Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Antonio Muñoz Molina. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Antonio Muñoz Molina. Alle posts tonen

maandag 14 januari 2013

De maanreis in een Spaans achterafstadje


In ‘Maanstorm’ schetst Antonio Muñoz Molina de eenzaamheid en dilemma’s van een puber die in een slaperig Spaans stadje de maanreis van de Apollo XI volgt en droomt van een nieuwe toekomst voor de mensheid en voor hemzelf.

Vorig jaar verscheen bij ons van Antonio Muñoz Molina (1956) nog de magistrale roman De nacht der tijden, een kroon op een kwarteeuw schrijverschap. Maanstorm, oorspronkelijk El viento de la luna, is ouder. De Spaanse auteur begon eraan na de dood van zijn vader in 2004 en beschreef in Días de diario (2007) hoe het rouwproces en de genese van de roman samenvielen.

Het verhaal speelt in Mágina, een imaginair stadje in Andalusië dat Muñoz Molina al in zijn debuutroman Beatus Ille (1986) opvoerde en dat veel wegheeft van zijn eigen geboorteplaats, Úbeda. De roman opent met de gedachtestroom van een jongen van dertien die op een zolderkamer in een groot, vervallen huis wakker in bed ligt. Het is 16 juli 1969, vier uur in de nacht. Op de benedenverdiepingen zijn z’n grootouders, vader en moeder en zusje in diepe slaap verzonken. Tezelfdertijd, duizenden kilometers verder, wordt de Apollo XI met Neil Armstrong, Edwin Aldrin en Michael Collins naar de maan gelanceerd. 

Koelingssysteem

In de magazines en kranten van zijn mondaine tante Lola heeft de jongen over de maanreis gelezen. Hij heeft elk detail uitgevlooid, tot het koelingsysteem van de ruimtepakken aan toe. Liggend in zijn klamme lakens stelt hij zich voor dat hij één van de drie astronauten is en vastgesnoerd in de cabine van de Apollo XI de aarde verlaat. Bij een stilist als Muñoz Molina levert dit een onvergetelijke openingsscène op – en beslist een van de mooiste stukken die over de maanlancering zijn geschreven.

Terwijl de jongen met de astronauten meeleeft en nadenkt over het nieuwe tijdperk dat de mensheid ingaat, beseft hij dat hijzelf in een overgangsperiode zit. De kinderwereld die hij enkele maanden tevoren nog met zijn zusje deelde is hij ontgroeid. Wat de toekomst zal brengen weet hij niet, maar wat vaststaat is dat hij niet in het pad van zijn vader wil treden, die groentekweker is en ‘s ochtends op de markt tomaten, aubergines en watermeloenen vent. Zelf doet hij niets liever dan lezen. Somber beseft hij dat hij zijn vader ontgoochelt, dat hij voor hem een vreemde wordt.

Oorlogsleed

Met fijne pennenstreken schetst Muñoz Molina de eenzaamheid en dilemma’s van de puberteit, die in een katholiek, armoedig provinciestadje tijdens de dictatuur van Franco nog uitvergroot worden. Terwijl de wereld in de ban is van de maanreis en het begin van het ruimtetijdperk, hebben de bewoners van Mágina meer interesse in wat in hun straat gebeurt, wat de buren doen of niet doen, wat ze zeggen of niet zeggen. De burgeroorlog mag dan al dertig jaar voorbij zijn, maar onder de bevolking leeft nog veel wrok. Muñoz Molina laat het oorlogsleed door het verhaal sijpelen en toont hoe het de personages tekent.

Naast een knappe coming-of-age-roman met een bijna surreëel (en technisch gezien ingenieus) slothoofdstuk is Maanstorm een interessant tijdsdocument. Muñoz Molina dient ons grote geschiedenis toe in bloedmooi, soms kippenvel bezorgend proza. Bij elke fase van de maanreis beschrijft de verteller op een zintuiglijke manier wat de astronauten meemaken, waardoor we de expeditie echt beleven. De toekomstdromen uit 1969 zijn dan wel achterhaald en Neil Armstrong is in augustus gestorven, maar wie Maanstorm leest, ziet de maanlanding weer als het fantastische gebeuren van indertijd, even helder als de voetsporen van Armstrong nu nog zijn op de windloze maan.

Maanstorm, De Geus, 296 p.  
Deze recensie verscheen op zaterdag 29 december in Boeken, de literatuurbijlage van De Morgen.

zaterdag 22 oktober 2011

Waterval van zinnen



Een brede rug, een hoogdravende titel: van bij de eerste oogopslag vermoedt de lezer dat De nacht der tijden van Antonio Muñoz Molina een ambitieus boek is. Dat is geen schijn. De twintigste en langste roman van de Spaanse auteur mag een huzarenstukje worden genoemd. Het boek werpt niet alleen een licht op een complexe en donkere episode in de geschiedenis van zijn land maar ook op de spelonken van de menselijke ziel.

Het verhaal overspant de periode 1935-1936. Spanje is sinds kort een republiek. Politieke spanningen verdelen het land. De nationalisten rebelleren tegen de republikeinen en krijgen steun van fascistische bewegingen in het buitenland.
Zoals veel Spaanse intelligentsia heeft de getalenteerde Madrileense architect Ignacio Abel het land verlaten. In Madrid leidt hij de bouw van een nieuwe universiteitscampus, de Ciudad Universitaria, maar de oorlog heeft de werkzaamheden lamgelegd. Zijn vrouw en twee kinderen kan hij al maanden niet meer bereiken; zij schuilen in hun zomerhuis aan de andere kant van frontlijn. Hij heeft een opdracht aangenomen in de Verenigde Staten.

In het begin van de roman stapt Ignacio Abel de stationshal van Pennsylvania Station in New York binnen. We zien het personage gestalte aannemen in de fantasie van de auteur. “Ik zag hem steeds duidelijker”, schrijft Antonio Muñoz Molina, “opgedoken uit het niets, komend van nergens, ontstaan in een flits van mijn verbeelding, met zijn koffer in zijn hand, hijgend van het oprennen van de trap bij de ingang, dwars door de schaduwen van de marmeren pilaren heen, overrompeld als hij binnenkomt in die immense ruimte waarin hij misschien niet op tijd zijn weg zal kunnen vinden (…).”
Waar een uitdrukkelijke aanwezigheid van de auteur vaak storend werkt, is dat hier omgekeerd: het verhoogt de betrokkenheid van de lezer. De schrijver schaart zich aan onze zijde, als toeschouwer.

Ignacio Abel is in Madrid ternauwernood aan het vuurpeloton ontsnapt. De treinrit van New York naar het universiteitsstadje Rhineberg waar hij een nieuwe bibliotheek zal ontwerpen, is de laatste etappe van een moeizame vlucht uit Spanje. Toch is noch de burgeroorlog, noch het werk de ware reden van zijn komst. Hij hoopt in de Verenigde Staten zijn grote liefde terug te vinden, Judith Biely.
Tijdens de twee uur lange treinreis naar Rhineberg denkt hij terug aan de ontmoeting met Judith een jaar daarvoor en hoe de jonge buitenlandse vrouw z’n leven overhoop heeft gehaald. Terwijl het land op drift raakte en de Madrileense straten een schouwtoneel werden van gruwel en terreur, leefde hij met haar in een zeepbel, in een andere tijd en ruimte waar alleen zij twee bestonden.

Zo subtiel en genuanceerd als Antonio Muñoz Molina de politieke chaos in Spanje in kaart brengt (en de tweespalt van Ignacio Abel die wel socialistische overtuigingen heeft maar de gemakken van de hogere klasse op prijs stelt), zo pakkend schildert hij de liefdesverhouding met Judith en de neveneffecten daarvan, de schuldgevoelens van Ignacio Abel, het verdriet van zijn vrouw Adela, het intuïtieve aanvoelen van zijn zoontje Miguel “met zijn nutteloze zesde zintuig, zijn seismograaf voor familiedreiging”.

Tot het allerlaatste ogenblik bindt Ignacio Abel zich oogkleppen voor. “Als je maar alles bleef doen zoals altijd zou het leven dat daarmee verbonden was geweest vanzelf doorgaan.” Het overspel kan eeuwig en ongestraft aanhouden en de politieke onrust zal snel luwen. De burgeroorlog is al uitgebroken als ook deze illusie aan diggelen wordt geslagen.

Antonio Muñoz Molina stort het verhaal over ons in een waterval van zinnen, zinnen die klateren als die van José Saramago, in een taal zuiver en zorgvuldig als die van Sándor Márai, doordrongen van een melancholie die herinnert aan de romans van Alejandro Zambra. De 736 bladzijden lopen uit in een slottafereel dat de lezer bedwelmd achterlaat. Mogen de omvang en de ietwat pompeuze titel u niet afschrikken. De nacht der tijden is een meesterwerk.

De nacht der tijden, De Geus, 736 p.

(Dit stuk verscheen op 19 oktober in de boekenbijlage van De Morgen.)