Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 16 december 2011

Hij



Hij zei niet veel, dat herinner ik me. Het moet in mei geweest zijn, een bloedhete dag. Hij en z'n vrouw waren op bezoek bij mijn vriendin. Ze kwamen naar het tennisuur van hun kleinzoon kijken. We zaten op een bankje met zicht op de tennisbaan.
Z'n vrouw praatte over Boston en over de formidabele tijd die ze daar had doorgebracht. Pas na tien minuten had ik door dat ze het niet over een recente reis had, maar over haar studietijd zestig jaar geleden.
'Daar heb ik hem leren kennen,' zei ze met een blik op haar man. 'Hij deed er zijn specialisatie orthopedie.'

Hij had een briljante carrière als orthopedist gehad, dat wist ik van mijn vriendin. Ze leefden goed. Het Engeland van toen was het Engeland dat Pat Barker beschrijft in haar debuutroman Union Street, waar ze in zeven hoofdstukken het verhaal vertelt van zeven vrouwen in een armoedige industriële voorstad gedurende de jaren zeventig.
De roman begint met Kelly Brown, een meisje dat 's avonds op straat rondhangt om niet alleen thuis te zijn en op een keer brutaal verkracht wordt. Daarna wordt ze een buitenstaander, wil ze niet meer spelen met haar vrienden, zoekt ze elke avond het gevaar op. Die psychologische evolutie is meesterlijk weergegeven. Alles ligt in suggestie. Barker beschrijft Kelly's emoties en gedachten niet rechtstreeks, maar wij voelen ze, we begrijpen haar zin voor gevaar, hoe afschuwelijk die haar leven ook maakt.
Alle vrouwen in Union Street hebben ellendige verhalen, levens die cocktails zijn van armoede, werkloosheid, alcoholisme, mishandeling. Union Street is niet leuk om lezen, maar wel steengoed. De roman geeft een beeld van hoe het leven was in die wijken.

Die buurten bestonden toen overal, ook in de stad waar hij als orthopedist werkte. Vijftien jaar geleden was hij met pensioen gegaan. Hij en zijn vrouw waren meer dan een halve eeuw samen, maar hij hoorde niet wat ze zei over Boston. Of misschien hoorde hij het wel maar hij reageerde niet. Hij staarde naar de tennisbaan. De kinderen sloegen de bal voortdurend mis. Ik vroeg me af of het aan hun zonnepetten lag, of die kleppen te groot waren. Wij droegen geen petten en er was nergens schaduw. Mijn vriendin had een tube zonnecrème mee. Ze vroeg of iemand er wilde. Hij wilde graag.
Ik keek hoe hij de klad zalf uitsmeerde in een patroon van witte stroken. Hij wreef hard, maar het wit bleef. Na een tijd verloor hij zijn geduld, hield hij op. Hij keek geërgerd alsof hij boos was op zijn huid, alsof dat droge vlekkerige vel het zijne niet was.

Er ging tijd voorbij. Waarschijnlijk zeiden mijn vriendin en ik af en toe iets en de schoonmoeder van mijn vriendin praatte vast mee, maar hij zweeg, dat weet ik zeker.
Na een kwartier ofzo stond hij recht. Hij zei dat het te warm was, dat hij in de auto ging zitten. Terwijl hij opstond viel er iets uit zijn zak. Het viel door het gat tussen de zitting en de rugleuning van de bank op de grond. Hij bukte zich, maar ik was hem voor. Het was een blauwe stoffen zakdoek. Ik nam hem van de grond en gaf hem terug. We keken elkaar even aan. Hij glimlachte. Ik voelde die lach in heel mijn lijf, ik wist van hoe ver hij kwam.

Hier dacht ik aan toen mijn vriendin en ik deze week weer op die bank zaten voor de tennisbaan. Hier had ze vaak over hem gesproken, over z'n intelligentie, z'n gevoel voor humor. Nu vertelde ze dat hij dood was, bezweken aan verwondingen na een sprong van drie hoog.

Geen opmerkingen: