Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Gerbrand Bakker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gerbrand Bakker. Alle posts tonen

vrijdag 7 juni 2013

Rotonde


Ik pak het flesje van de passagierszetel, klik de dop met mijn duimnagel open. Op het parkeerterrein hebben we een kwartier nagepraat. Drinken is niet bij me opgekomen. Dat komt door wat de trainer heeft gezegd, ik heb eenvoudigweg niet aan dorst gedacht. Met mijn ogen op de baan drink ik. Het water is lauw en smaakt vies, maar verfrist wel. 

Op dit uur is de route départementale verlaten. Nou ja, bijna verlaten. Een paar honderd meter voor me rijdt een witte bestelwagen, maar dat is gewoon ook iemand van de club. De supermarkten hebben om acht uur hun deuren gesloten en de andere winkels zijn al lang daarvoor dicht gegaan. En dit stuk van de baan is sowieso minder druk, zelfs tijdens de piekuren. Winkels heb je hier niet, nog niet, alleen akkers en af en toe een boerderij. 

Ik kijk naar de witte bestelwagen. De afstand tussen ons is dezelfde gebleven. Mijn hart klopt weer op zijn normale ritme. Mijn lichaam voelt niet anders dan daarnet, ik heb geen kramp en ik ben niet uitgeput, maar in mijn hoofd is alles anders. Om het met een titel van Gerbrand Bakker te zeggen: Boven is het stil. De rust is kompleet. Er is niets dat ik wil, niets waar ik naar verlang. Dat effect heeft hardlopen met me. Vanavond zijn de woorden van de trainer een extra balsem. 

Ik laat de loopgekte z'n gang maar gaan. De boeken en kranten op mijn tafel raken bedolven onder rugnummers, flyers van wedstrijden, aangebroken verpakkingen van energierepen en edities van Runner’s World. Bijna elke zondag is er wel ergens in de Var of de Alpes-Maritimes een wedstrijd die de moeite loont, wat thuis aanleiding geeft tot lange en delicate onderhandelingen. Het voelt alsof ik me inleef in een personage. Hoe ver kan dat personage gaan? Welke snelheid kan ze halen? Waar ligt haar grens? Ik moét het weten. 

De witte bestelwagen is de rotonde bij de boerenmarkt overgestoken. Tussen ons ligt misschien tweehonderd meter. Ander verkeer is er nog steeds niet. Binnen enkele weken zal dat veranderen, als de vakantie begint. Dan ga ik ook minder lopen, althans dat is toch het plan. Ik weet niet of ik het kan. Op een bepaald ogenblik wordt hardlopen een behoefte zoals eten, drinken, lezen, schrijven. 

Ondanks mijn jasje ril ik. Tijdens de training is het niet te merken, maar de avonden voelen voor de tijd van het jaar nog bepaald fris aan. Dit is de koudste lente sinds 1987, zegt Météo France. Gelukkig zijn de dagen zo lang als ze horen te zijn. Nu, om twintig over acht, is het nog klaarlicht. Pas binnen anderhalf uur valt de nacht. De schemer kondigt zich aan in de details. De klaprozen die in de bermen naast de baan groeien, staan te wijd open. 

Dit alles schrijf ik nu wel op, maar op het ogenblik zelf, donderdagavond om twintig over acht, denk ik niet aan personages, klaprozen of weermannen. Op de 10 km kan je minstens vier minuten sneller. Vanaf september gaan we eraan werken. Dat hoor ik, daar in de auto, steeds opnieuw, en ik kan mijn glimlach niet tegenhouden. Tegelijkertijd zie ik mezelf van op een afstand, verwonderd dat die vier minuten me zo blij maken, verwonderd dat ik anderhalf uur op een atletiekpiste heb doorgebracht, verwonderd dat ik überhaupt aan hardlopen doe. 

De vreugde en verwondering houden aan, ook als ik de rotonde bij de boerenmarkt oprijd en ik de klap hoor, een harde doffe klap in de rechterdeur, waardoor de auto wegglijdt en langzaam om zijn as begint te draaien. 













Boven is het stil (Gerbrand Bakker), Cossee, 264 p.

maandag 5 maart 2012

Sfinx



Meneer Kat zat op de stenen met zijn poten onder zich gekruld en keek naar de kippen die enkele meters verder in het gras liepen. Ze pikten lukraak om zich heen, vooruit, links, achterwaarts, vooruit, rechts, links, zo een hele tijd door, die drie snavels aardewaarts, tot een van hen opkeek en als versteend bleef staan. Onmiddellijk bewogen ook de andere twee snavels hemelwaarts, enkele seconden bleven ze stil, alle drie, geen veertje verroerde zich, dan begon het pikken opnieuw.
Meneer Kat zat daar als een sfinx, roerloos, alleen zijn pupillen bewogen. Hij volgde de bewegingen van de kippen met een superieure en tegelijkertijd toegeeflijke blik, als een kenner van het wezen van de kip, een expert die elke volgende scharrel kon voorspellen.
Dat was op 4 januari, de laatste keer dat hij zich liet zien.

'Als ze weg zijn, zijn ze dood,' zegt iemand in De omweg van Gerbrand Bakker over katten. Katten komen verder niet in de roman voor. Op de plaats waar het verhaal speelt, een landgoed in Wales, lopen andere dieren rond: dassen, ganzen, een hond, koeien, schapen. Dieren zijn in het begin de enige levende wezens die het hoofdpersonage ziet, zij, een Nederlandse vrouw die vroeger doceerde aan de universiteit en een proefschrift maakte over de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson, maar nu een huis huurt op het Welshe platteland waar ze de dagen vult met roken, baden nemen, wandelen, wijn drinken, in de tuin werken. Op een dag duikt een man op, een wandelaar, die ze binnenvraagt voor een kop koffie. Hij blijft een nacht logeren en de volgende nacht ook, ze zegt er niets van en hij begint klusjes op te knappen in huis en op het land en langzamerhand neemt hij steeds meer van haar over, de tuin, de boodschappen, het eten maken.

Wie Boven is het stil heeft gelezen zal de hand van de schrijver herkennen. Ook dit verhaal speelt zich af op het platteland, ook hier hangt die bijzondere verstilde sfeer, en het hoofdpersonage is nu dan wel een vrouw maar net als Helmer van Wonderen is ze eenzaam en draagt ze een geheim met zich mee.
Het is ook weer een roman waar ik in wegzonk, ja, waar ik van bij de eerste bladzijden simpelweg in verdween, in de heldere en zorgvuldige taal, in de beschrijvingen van de natuur en van het werk in de tuin (die zelfs mijn weinig groene vingers deden jeuken) en, vooral, in de personages. Wat zij denken laat Gerbrand Bakker de lezer invullen, hij toont ze in de eerse plaats in hun handelingen of niet-handelingen, in hun woorden en stiltes, wat hen een zweem van mysterie geeft, een mysterie dat bleef als ik het boek uit had, vragen waar ik het antwoord op zocht, nog altijd zoek, ja, hetzelfde soort mysterie dat sinds 4 januari hangt rond Meneer Kat.

De omweg, Cossee, 235 p.

donderdag 30 september 2010

Novembertemperaturen



Overdag klimt het kwik nog tot 23 graden, maar 's morgens en 's avonds is het koud. Mijn vriendin A. zei dat ze op het televisienieuws over "novembertemperaturen" hadden gesproken.
Tot voor kort had ik niets met november. De maand riep hoogstens kerkhoven, kilte en regen op. Dat beeld was aan vervanging toe. De novembers in deze contreien zijn helder en droog, en vermits we hier geen doden kennen, gaan we niet naar het kerkhof.
Maar toen mijn vriendin A. het woord "novembertemperaturen" liet vallen, bleef de gebruikelijke huivering uit. Geen mistig kerkhof, geen miezelregen, geen kilte tot op het bot. Een zin vulde mijn hoofd.
"November is niet kraakfris en stil meer."
Enkele keren galmde de zin door mijn hoofd. Toen was ik op de boerderij van Helmer van Wonderen in het noorden van Nederland.

Boven ligt vader. Vanuit zijn bed ziet hij de bonte kraai die sedert enkele dagen in de es zit. Helmer is beneden. Hij eet in de keuken, aan diezelfde tafel waar hij vroeger met zijn tweelingbroer Henk en vader en moeder zat, en hij kijkt naar de stoelen en herinnert zich wie op welke stoel zat. Nu staat hij op. Een plotse ingeving. In de slaapkamer haalt hij de verrekijker. Hij gaat bij het raam staan en kijkt naar de boerderij van Ada, de buurvrouw die geregeld met haar zoontjes langskomt. Hij ziet dat Ada ook aan haar raam staat. Met een verrekijker.
Het kan ook zijn dat Helmer wilgen aan het knotten is, voerderbiet snijdt voor de ezels, bij het jongvee is of een brandstapel maakt.
Of is hij toch boven, niet bij vader maar in de oude slaapkamer van Henk? Ja. Hij zit op het bed en heeft de doos bovengehaald met de cursussen van zijn studiejaar aan de universiteit in Amsterdam. Naast hem ligt een brief van Riet die toen de verloofde was van Henk. Vijfendertig jaar geleden is dat nu.

November. Eén woord is genoeg en ik ben in Boven is het stil, de roman waarmee Gerbrand Bakker in 2006 debuteerde.
Ik begon er op een avond in, nadat het boek al twee maanden op mijn bureau had gelegen. Na de eerste zin keek ik op en lachte ik, dat herinner ik me, omdat de openingszin zo goed is en veelbelovend. Ik las verder en het was niet alleen de eerste zin, maar de sfeer, het personage, de taal, de toon, alles in deze roman zit juist. Boven is het stil is het verhaal van een eenzame boer van vijfenvijftig jaar die terugblikt op zijn leven. Af en toe moest ik denken aan Dorsvloer vol confetti van Franca Treur omdat het hoofdpersonage van Gerbrand Bakker in veel opzichten een tegenhanger is van dat van Treur. En waar Treurs debuut perfect is om de zomer mee in te leiden (of te verlengen), is zijn trage en ingetogen roman ontegenzeglijk een winterboek.

Mijn vriendin A. mag het me niet kwalijk nemen dat ik glimlachte bij "novembertemperaturen".