Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Luc de Rooy. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Luc de Rooy. Alle posts tonen

vrijdag 28 december 2012

De Top Drie (12) van


Luc de Rooy (1979) is uitgever van Uitgeverij Karaat en vertaler. Daarnaast bespreekt hij wel eens Latijns-Amerikaanse literatuur op de literaire weblog De Contrabas.

Als uitgever hoor ik hier natuurlijk alle boeken van Uitgeverij Karaat te vermelden. Of andere boeken van onze auteurs. Of de oorspronkelijke editie van titels die in 2013 vertaald zullen worden. Maar om nog een beetje geloofwaardig te blijven – u begrijpt het: geen Karaat-(co-)auteurs op de lijst. Wel drie titels die wat mij betreft interessant waren, opvielen of die ik gewoon met veel plezier gelezen heb. Misschien niet mijn absolute top drie van dit jaar, maar zeker wel titels die het waard zijn aan het eind van het jaar te herdenken. En omdat ik niet weet in welke volgorde ze moeten, staan ze alle drie op een gedeelde tweede plek.

Nr 2.

Ik las Maartje Wortels top drie op deze website, en was bijna teruggekrabbeld om deze titel te noemen (want bij haar op de derde plek geplaatst). Maar nee, dat zou flauw zijn. Enkele van MW’s woorden: een novelle van ‘een van de beste schrijvers van Nederland’ – Manon Uphoff. Dat kan ik alleen maar onderstrepen. Ik volg al jaren wat Uphoff schrijft en bewonder haar werk. Zo ook De ochtend valt. Wederom buitengewoon schrijnend. Wederom buitengewoon gestileerd. Wederom buitengewoon mooi.


Nr 2.

Daarnaast ga ik ook voor een graphic novel, een Nederlandse parel. Ik ben geen kenner, en het kan best dat er mensen zijn die nu gaan zeggen: ‘maar er zijn dit jaar veel betere graphic novels verschenen’, maar daar gaat het hier niet om. De titel luidt: Toen David zijn stem verloor en is van Judith Vanistendael. Een prachtig boek. Ontroerend, sereen, grappig en pijnlijk (en nog een rist beschrijvingen). Daarbij: heel mooi getekend en uitgegeven. Verstild zoals alleen Franse cinema dat af en toe is.



Nr 2.

En toen kwam ik nog een prachtig boekje tegen van een Colombiaanse auteur, Tomás González, dat (waarschijnlijk) in 2013 in Nederlandse vertaling zal verschijnen bij Signatuur: La luz difícil. Een boek over een Colombiaanse immigrant in New York, die niets anders kan doen dan wachten op het telefoontje dat moet melden dat zijn zoon aan de westkust van de Verenigde Staten euthanasie heeft laten plegen. Kippenvel, alleen al bij de gedachte. Maar het gaat niet alleen hierover, een gegeven dat door veel schrijvers tot een tearjerker zou hebben geleid – het boek vertelt ook over hoe het is als migrant naar een ander land te trekken, en over hoe het is als je jaren later terugkeert. En over het door een stad zwerven vol immigranten, zonder dat je echt bij iemand kunt aankloppen. Een boek dat aansluit bij literaire uitgaven van de afgelopen jaren die zich (mede) in NYC afspeelden: Open Stad van Teju Cole, Valse papieren van Valeria Luiselli of Nederland van Joseph O’Neill. 

woensdag 15 december 2010

Castiliaanse asperges (Luc de Rooy)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Wie een grootse aspergesteker wil worden, hoort niet enkel de aspergetroffel goed te hanteren, wie de eeuwigheid in wil gaan, moet genoeg doorzettingsvermogen hebben, zowel in moed als in fysique, zoals ze in het gilde zeggen. Hij moet rechtstreeks naar de wortel gaan, met een onvertogen gezicht de grond omploegen, zijn linkerknie een beetje naar voren, en slechts en touche de grond bewegen, zodat hij voelt dat hij met zijn degentje diep de aarde in gaat. Een voltreffer. De man die voltreffer na voltreffer verzorgt; daar zijn er niet veel van. In het huidige decennium zijn van dat kaliber niet velen te vinden. Dan moet je al snel terug naar de hoogtijdagen van het vak, de gouden dagen van Kopecz.

Deze Kopecz, de grootste aspergesteker aller tijden, hanteerde nooit zijn rechterknie om aan te zetten. 'Dat is het been om op te leunen,' zei hij eens toen hij, nog onbekend, op de velden rondom het zuidelijke Grozdny zijn steken oefende. 'Om de beweging over af te werken,' en de bekendere vakgenoten lachten dan, overtuigd van hun klassieke techniek. 'De aanzet en de lichte landing gebeuren over het linkerbeen,' zei hij me later, toen ik al bezig was met dit epistel over de nobelste der nobele arts d'agricola, en de Noord-Limburgse streken aandeed om de moedige aspergemaîtres te zien, te interviewen. En nu ik dit schrijf herinner ik me Karol Kopezcky, onder aficionados Het jongetje van Warsaw genoemd, dat eens te veel gewicht op het linkerbeen zette, het met rechts probeerde te herstellen, en in zijn hand stak. Het was een warme zomer in 1994, en de aan de rand van het aspergeveld toekijkende vrouwen hoorden hem vloeken. Nee, sinds die dag heeft Kopezcky het nooit meer echt gekund, zijn durf was eraan.

Maar niet alleen Het jongetje van Warsaw was dat lot begaan. Ook De snijder van de Tataren, uit de aspergestekersschool van Lodz, zo genoemd door het gebruik van het kromme stekersmesje, Mariusz Pankewski, doorliep zowel een succesvolle carrière als een aan aftakeling onderhevige periode. En alles en alleen omdat hij opeens begon op te scheppen met zijn techniek. Maar met het witte goud valt niet te spotten. Zeker niet als je aan de oogst van de Wilde Castiliaanse asperge wilt meedoen. Dan staat er meer op het spel dan alleen trots.

Laten we teruggaan naar die middag in Noord-Limburg. Augustus was het, het seizoen al twee maanden voor geopend verklaard. En de kerels uit Polen liepen weken extra op hun sloffen om een paar knaken meer te verdienen. Want alleen als je in de eersterangsrijen mag lopen, kon je genoeg verdienen om een extra bord warme bonen over te houden aan het einde van de week. Met een glas pleegzuster bloedwijn ernaast.

Dame: ik zie dat u weer aan mooischrijverij doet. Kunt u nou nooit eens iets vertellen zoals het echt gebeurd is?
Soms. Maar dit keer moet ik u teleurstellen. De kunst van het aspergesteken én het schrijven daarover zijn nu eenmaal onderhevig aan grote omhalen, jongensachtige bravoure en omtrekkende schijnbewegingen. Ja, wat dat betreft, zijn in dit relaas de gouden tijden van Kopecz weer aangebroken.

Dame: wat een hoogmoed, mijnheer. Ik geloof niet dat ik u op uw woord vertrouw.
Dat kan ik me voorstellen. Maar gelooft u me toch als ik zeg dat ik dit hoofdstuk afsluit zonder één keer een overdrijving toegepast te hebben. En nu ga ik weer snel naar het veld, om met de Polakken een goed glas te drinken. Volgt u mij?

Luc de Rooy (1979) is schrijver, vertaler en uitgever van Uitgeverij Karaat. Hij won verschillende verhalenwedstrijden en werkt aan een roman. Als vertaler verzorgde hij de vertalingen van de eerste twee romans van Alejandro Zambra. Drie andere vertalingen zijn op komst, bij uitgeverijen Thomas Rap, Contact en Oog en Blik.
Over de pastiche: het is een ludieke imitatie van één boek van een auteur. Meer tips volgen, mocht het niet geraden worden. Maar volgens mij is het een erg duidelijke pastiche voor wie dit boek gelezen heeft.