Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Alejandro Zambra. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alejandro Zambra. Alle posts tonen

maandag 3 oktober 2016

Een jeugd in meerkeuzevragen

Alejandro Zambra (1975) liep school aan het elitaire Instituto Nacional toen Chili van een dictatuur naar een democratie overging. Schrijven over die tijd was cruciaal, maar hoe? Na lang broeden en proberen vond hij de goede vorm. In Begrijpend lezen vatten we de Chileen op het toppunt van zijn kunnen.

Een roman als meerkeuzetoets? Het idee is origineel en amusant, maar tot wat voor boek leidt het? Halfslachtig postmodernisme? Niet als de auteur in kwestie Alejandro Zambra heet, ook wel “de nieuwe literaire superster van Latijns-Amerika” volgens The New Yorker. Toen de Chileen tien jaar geleden debuteerde met de uitgepuurde en melancholieke liefdesgeschiedenis Bonsai, wist hij de aandacht van de critici meteen te vangen en met elke nieuwe titel licht zijn literair aura intenser op. Zijn dunne romans zijn wonderdoosjes. Soms schater je het uit, soms krimpt je maag samen, je mijmert, je piekert, je glimlacht, en als de laatste zin is gelezen wil je terug naar af om met een nieuw inzicht te herbeginnen.

Zambra groeide op tijdens de dictatuur van Pinochet. In zijn vorige roman, Manieren om naar huis terug te keren, graaft hij in zijn kinderjaren en laat hij zien hoe de latente terreur zijn generatie markeerde. Dat hij ook zou schrijven over wat volgde, zijn middelbare schooltijd en Chili’s overgang naar een democratie, was evident, maar elke poging tot een ‘normale  roman’ mislukte. Zijn herinneringen aan 1993, toen hij achttien was en de universitaire toelatingstoets moest afleggen, brachten soelaas. Chili had de dictatuur achter zich gelaten, maar aan het elitaire Instituto Nacional, waar Zambra schoolliep en de banken deelde met kinderen van politici, viel daar weinig van te merken. De opleiding was één lange aanloop naar de universitaire toelatingstoets: je score bepaalde welke richting aan welke universiteit je mocht volgen en welke plaats in de maatschappij je daarna kon innemen. Het taalexamen, dat uit negentig meerkeuzevragen bestond, was de perfecte vorm voor een boek over de problematische transitie die het schoolsysteem en de hele samenleving doormaakten.

Begrijpend lezen heeft veel weg van een onschuldige oefening, maar wie het werk van Zambra kent weet beter. Zijn romans ogen spontaan en eenvoudig, maar de schrijver laat niets aan het toeval over. Het concept van Begrijpend lezen is virtuoos. Mits taalspelletjes zoals ‘kies de term die niet in het rijtje thuishoort’ of ‘schrap de overbodige zin(nen)’ drijft hij je gedachtenmotor aan en laat je associaties maken tot je op eigen houtje een verhaal gaat spinnen, aan de hand van de antwoorden die je op dat ogenblik het meest aanspreken. De opties zijn niet eenduidig en soms ontbreekt de logica volledig – wat wel weer logisch is als beeld voor Chili’s stuntelige overgang naar de democratie en de onzinnige toestanden die daarbij kwamen kijken. Hoe kan je deze nieuwe Zambra het best omschrijven? Humoristisch? Diepgaand? Pijnlijk? Lichtvoetig? Toegankelijk? Literair? Het geldt allemaal. Wat deze roman aantoont, is niet alleen talent, maar ook een onmetelijk respect voor de lezer. Voor elke lezer.

Begrijpend lezen, Alejandro Zambra. Vertaling: Luc de Rooy. Uitgeverij Karaat, 112 p. Deze recensie verscheen op 24 augustus in De Morgen.


vrijdag 9 november 2012

Hellingenkoorts


Mijn vroege herinneringen staan in het teken van hellingen. Wat me bijvoorbeeld is bijgebleven van een bezoek aan het Atomium, een van de eerste dagexcursies waar ik nog iets over weet, is niet de rondleiding in de negen bollen, maar wel de grasheuvel waar we nadien op picknickten en die ik af rende, waarbij ik een hoge snelheid bereikte en spectaculair ten val kwam.

Het was sterker dan mezelf. Zodra ik een steil hellend vlak zag, moest ik zo hard ik kon naar beneden hollen. Mijn ouders waarschuwden me dat ik kon vallen, dat ik tegen een voorbijganger kon botsen, onder een fiets kon terechtkomen, of nog erger, onder een auto. Terwijl ik stilletjes naast hen stond en deed alsof ik luisterde, keek ik naar de diepte die voor me openlag en die me op het zicht al kriebels in de buik gaf. Als de stemmen hun vermanende toon inwisselden voor hun gewone grote-mensen-toon, wist ik dat het moment was aangebroken. Ik gleed mijn hand zo onopvallend mogelijk uit die van mijn vader of moeder en wachtte een paar seconden. Altijd vreesde ik dat een van hen mijn hand zou teruggrijpen of me bij de kraag zou vatten, maar dat gebeurde niet, mijn ouders gingen verder met hun conversatie en ik kon doen wat ik wilde.
Moeilijk was het niet. Ik gooide mijn voeten vooruit, de rest kwam vanzelf. Tijdens de eerste passen had ik controle over mijn beweging maar al snel ging het zo rap dat ik mijn armen spreidde, me van mijn benen loskoppelde en me overgaf aan de versnelling. Ik zag het landschap in strepen aan me voorbij razen, hoorde de wind in mijn oren suizen, voelde de tranen over mijn slapen stromen.

Ik dacht aan die oude hellingenkoorts van me toen ik Manieren om naar huis terug te keren las, de derde roman van Alejandro Zambra, over de kinderen die zoals hij opgroeiden in het Chili van Pinochet.
Het verhaal begint met een herinnering van de verteller aan toen hij zes was en op een dag op straat zijn ouders kwijtraakte. Hij liep door en was als eerste thuis waar zijn vader en moeder even later ongerust aan kwamen lopen. Toen zijn moeder hem naar bed bracht, zei ze dat hij voortaan sneller moest lopen, een raad die hij in acht nam toen hij enkele jaren later lange wandelingen begon te maken door de buurt. Claudia, het nichtje van de zwijgzame buurman Raúl, die hem een dienst wilde vragen, moest hollen om hem bij te benen. De aandacht van Claudia, die drie jaar ouder was, verbaasde en flatteerde de jongen. Toen ze vroeg of hij Raúl in de gaten wilde houden, stemde hij toe zonder vragen te stellen. Een keer per week spraken ze af en bracht hij verslag uit.
Wat precies gaande was in het land, begrepen de kinderen niet, maar ze voelden de onrust en de angst van de volwassenen aan en zagen in dat zij maar een bijrol speelden in de grootse verhalen van hun ouders.

Via een briljant literair spel betrekt Alejandro Zambra de lezer in de zoektocht van zijn personages naar hun identiteit. Manieren om naar huis terug te keren is zijn meest Chileense roman, zijn meest autobiografische ook, en ik vind hem nog beter dan Bonsai en Het verborgen leven van bomen.
Het boek voerde me terug naar mijn eigen kindertijd, die zich rond dezelfde tijd afspeelde en niet getekend werd door dictators of geweld, maar waar ook geheimzinnige dingen plaatsvonden. Ik herinner me volwassenenstemmen die plots gedempt klonken als ik in de buurt kwam, deuren die voor mijn neus gesloten werden en die ik niet open mocht doen, of, heel concreet, een woordenwisseling met de postbode die weigerde naar buiten te gaan tot mijn moeder hem met een kracht die ik nooit eerder bij haar had gezien de voordeur uit duwde.
Grote mensen hadden af en toe grote-mensen-momenten en dan bleven kinderen beter uit de buurt, was mijn conclusie. Het had voordelen. Ik kon bijvoorbeeld ongestoord heuvels afrennen.

Mijn laatste helling was die in de tuin van mijn grootouders. Ik stond op het terras dat uitgaf op een steile talud in gras. Onder me lag de tuin en in de verte, in de schaduw van een treurwilg, de vijver. Mijn vader en mijn grootvader zaten aan de rand van het grasveld en waren in gesprek. Ze keken ernstig en zwegen geregeld. Ze zagen me niet.
Met gebalde vuisten wierp ik me de diepte in. Ik ging zo snel dat de vijver plots voor me lag, dat ik geen tijd had om te denken aan remmen. Voor ik het wist lag ik in het water en zag ik het oppervlak boven me rimpelen. Ik bewoog niet, daarvoor was ik te verwonderd, te verrast door de gewaarwordingen die het nieuwe perspectief bood: de zoetige smaak in mijn mond, de gesmoorde, bijna onwerkelijke geluiden, en de nieuwe aanblik van de treurwilg, die vanachter een waas van twijgen en blaadjes lichte schommelbewegingen maakte.

Het leek of ik minutenlang in de vijver lag, maar dat is, zo wordt me verzekerd, een valse impressie. In werkelijkheid stond mijn vader in enkele tellen aan het water. Ik lag in het ondiep en vreemd genoeg deed ik niets om me te redden, zei hij.
Ik huilde pas later, toen mijn grootvader me op kalme toon terechtwees en ik in de armen van mijn moeder terugdacht aan de wondere onderwaterwereld. Dat was het einde van mijn hellingenkoorts.

Manieren om naar huis terug te keren, Uitgeverij Karaat, 200 p.
Een recensie stond op 3 november in De Morgen en is hier na te lezen.

woensdag 7 november 2012

Opgroeien in de schaduw van Pinochet


In zijn derde roman keert Alejandro Zambra terug naar zijn jeugd, het Chili van Pinochet, en geeft hij een stem aan de kinderen die opgroeiden in de schaduw van de grootse verhalen van hun ouders. Via een briljant literair spel betrekt hij de lezer in de zoektocht van zijn personages naar identiteit.
 
Labiele politieke regimes, dictators en onderdrukten zijn terugkerende elementen bij de auteurs van de Latijns-Amerikaanse boom. Mario Vargas Llosa schreef erover in Het groene huis (1966) en Wie heeft Palomino Moreno vermoord (1986), Gabriel García Márquez in De herfst van de patriarch (1976), Alejo Carpentier in De methode (1974). Maar terwijl de dictators hun schrikbewind voerden, groeide een nieuwe generatie op, kinderen die weinig afwisten van de terreur in hun land maar de algehele angst en verwarring aanvoelden. De Chileense schrijver Alejandro Zambra (1975) noemt hen “secundaire personages”: in de grote geschiedenis die zich ontrolde, de roman van hun ouders, speelden zij een bijrol. In zijn derde roman, Manieren om naar huis terug te keren, richt Zambra de schijnwerpers op de kinderen die zoals hij groot werden met de dictatuur van Pinochet.
“Terwijl de volwassenen elkaar vermoordden of dood waren”, zegt een van de vertellers, “zaten wij in een hoekje tekeningen te maken. Terwijl het land ten onder ging, leerden wij praten, lopen, servetten tot een bootje of een vliegtuigje vouwen. Terwijl de roman plaatsvond, speelden wij verstoppertje, leerden wij hoe we konden verdwijnen.”

De personages van Manieren om naar huis terug te keren graven in hun duistere en verwarrende jeugd en proberen van daaruit zichzelf te construeren. Zambra zou Zambra niet zijn als hij niet op een ingenieuze manier met het gegeven – herinneringen, een zoektocht naar een identiteit – aan de slag zou gaan.
Afwisselend voeren twee ik-vertellers het woord. Allebei schrijven ze een roman over hun kinderjaren in Maipú, een stad niet ver van Santiago. De roman begint met een flashback naar het jaar 1985. Een aardbeving treft de streek. De verteller, dan negen jaar, leert in de burendrukte op straat Claudia kennen, het nichtje van de eenzelvige mysterieuze buurman Raúl. Ze vraagt hem Raúl in de gaten te houden, zonder verdere uitleg te geven. Geflatteerd door haar aandacht stemt hij toe. Elke week treft hij haar in de supermarkt om verslag uit te brengen. De episode eindigt wanneer hij wil vertellen dat Raúl aan het verhuizen is en Claudia’s huis leeg aantreft.
In het volgende deel reflecteert een schrijver over het verhaal van Raúl en Claudia, dat onderdeel is van een roman waar hij aan werkt en die hij wil laten lezen aan Eme, zijn ex. Vijf jaar daarvoor bracht Eme hem op het idee de roman te schrijven toen ze na een anekdote over haar kindertijd besloot: “Wij kinderen begrepen opeens dat wij eigenlijk helemaal niet zo belangrijk waren. Dat er ondoorgrondelijke, ernstige dingen gebeuren waar wij niets vanaf mochten weten, en die we al helemaal niet mochten begrijpen.”
Terwijl hij hoopt dat het tussen Eme en hem goed komt, woelt hij in zijn herinneringen en bezoekt hij zijn ouders in het huis van zijn jeugd.

Hoe doordacht Zambra’s literair spel is wordt duidelijk in de tweede helft van de roman. Wanneer de eerste verhaallijn verdergaat, is ze besmet door de tweede verhaallijn. De eerste verteller, het jongetje van negen, is nu volwassen en zijn leven lijkt gemodelleerd naar dat van de tweede verteller, de auteur die over hem schrijft. Hij ziet Claudia terug en zij onthult hem het ware verhaal van Raúl. Claudia en de verteller spitten in hun gedeeld verleden, gaan door een louteringsproces en vinden zichzelf terug, net als Eme en de tweede verteller in het laatste deel van de roman. De twee parallelle verhalen, de twee versies van het verleden, hebben een bevreemdend effect op de lezer. Net als Zambra’s personages zijn we niet meer zeker over wat echt is en wat verzonnen.

Manieren om naar huis terug te keren is Zambra’s meest Chileense roman. In zijn vorige romans, Bonsai en Het verborgen leven van bomen, is de context dezelfde, maar ontbreken expliciete verwijzingen naar de geschiedenis en de politiek van Chili. Toch hangt dit boek nauw samen met de andere. Dat heeft te maken met Zambra’s aanpak, de reflectie waartoe de lezer wordt aangezet, en zijn stijl, de heldere en beknopte formuleringen, het oog voor detail, de terloopse mijmeringen en de bedaarde, soms ironische, soms melancholieke stem. Vanzelf gaan we die stem associëren met die van de auteur. Manieren om naar huis terug te keren is een ik-verhaal, maar of Zambra nu zuivere autofictie heeft geschreven of ons weeral, geniaal, zout in de ogen strooit, hebben we het raden naar. Wat geen twijfel lijdt is dat de schrijver door naar zijn huis, zijn roots, terug te keren voorgoed een tweede thuis heeft gevonden, in de canon van de Latijns-Amerikaanse literatuur.



Manieren om naar huis terug te keren, Uitgeverij Karaat, 200 p. , 18,90 euro.
Deze recensie verscheen op 3 november in De Morgen.

vrijdag 6 mei 2011

(Niet) lezen



Het was een dag waarop binnenblijven een belediging is voor de natuur, ja zelfs voor het leven, dus had ik die essays afgedrukt en zat ik in de tuin met mijn voeten op een kruk en op de tafel naast me een glas water en mijn telefoon.
Eten had ik niet voorzien want de lunch was pas voorbij, paarse asperges en aardappelen van de boerenmarkt hier in de vallei en daarna koffie met suiker. Nu wilde ik alleen maar lezen, ongestoord en minstens twee uur.

Op het internet had ik losse artikelen gevonden uit de bundel No leer van Alejandro Zambra, de Chileense auteur van de novelles Bonsái en Het verborgen leven van bomen, door Granta uitgeroepen tot een van de tweeëntwintig meest beloftevolle Spaanstalige auteurs jonger dan vijfendertig.
Ik had het woord "infraordinario" onderstreept en was halverwege de eerste bladzijde (en dat was nog geen bladzijde van Zambra maar wel een van Wilfrido H. Corral over Zambra's essaybundel) toen ik een druppel voelde. Een druppel is veel gezegd, het was eerder een minuscule parel water die ik niet zou hebben opgemerkt als de lucht niet zo warm was geweest. Ik keek op van mijn papieren. De hemel was blauw op één wolk na. Die wolk hing pal boven me, toegegeven, maar hij leek niet op een regenwolk. Daar was hij te lieflijk voor, te wit ook.
Een tijdlang trok ik mogelijke oorzaken na (sap van de plataan? iets op het dak? een uitwaseming van de nieuwe basilicumplant?) tot ik inzag dat ik me liet afleiden terwijl ik toch van plan was twee uur te lezen, dus concentreerde ik me weer op de tekst waarin tot mijn verrassing het werk van Pierre Bayard werd vernoemd, Comment parler des livres que l'on n'a pas lus?
En op die titel viel een nieuwe druppel.

De witte wolk boven me was nu grijs en deinde zienderogen uit. Toch bleef ik zitten. Corral maakte me nieuwsgierig naar Zambra's verhaal over de ontstaansgeschiedenis van Bonsái, naar zijn opinie over Borges en Vargas Llosa, naar zijn ervaringen met de Italiaanse auteurs en zijn interpretatie van de poëzie van Bolaño, die volgens Corral de beste interpretatie is van Bolaño's poëzie. Ik boog me over mijn papieren om ze te beschermen tegen de druppels die met verhevigde intensiteit neerdaalden, en na het artikel van Corral las ik een eerste stuk van Zambra, Lecturas obligatorias (Verplichte lectuur), waarin hij vertelt hoe hij op z'n twaalfde voor het vak taal in één week Madame Bovary van Flaubert moest lezen.
Een vriend had een tactiek aangeraden om verplichte lectuurklussen snel te klaren, namelijk de twee beginpagina's en de twee slotpagina's lezen en daarna pas de hele roman. Op die manier weet je wie moordenaar is, zelfs als je de roman niet op tijd uit hebt, beweerde die vriend. Zambra paste de strategie toe, maar dat hielp hem niets verder en op de vooravond van zijn proefwerk stond hij nergens. Gelukkig kon hij de verfilming op de kop tikken en 's anderendaags vulde hij rustig alle examenvragen in. Maar hij viel door de mand. De verfilming bleek namelijk totaal verschillend van de roman.
Veel later heeft hij Madame Bovary gelezen en herlezen, wat een mirakel is, besluit hij, met leraren die alles in het werk stelden om aan te tonen dat lezen het meest vervelende ter wereld is.

Het regende nu zo hard dat ik naar binnen moest. Daar bleef ik lezen. In sommige stukken analyseerde Zambra zijn eigen schrijfproces, andere waren pure recensies, sommige artikels waren luchtig van toon, andere erudiet. Vaak schreef hij over auteurs waarvan ik nooit eerder had gehoord maar er waren ook bekenden bij zoals in Festival de la novela larga, een stuk over de winter van 1999 toen hij las zoals hij nooit eerder had gelezen, dagenlang en van 's morgens tot 's avonds. Hij pauzeerde alleen om pasta met tomatensaus te maken die hij snel naar binnen werkte, waarna hij op bed verder ging lezen. Hij was niet ziek, maar toch nam hij om de vijf pagina's zijn koorts want net als die arme Hans Castorp was hij geobsedeerd door het temperaturen. Jawel, het boek dat Zambra zo in beslag nam was De Toverberg van Thomas Mann.
Toen ik alles had gelezen, zocht ik op het internet meer teksten van No leer. Ik moest weten wat Zambra van Italo Calvino vond en waarom hij Sándor Márai niet las en of een moeizaam schrijfproces volgens hem een voorwaarde is voor een goed boek en wat hij tegen het woord crepúsculo heeft, al kan ik dit laatste raden.

Ik ben niet lang aan de computer gebleven. De hemel was intussen opgeklaard maar dat is niet de hoofdreden. Volgende week kan ik Zambra al die vragen gewoon stellen. De verfilming van Bonsái is opgenomen in de officiële selectie van het filmfestival. In Cannes ga ik Zambra ontmoeten. En hij brengt een exemplaar van No leer uit Chili mee.

No leer, Ediciones UDP, 153 p.

vrijdag 31 december 2010

Pad



Het is de tijd van het jaar. Ze zijn overal. Sommige zijn frequent, andere hoogst zeldzaam, maar soorten bestaan er genoeg. Te veel, zelfs. De meest bekende zijn misschien de wijnindigestie, de wildindigestie, de zeevruchtenindigestie en de chocoladeindigestie, maar ook de gekonfijte vruchtenindigestie doet zich voor, sommigen van u hebben last van een sneeuwindigestie, in deze regionen is dat eerder een regenindigestie en ik persoonlijk lijd aan een lijstjesindigestie.

De eindejaarslijsten vullen de boekenbijlagen van kranten en magazines, verspreiden zich over het internet en zijn quasi identiek. In elke lijst duikt Freedom op van Jonathan Franzen. Door een enkele recensent wordt de roman verrassend "soapopera" genoemd maar alle anderen bedelen de nieuwe Franzen met lovende en gelijksoortige bewoordingen. Ik heb Freedom niet gelezen en na alles wat ik al weet over de plot, de personages, het vertelstandpunt en het teleurstellende einde is de behoefte om het boek te lezen klein.
Op deze laatste dag van het jaar geen lijst dus. Althans, geen klassieke lijst. Laten we het houden op een pad. Er zijn weinig zaken die me tijdens deze decembermaand namelijk méér bezighouden. Ik zou bij wijze van spreken een moord begaan om te weten hoe dat van u eruit ziet en hoe het zich ontwikkelt, of u het uitkient dan wel aan het toeval overlaat.

Het mijne begon op 19 januari, wat gerust zeer laat mag worden genoemd. De eerste was Un chien de caractère van Sándor Márai, een toevallige vondst in de bibliotheek van Cannes. Op 27 januari volgde I.M. van Connie Palmen, in Amsterdam gekocht na het feest van De Bezige Bij waar de diva-allures van la Palmen mijn aandacht hadden getrokken. De eerste maand van 2010 eindigde met De Gast van Guadalupe Nettel.

Het jaar kwam pas op dreef in maart met Razernij van Sergio Bizzio, op de hielen gezeten door Dagen van gras van debutant Philip Huff, De wil en het lot van de 82-jarige Mexicaanse auteur Carlos Fuentes (wiens eerste bladzijde me achterover blies en die ik per se wilde voorlezen, iets wat me anders niet overkomt), en het aparte, surrealistische Il ne vous reste qu'une photo à prendre van Laurent Graff.

April begon met Dit is jouw huis van Maartje Wortel, een maffe verhalenbundel die de schrijfster zelf me overhandigde nadat ze de eerste bladzijde van een hoogst interessant opschrift had voorzien. Op paaszondag, 4 april, lag ik tussen de ontluikende madelieven op het gras met Dorsvloer vol confetti van Franca Treur. Op 14 april las ik Landen van Laia Fabregas, op 17 april kwam How fiction works van James Wood en 22 april was de dag van La confession de Zeno van Italo Svevo dat me bij een eerste lezing van de achterflap (we schrijven kerst 2009 in Tropismes in Brussel) bijna een toeval had bezorgd. Vierentwintig april stond in het teken van Art van Yasmina Reza dat, zo was me bevestigd, een must-read was in de fictie over moderne kunst.

Mei werd ingeleid met Où on va papa? van Jean-Louis Fournier dat hoge ogen gooide tijdens de rentrée littéraire van 2008. Vijf mei was de dag waarop ik niet ophield met glimlachen dankzij Aventures van Italo Calvino, gevonden tussen de kinderboeken in de bibliotheek van Cannes. Toevallig of niet, maar op 6 mei maakte ik kennis met Alejandro Zambra en z'n eerste roman Bonsai, die me deed denken aan Calvino en dan specifiek aan Als op een winternacht een reiziger. Na De liefhebber van Hester Carvalho viel de roman die ik zelf had willen schrijven me in de hand, Vingt-quatre heures de la vie d'une femme van de Oostenrijkse auteur Stefan Zweig die, zo las ik, jammerlijk zelfmoord pleegde in Brazilië in 1942, samen met zijn vrouw nota bene, maar gelukkig toneel en essais en meer dan veertig romans en novellen aan de mensheid had nagelaten.
Op 21 mei sloot ik Invisible van Paul Auster, een roman die me nog maar eens duidelijk maakte dat alles mogelijk is in de literatuur en me zin gaf om te experimenteren met vertelstandpunten, wat ik vervolgens ook deed, met bedroevend resultaat. En op 24 mei las ik in een tuinzetel Vissen redden van Annelies Verbeke.

Toen kwam juni, de maand van het verbluffende Le joueur d'échecs van Stefan Zweig, dat me bevestigde in het talent van de Joodse schrijver en hem bombardeerde tot mijn ontdekking van 2010, van Uitweg van Elsa Osorio en De rode maan van Luis Leante, die allebei een recensie kregen in tegenstelling tot De kunst van verliezen van David Trueba, zonder meer het slechtste roman die ik in 2010 heb gelezen.

Juli begon met Donderhart van Thomas Blondeau, ging crescendo met TussenEenPersoon van Esther Gerritsen, om een climax te bereiken met Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen van Herta Müller, een roman die ik las in een Mediterraan klooster en die me vervoerde naar het Roemenië van Ceauscescu waarbij het besef zich opdrong dat ik geen Auster was, dat goochelen met vertelstandpunten niet aan mij was besteed en dat ik terug moest naar mijn oude ik-verteller maar dan beter.
De siësta van 24 juli bracht ik door met L'Homme qui plantait des arbres van Jean Giono, opgepikt in Librairie Les Arcenaulx in Marseille. Op 30 juli las ik de 944ste en laatste bladzijde van De hand van Fatima van Ildefonso Falcones en de dag nadien volgde De rest is stilte van Carla Guelfenbein.

Op 18 augustus sloot ik in het middelpunt van Frankrijk Het eiland onder de zee van Isabel Allende en 23 augustus was de dag waarop ik Kaas van Willem Elsschot herlas.
Op 27 augustus worstelde ik me door Parlez-moi d'amour van Raymond Carver, jawel u leest wel "worstelde" want Carver in vertaling lezen, besefte ik, was doodzonde. Ik sloot augustus af met Le Cri van Laurent Graff, dat net zo surrealistisch bleek als z'n laatste foto-verhaal.

Het schooljaar ving aan met La carte et le territoire van Michel Houellebecq dat ik zelfs Houellebecq-haters durf aan te raden. Na zo'n boek valt te verwachten dat het in dalende lijn gaat en daarom was de verrassing bij Boven is het stil van Gerbrand Bakker groot. Het niveau bleef met Soie van Alessandro Baricco. Ik las ook Bezonken rood van Jeroen Brouwers, dat maanden onder de rubriek "In voorbereiding" heeft gestaan maar er nu uit is omdat ik geen aanleiding vind voor een stuk op Van boeken en mensen, al mag het gezegd worden dat mijn zoektocht oppervlakkig bleef.

Met De Verzoeking van Hugo Claus, grotendeels gelezen in de Bar des Boulistes, Het verborgen leven van bomen van Alejandro Zambra, Le certificat van Isaac Bashevis Singer en La famille de Pascal Duarte van Camilo José Cela, dat ik in het herfstverlof vond in de ouderlijke bibliotheek en meenam naar mijn oude kamer waar ik tot in de vroege uren las, al is lezen hier te zwak uitgedrukt want ik dronk de woorden van Camilo José Cela die in 1989 de Nobelprijs Literatuur kreeg maar dit meesterwerk schreef in 1942 toen hij nog zesentwintig moest worden, was oktober een van de sterkere maanden.

Tijdens diezelfde herfstvakantie zag ik in de rekken van mijn zus Intimacy van Hanif Kureishi staan, dat meereisde naar Frankrijk en november inzette. Acht november was niet alleen de dag van de uitreiking van de AKO Literatuurprijs en van de Prix Goncourt maar ook die van Mes prix littéraires van Thomas Bernhard, een hilarisch boekwerk dat me zin gaf om het volledige oeuvre van deze mij tot voor kort volslagen onbekende auteur aan te schaffen. De dag nadien las ik Villa des Roses van Willem Elsschot, wat handig bleek toen de Franse gastronomische maaltijd een week later officieel erkend werd als werelderfgoed van de Unesco.
Uit België had ik behalve Villa des Roses ook Dat wat overblijft van Tom McCarthy meegebracht (aangespoord door een lovend stuk op het weblog van Jan van Mersbergen), dat me inspireerde tot een pastiche die op 17 november verscheen en pas op 13 december werd gevonden nadat een moedige lezer een studie had gemaakt van de hedendaagse Britse literatuur. November was ook de maand van De vioolbouwer van Auschwitz van Maria Angels Anglada, waar de overleden Catalaanse schrijfster de kracht van kunst plaatst tegenover de gruwel van de holocaust, en van Tegen de wind in van Angeles Caso, waarvoor de huishoudster van Angeles Caso een pluim verdient maar hierover een andere keer meer. Het laatste en kortste boek van de elfde maand was de novelle Le bouquiniste Mendel van Stefan Zweig, dat een goede introductie is tot het werk van Zweig en dat u krijgt wanneer u uw literatuur inslaat bij Le Talon d'Achille in Montluçon.

Het najaar ging in stijgende lijn. Wat dan te verwachten van december? Een afknapper? Een anticlimax? Een deceptie, een desillusie, een domper of een flop? Een frustratie, een kater, een klap, een koude douche, een misrekening, een ontgoocheling of, nog beter, een sof?
Niets van dit alles. December begon met een oerknal, Le Premier Amour van Sándor Márai. De twee kabelloze weken die volgden waren een gelegenheid om Pourquoi je n'ai écrit aucun de mes livres van Marcel Bénabou te lezen, een boek dat geen afleiding verdraagt. Daarna las ik de laatste hoofdstukken van What is the What van Dave Eggers, dat tot mijn schaamte al vier maanden op het nachtkastje lag en waarover ik, helemaal zoals bij Freedom van Jonathan Franzen, veel te veel had gelezen. Mijn op één na laatste was Purge van de Finse schrijfster Sofi Oksanen, dat me is aangepraat door een boekverkoopster in Draguignan en waarover hier volgende week meer te lezen is.
Het laatste is een dun boekje dat op een beperkt aantal exemplaren is verschenen, niet in de handel ligt en speciaal is geschreven voor deze tijd van het jaar. (Gaat nu een lamp branden, komt u dan hier naar de auteur raden.)

Mijn leespad begint in 2011 met De toverberg van Thomas Mann, maar daarna? Hoe zal het zich ontwikkelen? Zal het afhangen van een vaag opgevangen gesprek of een zin in de krant, een aantrekkelijk omslag in de etalage van een boekhandel of een plotse behoefte aan een genre of thema, een geschenk of een innemend/wanstaltig gezicht op een achterplat?
De invloeden kunnen ook van een andere orde zijn. Alles kan zo'n leespad voeden.
Beeld u zich een kleine, kale kamer in met witgekalkte muren en een hoog raam. Door dat raam valt een zonnestraal binnen. Ze belicht een stofpluis die traag naar beneden dwarrelt.
Waar denkt u aan als u dit voor u ziet?
Persoonlijk krijg ik dan zin om Tsjechov te lezen. De redenen doen niet ter zake maar de aanleidingen zijn overal, ik bedoel maar.
Als u dit in gedachten houdt en daarbij bedenkt dat er bij de (bijna) zeven miljard mensen, althans al wie van hen geletterd is en toegang heeft tot boeken, geen twee gelijke leespaden zijn?
Dan begrijpt u dat mijn hoofd duizelt. En niet van de indigesties.

vrijdag 22 oktober 2010

Het verborgen leven van bomen



Hoewel e-books voordelen hebben, pleit ik voor het traditionele boek, genaaid of garenloos, gebrocheerd of gebonden, soms met nog onversneden bladzijden. Begint lezen niet met de geur en de textuur van papier? Boeken zijn handige objecten, dat ook. Een gelezen boek is een dwarsdoorsnede van mijn leven. Aangestipte passages, vlekken van koffie of zonnebrandolie, haastig geschreven kanttekeningen, verdwaalde tram-, trein of vliegtickets, oude boodschappenlijsten, een verdroogde sprinkhaan? Ze werken als madeleines van Proust. Dat betekent niet dat ik geen uitzondering maak als een spannende digitale drukproef zich aandient zoals vorige week, toen Het verborgen leven van bomen van de Chileen Alejandro Zambra in mijn bus viel. Omdat Zambra's eerste roman, Bonsai, zo'n aparte leeservaring was, schoof ik de aangesneden papieren romans opzij en kroop ik 's avonds met mijn laptop op de bank.



Net als Bonsai is Het verborgen leven van bomen een kort boekje. Het eigenlijke verhaal begint op bladzijde 9 en eindigt op bladzijde 100, en daartussen zitten flink wat halve en hele blanco pagina's.
De personages van Het verborgen leven van bomen zijn Julián, een literatuurdocent die eigenlijk schrijver wil zijn (een soort alter ego van de auteur), zijn vrouw Verónica en zijn stiefdochtertje van acht, Daniela. Het verhaal beslaat één nacht.
"Maar dit is geen normale nacht," schrijft Zambra, "tenminste nóg niet. Het is namelijk niet helemaal zeker of er wel een volgende dag is, want Verónica is niet van haar tekencursus teruggekeerd. Wanneer zij terugkeert, zal de roman eindigen. Zolang zij niet terugkeert blijft het boek doorgaan. Het boek blijft doorgaan totdat zij terugkeert, of totdat Julián er zeker van is dat zij niet meer terug zal keren."

Terwijl Julián wacht en steeds ongeruster wordt, sust hij Daniela in slaap met verzonnen verhalen over het verborgen leven van bomen.
Julián denkt aan het verleden, hoe hij Verónica leerde kennen dankzij een torta de tres leches, aan de geschiedenis van Verónica en haar ex Fernando, aan zijn vorige vriendin Karla, aan het boek dat hij schrijft over een man met een bonsai.
De uren kruipen voorbij. Daniela slaapt, Julián blijft wakker. Waar hangt Verónica uit? Heeft ze autopech? Ligt ze in het bed van een andere man? Als alles in orde komt, beslist hij, gaan we zaterdag naar de sneeuw kijken.
Maar komt Verónica terug?
Julián overtuigt zichzelf van het tegendeel. Hij probeert zich een leven voor te stellen zonder Verónica. Hoe is Daniela als ze vijftien, twintig, vijfentwintig, dertig jaar is?

Op dit punt in de roman laat de auteur iets merkwaardigs gebeuren: Verónica verdwijnt op de achtergrond, Julián zelf wordt een nevenfiguur en Daniela wordt het hoofdpersonage. Geeft dit keerpunt Juliáns gesteldheid weer, hoe zijn gedachten - zoals dat 's nachts zo vaak gaat - worden uitvergroot en hun eigen leven gaan leiden? Zambra laat het aan de lezer over.
Het verborgen leven van bomen ligt in de lijn van Bonsai. Ook hier schuilt de kracht van het verhaal in de uitgepuurde stijl, in de afstand tussen de verteller en de personages, in wat niet gezegd wordt. En ook hier is het gissen naar het boek in het boek.

Het verborgen leven van bomen is een boek om in te graven, te onderstrepen, kanttekeningen te maken. Nog drie dagen geduld, dan rolt de papieren versie van de drukpers.

maandag 10 mei 2010

Japans gazon



Het wordt stilaan een traditie: mei is regenmaand aan de Côte d'Azur. We hebben de wollen truien opgedist, de haard brandt weer en de wintervirussen zijn terug. Maar toen ik zaterdagmorgen de luiken opengooide, scheen de zon. Er waren alleen een paar wolken aan de randen van de hemel, meer als decoratie. Het was een goede dag om Japans gazon te zaaien.

In de garage vond ik een rakel, hark, spade, pikhouweel, eg, schoffel en drie boomzagen. De eg, rakel en spade nam ik ook in miniversie. De zonen hadden hun laarzen al aan en liepen bij wijze van opwarming om het hardst rond de terrastafel. Ik deelde het gereedschap uit en wilde nog instructies geven, maar de kinderen waren al in de uithoeken van de tuin verdwenen.
Ik haalde de kruiwagen, keerde terug naar de garage om tuinhandschoenen te zoeken, zette daarna een kruik water op de terrastafel, dronk een glas, stapte in mijn laarzen en dan was ik er klaar voor.

Toen ik in het tuincentrum de doos Gazon Japonais had gezien, had ik een visioen gekregen van een weide met hoog gras en veldbloemen in alle kleuren. Nu was het perk overwoekerd door hard gras, paardenbloemen en vreemdsoortig onkruid. De struiken die ik vorig jaar had geplant, waren bijna niet meer zichtbaar. Mijn eerste programmapunt was wieden, daarna spitten, dan zaaien. En dan hadden we binnen een week al de aanzet van een Japans gazon.

Toen ik begon te schoffelen, viel de eerste druppel.
Ik vulde twee kruiwagens met onkruid en een emmer met stenen en toen was de helft van het perk gewied. Het goot nu. Terwijl ik inhakte op de zware, kleverige aarde, hoorde ik de kinderen lachen. Toen ze even binnen een appel waren gaan halen, hadden ze hun tuinplannen vergeten. Met armen vol boeken waren ze door de regen naar de tent gerend.

Ik wilde echt verder werken, maar de regen roffelde aan een steeds sneller ritme op mijn hoofd. Als ik niet ophield, zou het altijd harder gaan regenen. Wilde ik misschien dat de tuin onderliep en de garagevloer zoals vorig jaar doornat was?
Ik ging naar binnen en zette de doos Gazon Japonais naast me op de sofa. Op mijn schrijftafel lagen al weken te wachten: De liefhebber (Hester Carvalho), Het eiland onder de zee (Isabel Allende), De openbaring van Roderer (Guillermo Martinez), De rode maan (Luis Leante), maar ook Vissen redden (Annelies Verbeke) en Vingt-quatre heures dans la vie d'une femme (Stefan Zweig) en Let the great world spin (Colum McCann) en Invisible (Paul Auster). Uit respect voor het gazon koos ik een boekje dat ik deze week pas ontving, Bonsai van de Chileense auteur Alejandro Zambra.

Op de binnenflap wordt de roman aangekondigd als "hét cultboek uit hedendaags Latijns-Amerika". Alejandro Zambra vertelt in 94 bladzijden de liefdesgeschiedenis van Emilia en Julio, hoe die begon en hoe die tot een eind kwam en wat daarna gebeurde. Julio en Emilia zijn grote lezers. Elke avond lezen ze samen: Yukio Mishima, Georges Perec, Raymond Carver, Emil Cioran, tot ze "Tantalia", een kort verhaal van Macedonio Fernández, in handen krijgen. Het verhaal, over een stel dat een plantje koopt als symbool van hun liefde maar ontdekt dat hun liefde zal sterven als het plantje sterft, tekent Julio en Emilia. Vanaf dan gaat het mis. Het laatste boek dat ze lezen is De kant van Swann van Marcel Proust, tot pagina 372.

Toen Bonsai in Chili verscheen, stond de literaire wereld daar op zijn kop. Alle recensies waren lovend. Wat had dit dunne boekje dan?
Bonsai is een veelgelaagd verhaal vol verwijzingen naar andere boeken en het is geschreven in een mooie uitgepuurde taal, maar het meest bijzondere is de verteller. Soms staat de vertelinstantie in het verhaal, soms distantieert hij zich. Dat werkt intrigerend: we gaan de betrouwbaarheid van de vertelinstantie in vraag stellen.
Het zou me verder niet verbazen als Zambra zich liet inspireren door Italo Calvino. Bonsai heeft iets van Als op een winternacht een reiziger.

Ik had het boekje heel snel uit en wilde het onmiddellijk opnieuw lezen, maar mijn ongeluk was dat ik naar buiten keek.
Het regende niet meer. Ik moest verder met mijn doos Gazon Japonais.