Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Stefan Zweig. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stefan Zweig. Alle posts tonen

maandag 14 februari 2011

De geur van Papeete



Toen ik Amok van Stefan Zweig las herinnerde ik me de geur van de haven van Papeete. Het was een speelse geur die prikkelde en uitdaagde. Soms was hij niet meer dan een vermoeden, een andere keer, als de wind goed zat, kleurde hij alles, zoals de glimlach van de koffiekleurige meisjes op straat met hun gitzwarte haren en bloemenkransen rond de hals.

Ik zie ons nog op de kade van de Tahitiaanse hoofdstad in oktober 1999. We zaten op onze rugzakken en wachtten tot we konden inschepen op de Aranui, het cargo-cruiseschip dat ons naar de Markiezenarchipel zou voeren. Eerst werden de containers ingeladen waarmee de Aranui de eilanden om de drie weken bevoorraadde, daarna mochten de cruisetoeristen aan boord, dan pas was het onze beurt.
We hadden een ticket dat toegang gaf tot "le pont local". Wat dat inhield was ons niet helemaal duidelijk. Het prijskaartje paste in ons budget en binnen zeven dagen zouden we het eiland van Jacques Brel en Paul Gauguin bereiken, dát telde. Dat we gedurende een week met veertien eilandbewoners een kamer zouden delen boven de motoren, kwam een beetje als een verrassing. De rauwe kreet om zes uur 's ochtends ('Café!'), ook. De stormloop van de anderen naar het benedendek zagen we aan met de glimlach. Wij bleven liever liggen. Die eerste dag toch. De volgende dagen schoten ook wij uit onze slaapzak. De kok, een norse eilander met een schedel vol tatouages, wachtte hooguit vijf minuten. Het ontbijt bestond uit café-au-lait en een stuk baguette. Stoelen hadden we niet op ons achterdek, we aten rechtstaand met ons bord op de boord van het schip en als we snel waren konden we zitten op de katrol.

Het is op een soortgelijke plaats, een verloren hoek van een groot schip, dat Amok zich afspeelt, althans, het schip is het decor van het omkaderend verhaal. Zoals zo vaak bij Stefan Zweig is ook Amok een raamvertelling. Een anonieme ik-verteller reist in 1912 op een oceaanstomer van India naar Europa. Wanneer hij op een avond de hitte van zijn kajuit ontvlucht en de uithoeken van de boot verkent, maakt hij kennis met een eigenaardige figuur die hem zijn levensverhaal doet.
De man, die in het duister nauwelijks zichtbaar is, blijkt een arts die na een ongelukkige relatie een missie van tien jaar heeft aangenomen in de tropen. Hij kreeg een post in een afgelegen dorp in het oerwoud. Het harde tropische klimaat en de eenzaamheid werden algauw een kwelling. Op een dag (hij was dan al acht jaar ter plaatse) kreeg hij een Engelse dame op visite. In bedekte termen vroeg zij hem een abortus uit te voeren. Hij, die al jaren geen blanke vrouw had gezien, voelde zich aangetrokken tot de mooie Engelse maar haar hautaine attitude ergerde hem. Hij wilde haar verzoek alleen inwilligen als zij zich nederig opstelde. Toen zij weigerde en wegging, werd hij gek. Hij liep achter haar aan als een "amok", iemand die door waanzin wordt getroffen en begint te lopen, altijd rechtdoor, en alles op zijn passage vernielt, een verschijnsel dat frequent voorkomt in de tropen.
De arts volgde de Engelse naar de stad waar ze woonde. Toen hij vernam dat ze de echtgenote was van een rijke zakenman die binnen een week terugkwam van een maandenlange reis, besefte hij hoe belangrijk hij voor haar was. Alleen hij kon haar eer redden. Maar zij weigerde verder contact, nam haar toevlucht tot een kwakzalver en stierf aan de gevolgen van de ingreep. Op haar sterfbed liet ze de arts beloven het geheim van haar zwangerschap te bewaren.
Daarom, vertelt de arts, is hij op dit schip. Het stoffelijk overschot van de Engelse is namelijk aan boord. Haar man wil in Europa een autopsie laten uitvoeren om de doodsoorzaak te kennen.
Daarna ziet de verteller de man niet meer terug. In de haven van Napels herinnert een incident hem aan het verhaal. Hij ziet dat een doodskist wordt gelost. Op datzelfde ogenblik springt iemand van boord en sleurt de kist in zijn val de zee in.

Amok verscheen in 1922, werd een succes in de boekhandel en markeerde het begin van de literaire roem van Stefan Zweig, maar het was helaas niet het soort boek dat in de cruisebibliotheek van de Aranui voorhanden was. Die bezochten we namelijk af en toe als de toeristen aan tafel waren. Het achterdek was een heerlijke plaats om te lezen. Als we niet lazen, aten we (poisson cru au lait de coco of tsatsimi de thon rouge) of zaten we gewoon in de pont local want daar was altijd iets te beleven. Er werd banjo gespeeld en gezongen, borden exotisch fruit deden de ronde, er werd gepraat en gelachen. We leerden de andere reizigers kennen en maakten plezier met onze slaapbuur, Roger, een bon-vivant die naar Hiva Oa reisde om daar een mangoplantage te beginnen. Er was één familie die zich afzijdig hield, drie vrouwen en een man. Zij namen niet deel aan de gesprekken, noch aan de excursies. De hele dag lagen ze in een hoek op hun plastic matrasjes. De vrouwen gingen zelfs niet naar het dek om eten te halen, dat deed de man voor hen. Het was onmogelijk contact te maken. Ze keken niemand in de ogen en als ze spraken, met elkaar, dan was dat op fluistertoon.

Wat aan de hand was kwamen we bij toeval te weten. Op een avond laat ankerde de boot voor een eiland. De kapitein had de passagiers ingelicht: er zouden snel enkele kisten met voedsel worden gelost, aan wal gaan was onmogelijk. De cruisegangers merkten niets, zij hadden die avond een spel. Op het dek was niemand behalve wij. Het maanlicht was net sterk genoeg om de sloep te zien die te water werd gelaten, de doodskist die uit de buik van de Aranui in het bootje werd gehesen, de stille familie die van boord ging.

Hier dacht ik aan toen ik Amok las. En ik rook de geur van kokoskoekjes.

Amok ou Le fou de Malaisie, Le Livre de Poche, 190 p.

vrijdag 4 februari 2011

Garmin (3)



Ik drukte op de startknop van Garmin en liep gewoon mijn straat uit voorbij de eik waarin een zwerm zwarte vogels zat en de tuin van de buurvrouw van 103, terwijl ik drie uur geleden nog in het luchtruim hing en twee uur daarvoor op tram 8 zat in Basel. Tussen Basel en Nice was de temperatuur vijftien graden gestegen, de hemel was van wit naar strakblauw gekleurd, maar toch had ik het sedert de aankomst op de luchthaven koud. De reden daarvoor was vermoeidheid, en dat lag puur en alleen aan mezelf. Na een exploratie van het verkeersmuseum van Luzern met vier jongens tussen 3 en 5 die onder treinen kropen, door het gangpad van een Boeing koersten, piraat speelden op een boot, een roeiwedstrijd hielden en de Space shuttle verkenden, gevolgd door een vieruurtje bij het speelpark aan het meer waar de kinderen in torens klommen, over hangbruggen liepen en aan katrollen sjeesden, terug thuis een bad en een lange maaltijd met zelfgemaakte pizza, Riojawijn en existentiële gesprekken, ja, na dit alles moest ik zo nodig nog tot een gat in de nacht lezen.
Het was niet mijn bedoeling om La Confusion des sentiments van Stefan Zweig uit te lezen, al had ik het wel kunnen vermoeden want met Zweig is dat heel gewoon, zozeer sleept hij de lezer mee met zijn verhalen over verdrongen passies of liefdes die niet mogen zijn.

La Confusion des sentiments verscheen in 1927 en was onmiddellijk een groot succes omwille van het gedurfde onderwerp.
Het is het verhaal van een professor in de letteren die na een loopbaan van 30 jaar een biografie cadeau krijgt van zijn collega's waarin alles wat van hem en over hem is verschenen opgenomen is. Heel zijn carrière staat in dat boek beschreven, maar toch is het in zijn ogen niet "echt". Het belangrijkste ontbreekt namelijk: de man die aan de de kiem van zijn carrière stond, die zijn liefde voor de letteren heeft ingeblazen, de professor die hij als negentienjarige student kreeg en die hij verafgoodde.
Hij reconstrueert de ontmoeting, veertig jaar geleden, hoe hij als negentienjarige student bij de eerste aanblik van zijn docent Engelstalige literatuur gefascineerd is en kind aan huis wordt bij de professor en z'n mooie jonge vrouw. Al snel heeft hij nog amper contact met medestudenten; zij mijden hem zelfs. Elke avond gaat hij bij de professor eten en daarna praten over Shakespeare. De koele relatie van het echtpaar valt hem op, maar hij stelt zich geen vragen. Wat hem verwart is de eigenaardige attitude van de professor. Nu eens neemt deze de student in vertrouwen, dan weer is hij koel en afstandelijk en soms verdwijnt hij op onverklaarbare wijze voor enkele dagen, vaak na een avond waarin de band net gesterkt leek.

Het is niet verbazend dat Stefan Zweig in zijn tijd gelauwerd werd door Sigmund Freud. Zweigs inzicht in de menselijke psychologie komt ook in deze novelle weer tot uiting. Met een grote finesse beschrijft de Oostenrijkse auteur de passie van de student, zijn verwarde gevoelens daarbij, het ongemak van de professor. In tegenstelling tot Zweigs hoofdpersonage heeft de lezer al snel vermoedens van wat aan de hand is.

Ver na middernacht had ik het licht uitgeknipt en daarna had ik nog een eind gemijmerd over de subtiele stijl van Zweig en hoe hij altijd de perfecte manier vindt om zijn verhaal te vertellen, maar tijdens het lopen dacht ik niet aan La Confusion des sentiments, zelfs niet aan andere boeken. Ik dronk de lentelucht, voerde mijn ritme op en liep de koude en de vermoeidheid uit mijn lijf.
Drie toeren.

La Confusion des sentiments, Le Livre de Poche, 160 p.
De vorige Garmin leest u hier.

vrijdag 31 december 2010

Pad



Het is de tijd van het jaar. Ze zijn overal. Sommige zijn frequent, andere hoogst zeldzaam, maar soorten bestaan er genoeg. Te veel, zelfs. De meest bekende zijn misschien de wijnindigestie, de wildindigestie, de zeevruchtenindigestie en de chocoladeindigestie, maar ook de gekonfijte vruchtenindigestie doet zich voor, sommigen van u hebben last van een sneeuwindigestie, in deze regionen is dat eerder een regenindigestie en ik persoonlijk lijd aan een lijstjesindigestie.

De eindejaarslijsten vullen de boekenbijlagen van kranten en magazines, verspreiden zich over het internet en zijn quasi identiek. In elke lijst duikt Freedom op van Jonathan Franzen. Door een enkele recensent wordt de roman verrassend "soapopera" genoemd maar alle anderen bedelen de nieuwe Franzen met lovende en gelijksoortige bewoordingen. Ik heb Freedom niet gelezen en na alles wat ik al weet over de plot, de personages, het vertelstandpunt en het teleurstellende einde is de behoefte om het boek te lezen klein.
Op deze laatste dag van het jaar geen lijst dus. Althans, geen klassieke lijst. Laten we het houden op een pad. Er zijn weinig zaken die me tijdens deze decembermaand namelijk méér bezighouden. Ik zou bij wijze van spreken een moord begaan om te weten hoe dat van u eruit ziet en hoe het zich ontwikkelt, of u het uitkient dan wel aan het toeval overlaat.

Het mijne begon op 19 januari, wat gerust zeer laat mag worden genoemd. De eerste was Un chien de caractère van Sándor Márai, een toevallige vondst in de bibliotheek van Cannes. Op 27 januari volgde I.M. van Connie Palmen, in Amsterdam gekocht na het feest van De Bezige Bij waar de diva-allures van la Palmen mijn aandacht hadden getrokken. De eerste maand van 2010 eindigde met De Gast van Guadalupe Nettel.

Het jaar kwam pas op dreef in maart met Razernij van Sergio Bizzio, op de hielen gezeten door Dagen van gras van debutant Philip Huff, De wil en het lot van de 82-jarige Mexicaanse auteur Carlos Fuentes (wiens eerste bladzijde me achterover blies en die ik per se wilde voorlezen, iets wat me anders niet overkomt), en het aparte, surrealistische Il ne vous reste qu'une photo à prendre van Laurent Graff.

April begon met Dit is jouw huis van Maartje Wortel, een maffe verhalenbundel die de schrijfster zelf me overhandigde nadat ze de eerste bladzijde van een hoogst interessant opschrift had voorzien. Op paaszondag, 4 april, lag ik tussen de ontluikende madelieven op het gras met Dorsvloer vol confetti van Franca Treur. Op 14 april las ik Landen van Laia Fabregas, op 17 april kwam How fiction works van James Wood en 22 april was de dag van La confession de Zeno van Italo Svevo dat me bij een eerste lezing van de achterflap (we schrijven kerst 2009 in Tropismes in Brussel) bijna een toeval had bezorgd. Vierentwintig april stond in het teken van Art van Yasmina Reza dat, zo was me bevestigd, een must-read was in de fictie over moderne kunst.

Mei werd ingeleid met Où on va papa? van Jean-Louis Fournier dat hoge ogen gooide tijdens de rentrée littéraire van 2008. Vijf mei was de dag waarop ik niet ophield met glimlachen dankzij Aventures van Italo Calvino, gevonden tussen de kinderboeken in de bibliotheek van Cannes. Toevallig of niet, maar op 6 mei maakte ik kennis met Alejandro Zambra en z'n eerste roman Bonsai, die me deed denken aan Calvino en dan specifiek aan Als op een winternacht een reiziger. Na De liefhebber van Hester Carvalho viel de roman die ik zelf had willen schrijven me in de hand, Vingt-quatre heures de la vie d'une femme van de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig die, zo las ik, jammerlijk zelfmoord pleegde in Brazilië in 1942, samen met zijn vrouw nota bene, maar gelukkig toneel en essais en meer dan veertig romans en novellen aan de mensheid had nagelaten.
Op 21 mei sloot ik Invisible van Paul Auster, een roman die me nog maar eens duidelijk maakte dat alles mogelijk is in de literatuur en me zin gaf om te experimenteren met vertelstandpunten, wat ik vervolgens ook deed, met bedroevend resultaat. En op 24 mei las ik in een tuinzetel Vissen redden van Annelies Verbeke.

Toen kwam juni, de maand van het verbluffende Le joueur d'échecs van Stefan Zweig, dat me bevestigde in het talent van de Joodse schrijver en hem bombardeerde tot mijn ontdekking van 2010, van Uitweg van Elsa Osorio en De rode maan van Luis Leante, die allebei een recensie kregen in tegenstelling tot De kunst van verliezen van David Trueba, zonder meer het slechtste roman die ik in 2010 heb gelezen.

Juli begon met Donderhart van Thomas Blondeau, ging crescendo met TussenEenPersoon van Esther Gerritsen, om een climax te bereiken met Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen van Herta Müller, een roman die ik las in een Mediterraan klooster en die me vervoerde naar het Roemenië van Ceauscescu waarbij het besef zich opdrong dat ik geen Auster was, dat goochelen met vertelstandpunten niet aan mij was besteed en dat ik terug moest naar mijn oude ik-verteller maar dan beter.
De siësta van 24 juli bracht ik door met L'Homme qui plantait des arbres van Jean Giono, opgepikt in Librairie Les Arcenaulx in Marseille. Op 30 juli las ik de 944ste en laatste bladzijde van De hand van Fatima van Ildefonso Falcones en de dag nadien volgde De rest is stilte van Carla Guelfenbein.

Op 18 augustus sloot ik in het middelpunt van Frankrijk Het eiland onder de zee van Isabel Allende en 23 augustus was de dag waarop ik Kaas van Willem Elsschot herlas.
Op 27 augustus worstelde ik me door Parlez-moi d'amour van Raymond Carver, jawel u leest wel "worstelde" want Carver in vertaling lezen, besefte ik, was doodzonde. Ik sloot augustus af met Le Cri van Laurent Graff, dat net zo surrealistisch bleek als z'n laatste foto-verhaal.

Het schooljaar ving aan met La carte et le territoire van Michel Houellebecq dat ik zelfs Houellebecq-haters durf aan te raden. Na zo'n boek valt te verwachten dat het in dalende lijn gaat en daarom was de verrassing bij Boven is het stil van Gerbrand Bakker groot. Het niveau bleef met Soie van Alessandro Baricco. Ik las ook Bezonken rood van Jeroen Brouwers, dat maanden onder de rubriek "In voorbereiding" heeft gestaan maar er nu uit is omdat ik geen aanleiding vind voor een stuk op Van boeken en mensen, al mag het gezegd worden dat mijn zoektocht oppervlakkig bleef.

Met De Verzoeking van Hugo Claus, grotendeels gelezen in de Bar des Boulistes, Het verborgen leven van bomen van Alejandro Zambra, Le certificat van Isaac Bashevis Singer en La famille de Pascal Duarte van Camilo José Cela, dat ik in het herfstverlof vond in de ouderlijke bibliotheek en meenam naar mijn oude kamer waar ik tot in de vroege uren las, al is lezen hier te zwak uitgedrukt want ik dronk de woorden van Camilo José Cela die in 1989 de Nobelprijs Literatuur kreeg maar dit meesterwerk schreef in 1942 toen hij nog zesentwintig moest worden, was oktober een van de sterkere maanden.

Tijdens diezelfde herfstvakantie zag ik in de rekken van mijn zus Intimacy van Hanif Kureishi staan, dat meereisde naar Frankrijk en november inzette. Acht november was niet alleen de dag van de uitreiking van de AKO Literatuurprijs en van de Prix Goncourt maar ook die van Mes prix littéraires van Thomas Bernhard, een hilarisch boekwerk dat me zin gaf om het volledige oeuvre van deze mij tot voor kort volslagen onbekende auteur aan te schaffen. De dag nadien las ik Villa des Roses van Willem Elsschot, wat handig bleek toen de Franse gastronomische maaltijd een week later officieel erkend werd als werelderfgoed van de Unesco.
Uit België had ik behalve Villa des Roses ook Dat wat overblijft van Tom McCarthy meegebracht (aangespoord door een lovend stuk op het weblog van Jan van Mersbergen), dat me inspireerde tot een pastiche die op 17 november verscheen en pas op 13 december werd gevonden nadat een moedige lezer een studie had gemaakt van de hedendaagse Britse literatuur. November was ook de maand van De vioolbouwer van Auschwitz van Maria Angels Anglada, waar de overleden Catalaanse schrijfster de kracht van kunst plaatst tegenover de gruwel van de holocaust, en van Tegen de wind in van Angeles Caso, waarvoor de huishoudster van Angeles Caso een pluim verdient maar hierover een andere keer meer. Het laatste en kortste boek van de elfde maand was de novelle Le bouquiniste Mendel van Stefan Zweig, dat een goede introductie is tot het werk van Zweig en dat u krijgt wanneer u uw literatuur inslaat bij Le Talon d'Achille in Montluçon.

Het najaar ging in stijgende lijn. Wat dan te verwachten van december? Een afknapper? Een anticlimax? Een deceptie, een desillusie, een domper of een flop? Een frustratie, een kater, een klap, een koude douche, een misrekening, een ontgoocheling of, nog beter, een sof?
Niets van dit alles. December begon met een oerknal, Le Premier Amour van Sándor Márai. De twee kabelloze weken die volgden waren een gelegenheid om Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres van Marcel Bénabou te lezen, een boek dat geen afleiding verdraagt. Daarna las ik de laatste hoofdstukken van What is the What van Dave Eggers, dat tot mijn schaamte al vier maanden op het nachtkastje lag en waarover ik, helemaal zoals bij Freedom van Jonathan Franzen, veel te veel had gelezen. Mijn op één na laatste was Purge van de Finse schrijfster Sofi Oksanen, dat me is aangepraat door een boekverkoopster in Draguignan en waarover hier volgende week meer te lezen is.
Het laatste is een dun boekje dat op een beperkt aantal exemplaren is verschenen, niet in de handel ligt en speciaal is geschreven voor deze tijd van het jaar. (Gaat nu een lamp branden, komt u dan hier naar de auteur raden.)

Mijn leespad begint in 2011 met De toverberg van Thomas Mann, maar daarna? Hoe zal het zich ontwikkelen? Zal het afhangen van een vaag opgevangen gesprek of een zin in de krant, een aantrekkelijk omslag in de etalage van een boekhandel of een plotse behoefte aan een genre of thema, een geschenk of een innemend/wanstaltig gezicht op een achterplat?
De invloeden kunnen ook van een andere orde zijn. Alles kan zo'n leespad voeden.
Beeld u zich een kleine, kale kamer in met witgekalkte muren en een hoog raam. Door dat raam valt een zonnestraal binnen. Ze belicht een stofpluis die traag naar beneden dwarrelt.
Waar denkt u aan als u dit voor u ziet?
Persoonlijk krijg ik dan zin om Tsjechov te lezen. De redenen doen niet ter zake maar de aanleidingen zijn overal, ik bedoel maar.
Als u dit in gedachten houdt en daarbij bedenkt dat er bij de (bijna) zeven miljard mensen, althans al wie van hen geletterd is en toegang heeft tot boeken, geen twee gelijke leespaden zijn?
Dan begrijpt u dat mijn hoofd duizelt. En niet van de indigesties.

maandag 29 november 2010

Le talon d'Achille



Deze zomer bracht een zwerftocht door Frankrijk ons in het middelpunt van het land, Montluçon. Op de markt kochten we kersen en abrikozen en daarna klommen we naar het kasteel van de Bourbons waar we loopwedstrijdjes hielden op het voorplein. Toen daalden we opnieuw af naar de binnenstad om in de autovrije steegjes een eetgelegenheid te zoeken. Het gebeurde was in zekere zin een schitterend ongeluk. We zagen het in het passeren, heel toevallig, een groot raam en daarboven de letters Le talon d'Achille.

Schemerlampen hingen als duizend schitterende zonnen aan het plafond. Ze belichtten tafels en wanden vol boeken. In het uitstalraam lag een atypische selectie nieuwe romans en dieper in de winkel zag ik de klassiekerreeks van Grasset, Les Cahiers Rouges, en een volledige kast gewijd aan de Bibliothèque de la Pléiade. Het was kwart na twaalf. Om half een zou de winkel sluiten.
Haast was zonde, besefte ik toen ik de rekken afschuimde voorbij oude titels die in de gemiddelde boekhandel alleen op bestelling zijn te verkrijgen, ongekend werk van klassieke auteurs, veel beloftevolle onbekenden en de glansrijke afwezigheid van commerciële bestsellers (kortom, het soort selectie waar ik meestal alleen van kan dromen), maar toen we om klokslag half een bij de kassa stonden, stelde ik vast dat op een kwartier tijd veel was gebeurd.
De verkoopster wikkelde de aankopen in strakke pakjes van purper papier die ze verzegelde met een verguld etiket met de naam en het logo van de winkel. Toen ze alles in een plastic tas had gestopt, gaf ze me twee boeken cadeau. Een daarvan was Le bouquiniste Mendel, een novelle van Stefan Zweig uit 1929.

Na het diner (pizza in een restaurant naast de boekhandel) gingen we naar het stadspark van Montluçon om daar op een bank bij de fontein te lezen. Ik keek naar de keurig aangeharkte lanen en de bonte bloemenperken en vroeg me af hoe het park was in de herfst. Afval en dorre bladeren kon ik me hier niet voorstellen!
Toen sloeg ik Le bouquiniste Mendel open. Na twee bladzijden had ik dat gevoel al dat Zweig en Márai altijd bij me opwekken, een mengeling van vreugde, opwinding en verwachting, veroorzaakt door de precieze, prachtige taal, de rake verwoording van gedachten en gevoelens, een op handen zijnde onthulling. Met tegenzin legde ik het boek weg. Het was te goed voor snelle consumptie. Bovendien vroeg het verhaal erom gelezen te worden in een koffiehuis.

Het boek bleef maanden in zijn plastic tasje op de stapel naast mijn schrijftafel tot ik enkele weken de geschikte uitspanning vond.
Het was zo'n dag waarop ik dacht, vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen. Om op andere ideeën te komen had ik enkele boeken in mijn tas gestopt en naar Cannes gereden. Nadat ik een tijd in de leeszaal van de mediatheek had gezeten, liep ik de stad in. Om vijf uur in de middag ging ik me opwarmen in een koffiehuis, geen arty-farty zaak zoals daar ook te vinden zijn, maar een klassiek, pretentieloos etablissement. Op het overdekte terras zaten een koppel met een baby, een ouder echtpaar, een groepje jongeren en een geblondeerde vrouw met opgespoten lippen en een te diepe décolleté voor de tijd van het jaar. Ik installeerde me en bestelde een cappuccino. In de gloed van het laatste half uur voor de schemer las ik Le bouquiniste Mendel.

De eerste bladzijden deden me denken aan de madeleinescène van Marcel Proust. De ik-verteller gaat een café in Wenen binnen en heeft een déjà-vu ervaring. Hij pijnigt zijn hersenen tot hij weet waar hij de plaats van kent: het is het voormalige Café Gluck waar de befaamde boekhandelaar Jacob Mendel elke dag kwam werken. Van half negen 's morgens tot bij sluitingstijd, herinnert de verteller zich, zat Mendel aan een speciaal voorbehouden tafeltje terwijl hij las of geconsulteerd werd door zijn klanten. De verteller, toen student, woonde die consulten graag bij. Mendel was een levende catalogus: van één bepaald boek kende hij alle drukken, edities en prijzen. Hij werkte niet uit winstbejag, maar puur uit passie. Hij leefde armoedig, zonder gezin, zo geabsorbeerd door zijn boeken dat hij niet wist wat rond hem gebeurde.
De verteller klampt het personeel aan om te weten wat van Mendel is geworden. Alleen de toiletdame van vroeger is nog in dienst. Zij doet het tragische levensverhaal van de boekhandelaar uit de doeken, hoe hij ... nou ja, het is misschien beter dat ik het niet verklap.

Mijn koffietas voelde nog lauw aan toen ik Le bouquiniste Mendel opborg. Het verhaal, dat maar 42 bladzijden beslaat, is een pareltje van het kaliber van Le joueur d'échecs of Vingt-quatre heures de la vie d'une femme. Qua structuur en thematiek zijn er overigens veel paralellen. Voor wie Zweig niet kent is het een perfecte kennismaking met zijn werk, en voor Zweig-liefhebbers is Le bouquiniste Mendel een must-read.
Ik kan me voorstellen dat het boek misschien niet zo makkelijk te vinden is. Tenzij u zelf een Mendel kent. Anders kunt u altijd terecht in Le talon d'Achille in Montluçon. De verkoopster heeft vast nog enkele exemplaren onder haar toonbank.

maandag 7 juni 2010

Eén bladzijde



Ik moest eigenlijk acht andere boeken lezen, maar ik dacht dat het geen kwaad kon om in de stemming te komen met een bladzijde uit Le joueur d'échecs van Stefan Zweig.

Het was de enige Zweig die in de bibliotheek van Cannes voorradig was toen ik daar in de naroes van Vingt-quatre heures de la vie d'une femme was aanbeland om alles van Zweig te confisqueren. Mijn ontgoocheling werd enigszins goedgemaakt door de wetenschap dat Le joueur d'échecs één van Zweigs meesterwerken was. In 1943, een jaar nadat de auteur met zijn vrouw zelfmoord pleegde, werd het gepubliceerd als Schachnovelle, en ik wist dat het stond voor de onmacht van het intellectuele en culturele Europa tegenover de nazi's.

Na de eerste bladzijde las ik ook de tweede. Daarna wist ik dat het verhaal zich afspeelde op een passagiersschip tussen New York en Buenos Aires, ik had kennisgemaakt met de verteller en ook met het personage dat een van de hoofdrollen zou krijgen, Miro Czentovic, de wereldkampioen schaken. Ik vermoedde dat Le joueur d'échecs net als Vingt-quatre heures de la vie d'une femme een raamvertelling zou zijn, dat de verteller dus ook hier het eigenlijke verhaal zou optekenen, en ik was even benieuwd als hem, dus las ik de laatste honderveertien bladzijden ook.

Czentovic is sedert zijn twintigste wereldkampioen. Hij verslaat moeiteloos de grootste schaakmeesters, maar zodra hij van achter het schaakbord vandaan komt, is hij een grotesk figuur. Hij kan nauwelijks schrijven, is helemaal niet gecultiveerd en om zijn domheid te verbergen, zwijgt hij zoveel mogelijk. Het enige wat hem interesseert is het schaakspel en dan vooral dat het geld dat hij ermee verdient.

De persoon van Czentovic intrigeert de verteller. Hij wil meer doorzicht krijgen in de schaakkampioen. Omdat Czentovic iedere vorm van sociale omgang uit de weg gaat, beslist de verteller zijn schaaktalenten boven te halen en een partijtje te organiseren. Hij vindt een tegenstander, MacConnor, een rijke en trotse Schot. Ze zijn nog maar even begonnen of Czentovic passeert en werpt een minachtende blik op hun spel. Als MacConnor verneemt dat Czentovic wereldkampioen is, gaat hij hem achterna en vraagt hem een spel te spelen. Czentovic gaat akkoord, mits betaling.

Het eerste spel is snel voorbij, maar MacConnor geeft de moed niet op en wil revanche. Ze beginnen opnieuw. MacConnor wordt bijgestaan door alle andere mannen in de rookkamer. Net als hij een cruciale zet wil doen, komt een vreemdeling tussen. Hij voorspelt de zetten van de tegenstander en raadt een andere strategie aan, waardoor MacConnor een gelijkspel kan bekomen. Dat gebeurt ook, tot ieders consternatie.
MacConnor wil dat zijn mysterieuze redder het opneemt tegen Czentovic, maar hij antwoordt dat het onmogelijk is en dat hij al vijfentwintig jaar niet meer gespeeld heeft, waarop hij snel de kamer verlaat.

De verteller zoekt hem op en maakt nader kennis. Monsieur B. komt uit een oude Oostenrijkse familie. Zijn vader was de lijfarts van de keizer. Toen Hitler aan de macht kwam, werd Monsieur B. gevangen genomen door de Gestapo, omdat ze informatie van hem wilden ontfutselen.
Monsieur B. wordt niet naar een concentratiekamp gebracht, maar in een hotelkamer opgesloten. Hij heeft alleen een bed, een tafel, een stoel, een wastafel en een raam dat uitkijkt op een muur. De enige keren dat hij zijn cel uit mag, is om ondervraagd te worden door de SS. De tijd gaat voorbij. Na een eind gaan zijn gedachten rondes draaien in zijn hoofd en vreest hij dat hij gek zal worden.
Op een dag, als hij al zo'n vier maanden opgesloten is, wordt hij weer eens weggeleid naar een ondervraging. In wachtkamer vindt hij een boekje. Hij smokkelt het mee naar zijn kamer: het blijkt een bundeling van beroemde schaakpartijen.
Vanaf dat ogenblik zijn de dagen van Monsieur B. niet lang genoeg. Hij speelt de schaakpartijen na (eerst met pionnen geboetseerd uit witbrood, maar al snel uit het hoofd) en als hij ze allemaal van buiten kent, begint hij zelf schaakpartijen uit te vinden tegen zichzelf. Dat leidt ten slotte tot een ontdubbeling van zijn persoonlijkheid en een zenuwinzinking.
In de kliniek ontfermt een familievriend zich over hem en zorgt ervoor dat hij vrijkomt, maar van zijn psycholoog mag hij nooit meer schaakspelen.
Wanneer Monsieur B. dit alles aan de verteller heeft gezegd, stemt hij toch toe een partij schaak te spelen, het allerlaatste van zijn leven.

De rest vertel ik u niet, maar ik kan u wel zeggen dat Zweig er zeer goed in geslaagd is al zijn wanhoop ten opzichte van het bewind van Hitler en de brute, gevoelloze macht van de nazi's in dat schaakspel te leggen.
Jawel, als het niet aan die andere acht boeken op mijn schrijftafel had gelegen, dan was ik nu weer op weg naar de bibliotheek.

vrijdag 21 mei 2010

Miljonair



Vous pouvez devenir millionaire.

Dit stond in flitsende letters op de Promenade des Anglais. Ik keerde terug van een dag Nice en Vingt-quatre heures de la vie d'une femme van Stefan Zweig vulde mijn hoofd. Ik was in de novelle begonnen bij de kapper, daarna had ik het dichtstbijzijnde terras opgezocht, waar ik de geplande boodschappen op slag was vergeten en had doorgelezen tot het tijd was om naar huis te gaan, de laatste bladzijden al wandelend, op de terugweg naar het ondergronds parkeerterrein.

Het was mijn eerste Zweig. Ik had lang kunnen weerstaan. De naam belaagde me al maanden, in literaire bladen, op de rekken van de bibliotheek, in de boekhandel: overal zag ik Stefan Zweig.
Ik had gelezen over zijn tragisch einde. De schrijver, die in 1881 in Oostenrijk werd geboren in een welstellende Joodse familie, was een overtuigd pacifist en pleitte voor een geestelijk verenigd Europa. Toen de nazi's aan de macht kwamen in Duitsland, zag hij onmiddellijk het grote gevaar daarvan in. Hij week uit naar Engeland en zijn boeken werden in Duitsland verboden. Gedesillusioneerd zag hij toe hoe de Tweede Wereldoorlog begon. Hij verhuisde naar Brazilië en pleegde op 22 januari 1942 samen met zijn vrouw zelfmoord.

Vingt-quatre heures de la vie d'une femme verscheen in 1927. Het verhaal speelt zich af in een klein pension aan de Côte d'Azur. Tussen de gasten heerst er opschudding: de delicate en gesloten Mme Henriette, met haar echtgenoot en twee dochtertjes op verblijf in het pension, is ervandoor met een andere gast, een jongeman die de dag tevoren is aangekomen.
Bij de maaltijd 's anderendaags worden hevige discussies gevoerd. De verteller (die onbenoemd blijft) neemt het op voor Mme Henriette, terwijl de andere tafelgenoten het gedrag veroordelen. Alleen de gedistingeerde Mrs. C..., een Engelse dame van 67 jaar, houdt zich op een afstand.
Na de maaltijd komt Mrs. C... het voorval met de verteller bespreken. Hij voelt in haar een tegenstrijdigheid: al keurt ze de vlucht van Mme Henriette af, toch heeft ze sympathie voor he standpunt van de verteller. De vrouw, die zich anders altijd terugtrekt, komt hem meer en meer opzoeken. Als zij verneemt dat hij binnen enkele dagen zal vertrekken, is ze aangedaan en nodigt ze hem uit op haar kamer. Tijdens een lang gesprek verneemt hij welke herinneringen het voorval bij Mrs. C... heeft teruggebracht.

Mrs. C... is op haar veertigste weduwe geworden. De kinderen zijn het huis dan al uit. Uit verveling reist ze naar Monte-Carlo. Daar bezoekt ze het casino, niet om zelf te spelen, maar om op de plaats te zijn waar "de wervelwind van het leven het snelst is". Na het overlijden van haar echtgenoot is van haar gevoelsleven niets meer over, en daarom geniet ze zo van de passie bij de goktafels. Ze observeert vooral de handen van de gokkers, dat heeft haar man haar geleerd. Terwijl de meeste spelers hun gelaatsexpressie kunnen beheersen, verraden hun handen altijd hun werkelijke emoties.

Op een avond ziet Mrs. C... een paar handen zoals ze nooit eerder heeft gezien: fijne blanke handen van een uitzonderlijke schoonheid, maar wat haar bovenal fascineert, is hun taal: opwinding, verlangen, hoop, wanhoop, dat alles drukken die handen uit. Ze is zo gefascineerd dat ze ten slotte ook kijkt naar het gelaat dat erbij hoort. Ze ziet een jonge man van 24 jaar, opvallend knap en ten prooi aan hevige emoties. Nadat hij al zijn geld is verloren, gaat hij naar buiten. Zij is ervan overtuigd: hij gaat de dood tegemoet. Zij moet hem redden.
Ze volgt hem, praat op hem in, overtuigt hem dat hij moet gaan slapen, brengt hem in een koets naar een hotel en belandt met hem op de kamer.

Het is opmerkelijk hoe goed Stefan Zweig het personage van Mrs. C... neerzet: haar onmiddellijke fascinatie voor de jonge man, de strijd die in haar woedt wanneer ze naar hem toe gaat (is dit wel betamelijk voor een respectabele dame zoals zij?), de aantrekking die ze voelt, maar die ze zelf niet wil toegeven. Zweig weet precies wat hij moet zeggen, wat hij moet tonen en wat hij moet verzwijgen opdat de lezer zich het personage volledig kan toeëigenen.

In de vroege ochtend vlucht Mrs. C... uit het hotel, vol afschuw voor haar eigen daad, maar eerst spreekt ze met de jongeman af voor de lunch. Ze eten samen en maken daarna een koetswandeling over de corniche. Hij belooft nooit meer te gokken. Alle spanning heeft zijn gezicht verlaten. Zij, zijn redster, kijkt naar hem en beleeft de gelukkigste uren van haar leven. Na de koetsrit geeft ze hem geld voor een treinticket naar huis. De trein vertrekt om halfacht 's avonds. Zij heeft nog een afspraak voordien, daarna zal ze naar het perron komen om afscheid te nemen.
Het eind zal ik niet verklappen, maar het loopt anders af dan Mrs. C... had verwacht.

In Vingt-quatre heures de la vie d'une femme legt Stefan Zweig de hand op iets troebels in onszelf. Hoe gelukkig we ook zijn, hoe goed geankerd onze situatie ook is, alles kan plotsklaps veranderen. Wat we zelf een halfuur geleden nog onmogelijk hebben geacht, kan gebeuren. De Russische auteur Maxim Gorki, een tijdgenoot van Zweig, zei dat hij nooit eerder iets diepers had gelezen.

In een roes wandelde ik over de Promenade des Anglais, verbluft, zoals na mijn eerste Sandor Márai. Hoe bestond het dat ik Stefan Zweig nooit eerder had gelezen?
De laatste zin las ik ter hoogte van Casino Ruhl. Toen ik opkeek, flitsten de panelen met Vous pouvez devenir millionaire vlak voor me.
Ik stapte snel door.