde.
Een bord langs de baan meldde dat we tien kilometer achter de rug hadden, wat betekende dat we bijna halverwege waren, dus begon ik gauw weer te denken aan romantitels en meteen kwam een titel bij me op die me had aangesproken voor ik het boek had gelezen, een titel die ik zag staan in een Frans literair magazine en die zich onmiddellijk in mijn hoofd nestelde zonder dat ik iets over het boek of de auteur wist, namelijk Le bruit des choses qui tombent, oorspronkelijk – en nog mooier – El ruido de las cosas al caer, in het Nederlands vertaald als Het geluid van vallende dingen.
Waarom vond ik die titel bijzonder, vroeg ik me af terwijl ik het casino van Beaulieu passeerde. Schuilde het geheim in de combinatie van de vage omschrijving “vallende dingen” en de zintuiglijke precisering “geluid”, en het aparte geheel dat onbepaald genoeg bleef om de verbeelding van de lezer aan te spreken?
De auteur, Juan Gabriel Vásquez, een Colombiaan, wordt samen met de Chileen Alejandro Zambra een van de sleutelfiguren van de nieuwe generatie Latijns-Amerikaanse auteurs genoemd. In Het geluid van vallende dingen schrijft hij over de impact van het drugsterrorisme van de jaren ‘70 en ‘80 op de Colombianen die zoals hijzelf toen kinderen waren. De roman gaat niet over misdaden en moorden, maar over het gevoelsleven van mensen die groot werden in een klimaat van geweld.
Het verhaal en de symboliek van de titel stonden nog vers in mijn geheugen gegrift, maar terwijl ik over de Basse Corniche rende, met mijn blik gericht op het dorp Eze waar Nietzsche op het einde van de 19de eeuw op vakantie was gekomen en tijdens een van zijn lange wandelingen inspiratie had gevonden voor het derde deel van Also sprach Zarathustra, bedacht ik dat ik de betekenissen van de titel liever vergat om het gevoel niet te verliezen dat de vijf woorden hadden opgeroepen voor ik de roman had gelezen.
Kort daarna boog de baan van het strand af en begon de gevreesde klim naar Cap Estel en Cap d’Ail, waarbij de dramatiek van het landschap – hemelhoge kliffen aan mijn linkerzijde, de zee steeds verder in de diepte rechts – elke gedachte onmogelijk maakte. Toch gaf ik mijn titelplan niet op. De inval zou komen tijdens de entree van Monaco en glorieus zijn. Toen ik de eenzame worsteling met de helling had geleverd, stopte ik even bij een bevoorradingspost om te drinken. Een fatale vergissing, zo bleek, want door die twee bekers veel te koud water kon ik tijdens de twee laatste kilometers alleen aan heel aardse zaken denken.
Het geluid van vallende dingen (Juan Gabriel Vásquez), Signatuur, 270 p.
Een recensie leest u op cobra.
vrijdag 1 februari 2013
Adrie en Herman
De buurman stond voor de deur met drie kisten aan zijn voeten. In de kisten zaten minstens honderd boeken die hij had gevonden bij een verhuizing van vrienden. Hij vertelde dat de vorige eigenaars van het huis Nederlanders waren en dat ze behalve die boeken allerhande spullen hadden achtergelaten, zelfs de bedden en de zetels stonden nog op hun plaats. Toen ik mijn verbazing uitsprak, zette de buurman een plechtig gezicht op en zei hij dat die mensen met de noorderzon waren vertrokken, dat ze niet anders konden en dat het huis op een openbare veiling was verkocht.
Nadat hij was vertrokken, hees ik de kisten over de drempel en sleepte ik ze tot voor het haardvuur waar ik op een kruk ging zitten en begon te sorteren. Ik maakte stapels Nederlands en Engels en in elke categorie een stapel met de boeken die ik wilde houden en een stapel om weg te geven.
Bij het sorteren handhaafde ik een bepaalde methode. Zonder te kijken stak ik mijn hand in de kist, greep ik lukraak een boek en bracht dat tot bij mijn gezicht.
De eerste twee romans die ik zo opviste waren In cold blood en Breakfast at Tiffany’s van Truman Capote. Ze kwamen gelegen want Breakfast at Tiffany’s wilde ik al heel lang lezen en mijn exemplaar van In cold blood heb ik uitgeleend aan iemand aan wie ik het niet ga terugvragen.
Over die drie kisten deed ik twee uur. Elk boek doorbladerde ik, ook als ik al wist dat ik het niet zou houden. Sommige bleken aangekocht in de bouquiniste van het buurdorp, andere in Nederland, er was er zelfs een met een prijskaartje van de Bijenkorf voor twee en een halve gulden. Af en toe vond ik een datum, een naam of een opschrift. Ik kon afleiden dat de boeken hadden toebehoord aan een zekere Herman en Adrie en dat ze in hun bezit waren gekomen tussen 1976 en 2010. In de laatste roman, die van 2010, las ik “Voor je zeventigste verjaardag!”
Minstens een van deze twee mensen koesterde een voorliefde voor thrillers en horror van Amerikaanse auteurs – paperbacks met donkere omslagen en titels in fluorescerende reliëfletters. Ik telde er wel veertig. In de bestsellerkist vond ik ook een rechtensyllabus, een reisgids van Cancún, een oud fotoboek over de Veluwe en een serie Bouquet Reeks romannetjes.
Ook de klassiekers uit de wereldliteratuur konden Herman en Adrie bekoren. Zo viste ik The Great Gatsby op en Honderd jaar eenzaamheid, Schuld en boete, Lady Chatterley’s minnaar, Tortilla flat, De hobbit en de drie delen van In de ban van de ring.
De boeken waar ik het vrolijkst van werd waren onbekenden. Zoen van Adriaan van Dis (een mooi dun boekje van zes op twaalf centimeter met een baksteenrode harde kaft), Kantoortaal van Wim de Jong en Henrico Prins (volgens het opschrift op de eerste bladzijde vreemd genoeg een moederdaggeschenk, gedateerd 9 mei 1999), Slapstick van Kurt Vonnegut (een soort autobiografie als ik de eerste zin mag geloven), het vroege surrealistische werk Maldoror van de in Montevideo geboren Fransman Isidore Ducasse (1846-1870) die schreef onder het pseudoniem Comte de Lautréamont, The Fan Man van William Kotzwinkle (aangekondigd als “outrageously funny”), Wie de schoen past wordt vermoord van Francs Durbridge (een detective van 1967 en het meest doorleefde boek van de stapel) en het Boekenweekgeschenk van 1994, Transit van Hella Haasse, een novelle waar ik direct aan ben begonnen omdat ik de beginsituatie op de achterflap had gelezen en moest weten hoe het verder ging met het hoofdpersonage, een vrouw wiens volledige “aardse bezit zat samengeperst in een klein model rugzak”.
Na anderhalf jaar zwerven in het buitenland keert deze vrouw, die zich Iks laat noemen maar eigenlijk Xenia heet, naar Nederland terug om twee vrienden op te zoeken. Iks heeft geen geld en geen familie, en net als ze zich zorgen begint te maken over onderdak, geschiedt een mirakel: ze vindt een sleutelbos met een adres. Het leidt haar naar een herenhuis dat onbewoond lijkt. Iks dringt binnen. Op de bovenverdieping ontdekt ze achter een valse muur een kamer waar een oude man woont omringd door boeken en muziek. Hij heet Arnold Cluysman en was ooit professor aan de universiteit, maar heeft zich uit de maatschappij teruggetrokken.
Iks blijft een week bij Cluysman. In die week vindt ze één van haar vrienden maar hij is er belabberd aan toe en sterft, en de ander blijkt in de prostitutie beland. Maar dat is bijzaak. De ruggengraat van de novelle zit in de interactie tussen de jonge, brutale Iks die geen boekenkennis bezit maar veel heeft meegemaakt, en de oude Cluysman, die erudiet is en wereldvreemd. Hella Haasse brengt twee werelden zonder raakgebied samen, bijna in een huis clos.
Hoewel Iks en Cluysman elkaar leren appreciëren, trekt Iks op het eind weg, wat te voorspellen is want ze lijkt zo’n persoon die altijd op doorreis wil zijn.
Dat kan wellicht niet gezegd worden van Adrie en Herman, waar ze zich nu ook bevinden. Ze zullen het waarschijnlijk nooit weten, maar hun brede literaire interesses worden gewaardeerd.
Transit (Hella S. Haasse), Querido, 92 p.
Abonneren op:
Posts (Atom)




