Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

donderdag 30 september 2010

Novembertemperaturen



Overdag klimt het kwik nog tot 23 graden, maar 's morgens en 's avonds is het koud. Mijn vriendin A. zei dat ze op het televisienieuws over "novembertemperaturen" hadden gesproken.
Tot voor kort had ik niets met november. De maand riep hoogstens kerkhoven, kilte en regen op. Dat beeld was aan vervanging toe. De novembers in deze contreien zijn helder en droog, en vermits we hier geen doden kennen, gaan we niet naar het kerkhof.
Maar toen mijn vriendin A. het woord "novembertemperaturen" liet vallen, bleef de gebruikelijke huivering uit. Geen mistig kerkhof, geen miezelregen, geen kilte tot op het bot. Een zin vulde mijn hoofd.
"November is niet kraakfris en stil meer."
Enkele keren galmde de zin door mijn hoofd. Toen was ik op de boerderij van Helmer van Wonderen in het noorden van Nederland.

Boven ligt vader. Vanuit zijn bed ziet hij de bonte kraai die sedert enkele dagen in de es zit. Helmer is beneden. Hij eet in de keuken, aan diezelfde tafel waar hij vroeger met zijn tweelingbroer Henk en vader en moeder zat, en hij kijkt naar de stoelen en herinnert zich wie op welke stoel zat. Nu staat hij op. Een plotse ingeving. In de slaapkamer haalt hij de verrekijker. Hij gaat bij het raam staan en kijkt naar de boerderij van Ada, de buurvrouw die geregeld met haar zoontjes langskomt. Hij ziet dat Ada ook aan haar raam staat. Met een verrekijker.
Het kan ook zijn dat Helmer wilgen aan het knotten is, voerderbiet snijdt voor de ezels, bij het jongvee is of een brandstapel maakt.
Of is hij toch boven, niet bij vader maar in de oude slaapkamer van Henk? Ja. Hij zit op het bed en heeft de doos bovengehaald met de cursussen van zijn studiejaar aan de universiteit in Amsterdam. Naast hem ligt een brief van Riet die toen de verloofde was van Henk. Vijfendertig jaar geleden is dat nu.

November. Eén woord is genoeg en ik ben in Boven is het stil, de roman waarmee Gerbrand Bakker in 2006 debuteerde.
Ik begon er op een avond in, nadat het boek al twee maanden op mijn bureau had gelegen. Na de eerste zin keek ik op en lachte ik, dat herinner ik me, omdat de openingszin zo goed is en veelbelovend. Ik las verder en het was niet alleen de eerste zin, maar de sfeer, het personage, de taal, de toon, alles in deze roman zit juist. Boven is het stil is het verhaal van een eenzame boer van vijfenvijftig jaar die terugblikt op zijn leven. Af en toe moest ik denken aan Dorsvloer vol confetti van Franca Treur omdat het hoofdpersonage van Gerbrand Bakker in veel opzichten een tegenhanger is van dat van Treur. En waar Treurs debuut perfect is om de zomer mee in te leiden (of te verlengen), is zijn trage en ingetogen roman ontegenzeglijk een winterboek.

Mijn vriendin A. mag het me niet kwalijk nemen dat ik glimlachte bij "novembertemperaturen".

woensdag 29 september 2010

Blond en bijzonder geil (Ernest van der Kwast)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Er kwam een totaal vreemde vrouw de boekhandel binnen. Louis trok aan zijn rechteroor. ‘Goedemiddag mevrouw,’ zei hij, ‘wist u dat mensen met grote oren langer leven?’
      ‘Nee,’ zei de vrouw zonder verdere toelichting.
      ‘U kunt er alles over lezen in Mama Tandoori, de nieuwe roman van de Indiase oplichter en kippenhandelaar Ernest van der Kwast. Een prachtig werkje en toevallig op voorraad. Vier voor de prijs van één.’
      De vrouw reageerde niet. Ze hield haar handtas stevig vast.
      ‘In Delhi woont een man wiens oren even groot zijn als de prammen van Sabine Hagendoren,’ zei Louis. ‘Hij is 292 jaar, zeven maanden en twee dagen oud.’
      De vrouw keek hem verbijsterd aan.
      ‘Het staat allemaal in het boek van Van der Kwast. Een prima cadeau ook. Is er iemand in uw omgeving binnenkort jarig? Misschien uw fietsmaker of de brillenverkoper op de hoek?’
      De vrouw schudde haar hoofd. ‘Ik ben op zoek naar een boek,’ zei ze niet op haar gemak, ‘het is voor mezelf.’
      ‘Een zelfhulpboek?’ repliceerde Louis onmiddellijk. ‘Of een hobbyboek? Ik heb alles in huis. Heeft u haar op uw rug? Ook daar hebben we boeken over. Zegt u het maar.’
      ‘Ik ben op zoek naar een thriller van Suzanne Vermeer,’ zei de vrouw. ‘Cruise heet het.’
      Louis begon te kokhalzen. ‘Excuseer,’ zei hij toen hij er klaar mee was. ‘Ik ben allergisch voor thrillers. Behalve als ze zijn geschreven door Saskia Noort. Kent u de Nederlandse schrijfster? Ze is blond en bijzonder geil. Ik zou haar wel een keer achterwaarts in de poes willen naaien.’
      De vrouw deinsde onwillekeurig een meter achteruit en ze keek om, om te peilen waar de uitgang zich bevond.
      ‘Suzanne Vermeer,’ ging Louis verder. ‘Dat is een pseudoniem van een dwergpoliep met puitenogen. Dat kan niet anders. Zo lelijk als de nacht en een bruine streep in haar onderbroek. Anders schrijf je niet onder een schuilnaam.’
      ‘Ze –’ wilde de vrouw beginnen.
      ‘Ze is genomineerd voor de NS Publieksprijs. Ja, dat weet ik. Denk je dat ik geen stielkennis heb? Dat ik hier zomaar wat uit mijn nek sta te kletsen over boeken?’
      De vrouw durfde haar hoofd niet te bewegen. Louis meende haar ogen vochtig te zien worden.
      ‘Mama Tandoori is ook genomineerd voor die NS-prijs,’ zei hij. ‘Het schijnt dat Ernest van der Kwast ook het boek van Franca Treur heeft geschreven. En dat van Erwin Mortier. En dat van Helmut Lotti. Maar dat geloof ik niet. Volgens mij heeft zijn moeder dat gedaan.’

Ernest van der Kwast (1981) had al vaak in literaire magazines gepubliceerd voor hij in 2005 officieel debuteerde met Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen. In april verscheen zijn nieuwe roman Mama Tandoori (Nijgh & Van Ditmar), een geromantiseerd verhaal over zijn Indiase moeder, waarmee hij genomineerd is voor de NS Publieksprijs. U kunt hier stemmen.

Wie pasticheert Ernest? Uw reactie graag hieronder.

maandag 27 september 2010

Gesuikerde pindanoten



Het was woensdagmiddag en we liepen met twee volwassenen en vier kinderen op het pad naar Plage de l'Aiguille in Théoule-sur-Mer. Een man met een witte pantalon en een blauw hemd dat uit zijn broek fladderde kwam onze richting op. Hij droeg een dienblad met zakjes gesuikerde pindanoten.

Toen we op zijn hoogte waren gekomen, bleef mijn vriendin N. staan. Ze groette hem en glimlachte. Hij deed hetzelfde, maar in een flauwere uitvoering. Hij was een jaar of zestig, zag ik, en hield zich heel statig.
'Hoe staat de markt ervoor?' vroeg N.
De man maakte een grimas, en bewoog zijn hoofd traag van links naar rechts en dan weer terug. 'Het seizoen loopt op zijn eind.' Het klonk als een zucht.
'Er is toch nog volk,' zei N. met een knik naar het strand.
'Niet veel.' Hij tuurde naar de zee, alsof hij probeerde te zien wat achter de horizon lag. 'Ze kopen niet meer.'
N. knikte. 'Maar de uwe zijn de beste.'
Hij bedankte haar voor die woorden. 'Willen jullie proeven?' vroeg hij aan de kinderen die hun ogen nog niet van zijn plateau hadden afgewend. Met een nijptang liet hij twee noten in hun handpalm vallen. N. en ik kregen ook. Ze waren heerlijk.

Ik vroeg me af of hij zelf van zijn noten at. Het was hem niet aan te zien. Was hij misschien zoals Frans Laarmans van Kaas van Willem Elsschot?
Frans Laarmans, die al dertig jaar als klerk werkt bij de Antwerpse General Marine and Shipbuilding Company, beslist na de dood van zijn moeder een nieuw leven te beginnen. Op de begrafenis heeft hij de chique mijnheer Van Schoonbeke leren kennen. Die nodigt Laarmans uit zijn vrienden te ontmoeten. Tussen de rijke, hooghartige heren voelt Laarmans schaamte over zijn nederige job en persoon en dat gevoel wordt alleen sterker als hij merkt dat hij ook een bron van schaamte is voor zijn gastheer.
Op een avond neemt Van Schoonbeke Laarmans apart en stelt hem een nieuwe job voor: hij kan de Belgische vertegenwoordiger worden van een Nederlandse firma die Edammer kazen verkoopt. Laarmans beschouwt het als een buitenkans om het onbeduidende klerkenbestaan achter zich te laten. Op de tram naar huis voelt hij zich al een ander mens.

Laarmans meldt zich ziek op zijn werk. Enkele dagen nadat hij het contract heeft getekend, komt twintig ton Edammer toe. Hij laat ze onderbrengen in een depot en wijdt zich aan de inrichting van zijn kantoor. Hij installeert zich in het kamertje naast de badkamer, koopt een bureau en een schrijfmachine en laat een telefoonlijn aanleggen. Daarna onderzoekt hij de verschillende aspecten van zijn nieuwe beroep. Het vinden van een welluidende naam voor zijn bedrijf vergt tijd en energie, om niet te spreken van het ontwerp van briefpapier. U voelt het aankomen. Alle voorwendsels zijn goed om niet te moeten denken aan de essentie: tienduizend kaasbollen die in een kelder op verkoop liggen te wachten.

Van bij het begin is de afloop duidelijk: de kaasdroom zal een kaastragedie worden. Frans Laarmans is gedoemd om een klerk te blijven. De sterkte van de roman is de manier waarop Willem Elsschot het noodlottige avontuur beschrijft. Zijn sobere stijl en droge humor doen na tachtig jaar nog steeds modern aan en hij zet het karakter van Laarmans meesterlijk neer. Sedert Marcovaldo en Palomar van Italo Calvino heeft een personage niet meer zo op mijn lachspieren gewerkt. De beste Frans Laarmans neemt zich zo ernstig dat ik voortdurend te kampen had met plaatsvervangende schaamte. Wat het helemaal tragisch maakt? Laarmans verafschuwt kaas.
De feilloze psychologie van het personage maakt Kaas tot een klassieker. Zoals iedereen van ons wel een Emma Bovary kent, kennen we ook allemaal een Frans Laarmans.

Maar de verkoper op het kustpad van Théoule was geen Laarmans. Hij hield van zijn koopwaar en wist van aanpakken.
'Hij maakt zijn noten zelf,' zei mijn vriendin N. toen we verder liepen. Gedurende tien jaar had ze in Théoule gewoond. Ze kruiste de verkoper toen bijna dagelijks.
'Hij kan uren praten over de verschillende bereidingswijzen, de concurrentie of de import uit China,' zei ze. 'Ik ken niemand die meer weet over de markt van de gesuikerde pindanoot.'