Posts tonen met het label Yves Petry. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Yves Petry. Alle posts tonen
maandag 23 december 2013
De Top Drie (15) van ...
Yves Petry (1967) kreeg in 2010 de Libris Literatuurprijs voor De maagd Marino. Hij werkt momenteel aan een nieuwe roman, die hopelijk in de lente af is en volgend najaar zal verschijnen. Een titel is er nog niet, alleen een hoop werktitels, de een al gekker dan de anderen. De minst onnozele is nog: Romantiek voor gevorderden. Over de inhoud zou hij dan weer heel uitgebreid kunnen vertellen, maar juist daarover mag hij niets kwijt.
Nr 1.
De roman Stiller van de Zwitserse auteur Max Frisch, dit jaar (voor het eerst?) verschenen in Nederlandse vertaling. Een zeer indringend portret van ene Stiller, die na jaren spoorloos te zijn verdwenen plots weer in zijn thuisstad opduikt en beweert helemaal niet de door de politie gezochte persoon Stiller te zijn. Wie hij dan wel is? Dat kan hij niet echt vertellen, en al zijn vrienden, zijn vrouw, zijn voormalige kennissen herkennen hem wel degelijk als Stiller. De buitenwereld schijnt hem geen andere identiteit te gunnen dan juist diegene die hij niet wil. Het verhaal is niet van humor gespeend maar bovenal tragisch en diepdroevig. De stijl is bijwijlen ronduit subliem. Dat het boek al bijna zestig jaar oud is, is geen reden om het niet te lezen. De personages zijn moreel net zo bevrijd en verward als wij, en al dragen de dames nog een hoedje, ze bewegen zich door een wereld die even ingewikkeld is als de onze. Geen gezeur over paters en nonnen.
Dat is tip een.
Max Frisch. Stiller. Van Gennep, 690 p.
Nr 2.
Tip twee en drie, daar moet ik over nadenken, want ik heb dit jaar bijzonder weinig nieuws gelezen, alleen maar herlezen, zoals dat meestal gaat als ik volop aan een roman bezig ben. Allerlei non-fictie, louter voor de sfeer, iets over bomen of genen of geologie. Niets wereldschokkends, hooguit een aardig boekje zoals De zintuigen van vogels van de Britse ornitholoog Tim Birkhead (met een k, met een d zou het om van achterover te vallen zijn).
Tim Birkhead. De zintuigen van vogels. De Bezige Bij, 288 p.
Nr 3.
Op dit eigenste moment ben ik Het onbehagen in de cultuur van Sigmund Freud aan het lezen. Meer dan aardig: humor, intelligentie, zwartgalligheid en pessimistische wijsheid van hoog (stilistisch) niveau.
Sigmund Freud. Beschouwingen over cultuur. Boom, 406 p.
maandag 16 mei 2011
Artistieke identiteit
Er is maar één boek dat ik vijf keer bijna heb gekocht.
Telkens ik in een Belgische boekhandel kom ga ik naar dat boek kijken, lees ik een paar bladzijden en schuif ik het weer in het rek.
Nochtans.
Ik heb geen twijfels over het talent van de auteur, en elke keer voor ik de boekhandel binnenga spreek ik me in: nu ga ik het kopen. Maar als ik het boek in mijn handen heb is de verleiding enkele bladzijden te lezen groot. Het duurt maar enkele paragrafen voor de vraag zich opdringt: wil ik dit lezen? Ik wil zoveel boeken lezen, sowieso al te veel voor een leven, waarom dan een gruwelijk verhaal zoals dit zelfs al is het bijzonder goed geschreven?
Elke keer ben ik met een ander boek naar buiten gegaan: Doctor Faustus (Thomas Mann), Bittere bloemen (Jeroen Brouwers), Elephant (Raymond Carver), Books v. Cigarettes (George Orwell). Al die boeken heb ik gekocht in de plaats van die ene roman. Maar als ik thuiskwam en mijn Belgische buit uitpakte, wist ik dat ik een misser had begaan. Ik begon uit te kijken naar een volgende reis naar België, een nieuw bezoek aan de boekhandel. Om dat ene boek weer vast te houden, open te slaan, enkele zinnen te lezen.
Dat boek is De maagd Marino van Yves Petry, de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2011.
Het zijn Petry's rake formuleringen, zijn beelden en zijn benadering van het thema die me bij elk bezoek aan een Belgische boekhandel onmiddellijk naar de P-rekken drijven. Voor mij is stijl even belangrijk, zoniet nog belangrijker dan een plot. Maar toch.
De inhoud, volgens de uitgever: "Een man ketent een andere man vast aan de muur van zijn huiskamer, amputeert zijn penis, snijdt hem vervolgens de keel door en bewaart delen van het lijk in de diepvriezer om er in de weken die volgen van te eten. Wat dit waar gebeurde voorval pas echt intrigerend maakt, is dat het slachtoffer zijn behandeling geheel vrijwillig heeft ondergaan."
Het verhaal van een man die zijn minnaar opeet? Daar zit ik niet op te wachten.
De vijfde keer ging ik buiten met een boek van Yves Petry, niet De maagd Marino, maar Mijn leven als foetus.
Mijn leven als foetus hoort thuis in Belgica, een reeks geredigeerd door Dirk Leyman waarin nieuwe of niet eerder gepubliceerde korte teksten van Belgische auteurs aan bod komen. Petry opent de reeks met een essay over het groeiproces van zijn romans. Hij geeft een inkijkje in zijn schrijverschap of "zijn zoektocht naar een artistieke identiteit", waarmee hij niet doelt op het opbouwen van een publieksimago, maar "de vereenzelviging van de schrijver met zijn werk, in alle eenzaamheid en afzondering, maanden en zelfs jaren voor hij met pers of publiek in aanraking komt."
Mijn leven als foetus is een begeesterd pleidooi voor het zinloze van literatuur van een schrijver voor wie het "authentieker en intenser is om een boek te zijn dan een persoon te zijn".
In deze tijden van mediagekte is Yves Petry eindelijk weer een auteur die zijn werk voor zich wil laten spreken. Een begenadigd schrijver met hoge ambities maar ook een groot relativeringsvermogen, zelfs van zijn eigen schrijverschap.
Toen ik het uit had, ben ik naar mijn computer gehold en heb ik De maagd Marino online besteld.
Mijn leven als foetus, Uitgeverij Voetnoot, 48 p.
woensdag 6 april 2011
Inwoners van een klein land (Yves Petry)
pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl
Het onderwerp van het gesprek dat ik gedwongen was te voeren met de man die in het overvolle café aan mijn tafeltje kwam zitten, was, omdat ik toevallig de krant aan het lezen was en daarbij nog niet verder was geraakt dan de binnenlandse berichtgeving, de politieke impasse die het land in zijn greep hield, zoals dat in diezelfde krant vanuit een ziekelijke sensatie- en gemakzucht dag na dag werd genoemd. Maar het weinige dat over dat onzalige onderwerp nog te zeggen viel, het weinige dat ik iemand over dat onderwerp nog wilde horen zeggen, was gauw gezegd, en ik stond al op het punt de betreffende pagina om te slaan en verder te gaan met lezen in de weinig gegronde hoop dat er pagina’s zouden volgen die me boeiender stof te bieden hadden of die, als de man zijn poging om met mij tot een gesprek te komen niet bleek te willen opgeven, tenminste een interessanter onderwerp zouden opleveren. Maar ook over de crisissen in het buitenland, zo realiseerde ik me snel, zouden de man noch ik meer weten te vertellen dan wat er inmiddels al honderden keren over verteld was. Tegelijk belette de aanwezigheid van de man me om daadwerkelijk verder te lezen, om te lezen op een manier die de mogelijkheid schiep om als het ware tussen de regels door eventueel toch iets op te vangen dat niet al honderden keren was verteld. Allopatritis, verklaarde de man ineens met een nadruk waaruit geen enkele twijfel sprak aan het belang van zijn woorden en aan de interesse die ze bij mij zouden wekken, is een cultureel-mentale aandoening die slechts zelden wordt benoemd ook al is ze alomtegenwoordig. Bij alle mensen die er zoiets als een cultureel-mentaal leven op nahouden, zul je in min of meerder mate het verschijnsel aantreffen dat ik allopatritis heb genoemd. Er bestaan geen mensen die leven in een cultureel-mentale ruimte en die niet zouden kunnen leven buiten een cultureel-mentale ruimte, zei de man, die niet lijden aan allopatritis. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats en in de hoogste mate voor inwoners van kleine landen. Kleine landen zoals het land waar u en ik in leven, voorzien immers helemaal niet in de cultureel-mentale ruimte waaraan sommige van zijn inwoners behoefte hebben, voorzien daar niet in en kunnen daar ook helemaal niet in voorzien. De cultureel-mentale traditie van kleine landen is immers veel te schraal en veel te weinig oorspronkelijk, en de cultureel-mentale actualiteit van kleine landen is veel te onbeduidend. Bovendien hebben kleine landen helemaal niet de neiging om hun cultureel-mentale traditie in ere te houden en hoeveel zelfbedrog vraagt het niet om hun actuele gewicht ernstig te nemen. Inwoners van kleine landen, voor wie een cultureel-mentale ruimte een absoluut noodzakelijke levensvoorwaarde is, zullen zich altijd geroepen voelen tot een ander en veel groter vaderland, er zit voor hen niks anders op dan zich over te leveren aan de aandoening die ik allopatritis heb genoemd. Ik zelf bijvoorbeeld, zei de man, beschouw mij al sinds jaar en dag als een Duitser. Ik spreek geen woord Duits en ben eigenlijk nog maar twee keer in Duitsland geweest, en dan nog wel in Berlijn, wat, zoals bekend, de minst Duitse stad is van heel Duitsland. Toch beschouw ik mezelf sinds mijn vroege jeugd al als een Duitser, of tenminste toch als een inwoner van de Duitse cultureel-mentale ruimte. Als ik de Duitse cultureel-mentale ruimte niet had om in te ademen, was ik ongetwijfeld allang cultureel-mentaal gestikt. Wil ik mijn eigen muzikale wezen onderbrengen in een muzikale traditie, dan voel ik mij op een natuurlijke en om zo te zeggen volstrekt organische manier betrokken op de Duitse muzikale traditie. En zelfs al spreek ik geen woord Duits, ook mijn literaire wezen voelt zich in sterke, om niet te zeggen welhaast exclusieve mate verbonden met de Duitse literaire traditie. En welke andere geschiedenis dan de onvergetelijk obscene Duitse geschiedenis zou beter mijn behoefte kunnen vervullen om me te laten fascineren door en me een erfgenaam te voelen van wat de geschiedenis aan gruwel en blindheid te bieden heeft? Als inwoner van een klein land geef ik mij over aan mijn Duits-geaarde allopatritis omdat er anders voor mij helemaal geen cultureel-mentaal vaderland zou zijn. Dat er natuurlijk noch in het kleine land waar ik woon noch in Duitsland iemand is die mij voor een Duitser houdt, besef ik maar al te goed, zei de man. Het zou volkomen potsierlijk zijn om op mijn begrafenis, later, het Deutschlandlied te laten afspelen. Maar dat is een klein ongemak dat bij allopatritis hoort en waar een gepatenteerde allopatritis-lijder als ik allang mee heeft leren leven, ik ben op het besef van deze onverenigbaarheid zelfs gesteld, het is een teken dat ik helemaal niet gek ben, maar alleen de inwoner van een klein land, zei de man waarna hij onverwacht zweeg, al leek hij het gesprek, of wat daarvoor moest doorgaan, nog niet als beëindigd te beschouwen. Hij bleef in elk geval zitten. Van deze pauze had ik gebruik kunnen maken om een van de vele evidente bezwaren die zijn ongevraagde betoog gaandeweg in mij had opgeroepen, naar voren te brengen, maar voor ik daaraan toekwam, onderbrak hij het zich in mij ontwikkelende formuleerproces. Hoe vreselijk, zei de man op een plots geërgerde toon, is het soort allopatritis dat tegenwoordig in dit kleine land de boventoon voert. Dat is helemaal geen allopatritis die, zoals de mijne, op bescheiden individuele toon een cultureel-mentale ruimte probeert te creëren, dat is een vorm van allopatritis die op quasi officiële, op quasi ontegensprekelijke toon proclameert dat deze ruimte allang bestaat en zelfs altijd al bestaan heeft. Een groteskere leugen, nog veel grotesker dan welke leugens ik mezelf ooit heb aangepraat, heb ik nog nooit gehoord, dat is de waarheid. Het is een vorm van allopatritis die zich voordoet als autopatritis. In plaats van een ander land, wil ze een eigen land, in plaats van een groter land, een kleiner land, in plaats van meer gewicht minder gewicht, in plaats van een sterkere traditie een vagere, een nagenoeg onbestaande. Het is alleen maar te danken aan de al jaren hand over hand toenemende cultuurloosheid, de al jaren groeiende macht van de talentlozen dat deze vorm van autopatritische allopatritis zich als een nationalistische hallucinatiekoorts onder de bevolking heeft kunnen verbreiden. Want anders dan in het geval van mijn soort allopatritis, vereist de autopatritis waar het infantiel-demente rusthuispubliek dat in dit land de dienst uitmaakt, van begint te kwijlen, geen enkel talent. Het is omdat ik daadwerkelijk een muzikaal wezen ben dat ik een muzikale traditie heb gevonden, en het is omdat ik een literair wezen ben, dat ik een literaire stamboom heb, en het is omdat ik een historisch zelfbesef van enig allure wil koesteren dat ik me een kind voel van een geschiedenis waarin ik mijn eigen machtsfanatisme kan herkennen en verwerpen. Maar de cultureel-mentale ruimte die de collectief beleden vorm van allopatritis van tegenwoordig te bieden heeft, is alleen maar een ruimte waarin iedereen naar dezelfde weermannen kijkt, dezelfde spelletjesprogramma’s, dezelfde nieuwspresentatoren, waarin iedereen zich wentelt in hetzelfde gezwets en dezelfde middelmatige tijdschriften leest, dezelfde laagbijdegrondse pulpvodden. Dat is wat hen bindt. Ook zij zijn inwoners van een klein land, maar in plaats van daar de cultureel-mentale consequenties van te dragen, die onvermijdelijk uitlopen op een of andere getalenteerde vorm van allopatritis, vluchten ze in de meest perverse, de meest armoedige soort allopatritis die er bestaat en die ik autopatritis heb genoemd. Altijd weer dezelfde cultuurloze quatsch, altijd weer dezelfde talentloze kitsch. Hun autopatritis is niets anders dan de collectieve en dus talentloze en dus cultuurloze beleving van wat ik als een individuele vorm van allopatritis beleef. Collectief betekenen wij als inwoners van een klein land in cultureel-mentaal opzicht namelijk hoegenaamd niks, alleen individueel kunnen wij daarin een zekere grootheid bereiken. Natuurlijk zullen ze later, op hun begrafenis, de Vlaamse Leeuw kunnen laten afspelen zonder dat iemand dat potsierlijk vindt, en het schijnt dat sommigen bij de gedachte daaraan nu al de krop in de keel krijgen. Het is om van te kotsen, besloot de man heftig. Bij aanvang van ons gesprek, of wat aanvankelijk een gesprek leek te zullen worden, had hij zich uitgegeven voor een psychiater op rust, ten onrechte, zoals ik niet veel later zou vernemen. Wel was het zo dat hij zijn hele leven al op gezette tijden met de psychiatrie in aanraking kwam.
Yves Petry (°1967) studeerde wiskunde en filosofie. Hij debuteerde in 1999 met Het jaar van de man (De Bezige Bij). Zijn vijfde roman, De maagd Marino, verscheen in september 2010 en is genomineerd voor de Libris Literatuurpijs.
Het onderwerp van het gesprek dat ik gedwongen was te voeren met de man die in het overvolle café aan mijn tafeltje kwam zitten, was, omdat ik toevallig de krant aan het lezen was en daarbij nog niet verder was geraakt dan de binnenlandse berichtgeving, de politieke impasse die het land in zijn greep hield, zoals dat in diezelfde krant vanuit een ziekelijke sensatie- en gemakzucht dag na dag werd genoemd. Maar het weinige dat over dat onzalige onderwerp nog te zeggen viel, het weinige dat ik iemand over dat onderwerp nog wilde horen zeggen, was gauw gezegd, en ik stond al op het punt de betreffende pagina om te slaan en verder te gaan met lezen in de weinig gegronde hoop dat er pagina’s zouden volgen die me boeiender stof te bieden hadden of die, als de man zijn poging om met mij tot een gesprek te komen niet bleek te willen opgeven, tenminste een interessanter onderwerp zouden opleveren. Maar ook over de crisissen in het buitenland, zo realiseerde ik me snel, zouden de man noch ik meer weten te vertellen dan wat er inmiddels al honderden keren over verteld was. Tegelijk belette de aanwezigheid van de man me om daadwerkelijk verder te lezen, om te lezen op een manier die de mogelijkheid schiep om als het ware tussen de regels door eventueel toch iets op te vangen dat niet al honderden keren was verteld. Allopatritis, verklaarde de man ineens met een nadruk waaruit geen enkele twijfel sprak aan het belang van zijn woorden en aan de interesse die ze bij mij zouden wekken, is een cultureel-mentale aandoening die slechts zelden wordt benoemd ook al is ze alomtegenwoordig. Bij alle mensen die er zoiets als een cultureel-mentaal leven op nahouden, zul je in min of meerder mate het verschijnsel aantreffen dat ik allopatritis heb genoemd. Er bestaan geen mensen die leven in een cultureel-mentale ruimte en die niet zouden kunnen leven buiten een cultureel-mentale ruimte, zei de man, die niet lijden aan allopatritis. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats en in de hoogste mate voor inwoners van kleine landen. Kleine landen zoals het land waar u en ik in leven, voorzien immers helemaal niet in de cultureel-mentale ruimte waaraan sommige van zijn inwoners behoefte hebben, voorzien daar niet in en kunnen daar ook helemaal niet in voorzien. De cultureel-mentale traditie van kleine landen is immers veel te schraal en veel te weinig oorspronkelijk, en de cultureel-mentale actualiteit van kleine landen is veel te onbeduidend. Bovendien hebben kleine landen helemaal niet de neiging om hun cultureel-mentale traditie in ere te houden en hoeveel zelfbedrog vraagt het niet om hun actuele gewicht ernstig te nemen. Inwoners van kleine landen, voor wie een cultureel-mentale ruimte een absoluut noodzakelijke levensvoorwaarde is, zullen zich altijd geroepen voelen tot een ander en veel groter vaderland, er zit voor hen niks anders op dan zich over te leveren aan de aandoening die ik allopatritis heb genoemd. Ik zelf bijvoorbeeld, zei de man, beschouw mij al sinds jaar en dag als een Duitser. Ik spreek geen woord Duits en ben eigenlijk nog maar twee keer in Duitsland geweest, en dan nog wel in Berlijn, wat, zoals bekend, de minst Duitse stad is van heel Duitsland. Toch beschouw ik mezelf sinds mijn vroege jeugd al als een Duitser, of tenminste toch als een inwoner van de Duitse cultureel-mentale ruimte. Als ik de Duitse cultureel-mentale ruimte niet had om in te ademen, was ik ongetwijfeld allang cultureel-mentaal gestikt. Wil ik mijn eigen muzikale wezen onderbrengen in een muzikale traditie, dan voel ik mij op een natuurlijke en om zo te zeggen volstrekt organische manier betrokken op de Duitse muzikale traditie. En zelfs al spreek ik geen woord Duits, ook mijn literaire wezen voelt zich in sterke, om niet te zeggen welhaast exclusieve mate verbonden met de Duitse literaire traditie. En welke andere geschiedenis dan de onvergetelijk obscene Duitse geschiedenis zou beter mijn behoefte kunnen vervullen om me te laten fascineren door en me een erfgenaam te voelen van wat de geschiedenis aan gruwel en blindheid te bieden heeft? Als inwoner van een klein land geef ik mij over aan mijn Duits-geaarde allopatritis omdat er anders voor mij helemaal geen cultureel-mentaal vaderland zou zijn. Dat er natuurlijk noch in het kleine land waar ik woon noch in Duitsland iemand is die mij voor een Duitser houdt, besef ik maar al te goed, zei de man. Het zou volkomen potsierlijk zijn om op mijn begrafenis, later, het Deutschlandlied te laten afspelen. Maar dat is een klein ongemak dat bij allopatritis hoort en waar een gepatenteerde allopatritis-lijder als ik allang mee heeft leren leven, ik ben op het besef van deze onverenigbaarheid zelfs gesteld, het is een teken dat ik helemaal niet gek ben, maar alleen de inwoner van een klein land, zei de man waarna hij onverwacht zweeg, al leek hij het gesprek, of wat daarvoor moest doorgaan, nog niet als beëindigd te beschouwen. Hij bleef in elk geval zitten. Van deze pauze had ik gebruik kunnen maken om een van de vele evidente bezwaren die zijn ongevraagde betoog gaandeweg in mij had opgeroepen, naar voren te brengen, maar voor ik daaraan toekwam, onderbrak hij het zich in mij ontwikkelende formuleerproces. Hoe vreselijk, zei de man op een plots geërgerde toon, is het soort allopatritis dat tegenwoordig in dit kleine land de boventoon voert. Dat is helemaal geen allopatritis die, zoals de mijne, op bescheiden individuele toon een cultureel-mentale ruimte probeert te creëren, dat is een vorm van allopatritis die op quasi officiële, op quasi ontegensprekelijke toon proclameert dat deze ruimte allang bestaat en zelfs altijd al bestaan heeft. Een groteskere leugen, nog veel grotesker dan welke leugens ik mezelf ooit heb aangepraat, heb ik nog nooit gehoord, dat is de waarheid. Het is een vorm van allopatritis die zich voordoet als autopatritis. In plaats van een ander land, wil ze een eigen land, in plaats van een groter land, een kleiner land, in plaats van meer gewicht minder gewicht, in plaats van een sterkere traditie een vagere, een nagenoeg onbestaande. Het is alleen maar te danken aan de al jaren hand over hand toenemende cultuurloosheid, de al jaren groeiende macht van de talentlozen dat deze vorm van autopatritische allopatritis zich als een nationalistische hallucinatiekoorts onder de bevolking heeft kunnen verbreiden. Want anders dan in het geval van mijn soort allopatritis, vereist de autopatritis waar het infantiel-demente rusthuispubliek dat in dit land de dienst uitmaakt, van begint te kwijlen, geen enkel talent. Het is omdat ik daadwerkelijk een muzikaal wezen ben dat ik een muzikale traditie heb gevonden, en het is omdat ik een literair wezen ben, dat ik een literaire stamboom heb, en het is omdat ik een historisch zelfbesef van enig allure wil koesteren dat ik me een kind voel van een geschiedenis waarin ik mijn eigen machtsfanatisme kan herkennen en verwerpen. Maar de cultureel-mentale ruimte die de collectief beleden vorm van allopatritis van tegenwoordig te bieden heeft, is alleen maar een ruimte waarin iedereen naar dezelfde weermannen kijkt, dezelfde spelletjesprogramma’s, dezelfde nieuwspresentatoren, waarin iedereen zich wentelt in hetzelfde gezwets en dezelfde middelmatige tijdschriften leest, dezelfde laagbijdegrondse pulpvodden. Dat is wat hen bindt. Ook zij zijn inwoners van een klein land, maar in plaats van daar de cultureel-mentale consequenties van te dragen, die onvermijdelijk uitlopen op een of andere getalenteerde vorm van allopatritis, vluchten ze in de meest perverse, de meest armoedige soort allopatritis die er bestaat en die ik autopatritis heb genoemd. Altijd weer dezelfde cultuurloze quatsch, altijd weer dezelfde talentloze kitsch. Hun autopatritis is niets anders dan de collectieve en dus talentloze en dus cultuurloze beleving van wat ik als een individuele vorm van allopatritis beleef. Collectief betekenen wij als inwoners van een klein land in cultureel-mentaal opzicht namelijk hoegenaamd niks, alleen individueel kunnen wij daarin een zekere grootheid bereiken. Natuurlijk zullen ze later, op hun begrafenis, de Vlaamse Leeuw kunnen laten afspelen zonder dat iemand dat potsierlijk vindt, en het schijnt dat sommigen bij de gedachte daaraan nu al de krop in de keel krijgen. Het is om van te kotsen, besloot de man heftig. Bij aanvang van ons gesprek, of wat aanvankelijk een gesprek leek te zullen worden, had hij zich uitgegeven voor een psychiater op rust, ten onrechte, zoals ik niet veel later zou vernemen. Wel was het zo dat hij zijn hele leven al op gezette tijden met de psychiatrie in aanraking kwam.
Yves Petry (°1967) studeerde wiskunde en filosofie. Hij debuteerde in 1999 met Het jaar van de man (De Bezige Bij). Zijn vijfde roman, De maagd Marino, verscheen in september 2010 en is genomineerd voor de Libris Literatuurpijs.
Abonneren op:
Posts (Atom)


