Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Maartje Wortel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maartje Wortel. Alle posts tonen

woensdag 5 oktober 2016

Verrukkelijk verlangen naar oneindigheid

Maartje Wortel komt onverwachts op de proppen met Goudvissen en beton, een intiem liefdesverhaal dat zich afspeelt in Tilburg aan zee.

Wie nooit eerder heeft gehoord van Tilburg aan zee, hoeft dit niet toe te schrijven aan een gebrekkige geografische kennis. De stad Tilburg ligt nog altijd in hartje Noord-Brabant, maar in het verhaal van Maartje Wortel heeft diezelfde stad een zee. “Je moet er gewoon in gaan”, zegt het hoofdpersonage. “In het verhaal en in de zee. (…) De zee is overal en vooral in Tilburg.”
Goudvissen en beton is een boekje van 64 bladzijden met knappe, abstracte illustraties van Janine Hendriks. Maartje Wortel schreef het verhaal na een verblijf als writer in residence in Tilburg. Het ‘overviel’ haar bij wijze van spreken.
‘Het boekje is ontstaan vanuit een gevoel’, mailt ze me. ‘Ik was maar vier dagen in Tilburg, maar in die vier dagen is er van alles gebeurd. Ik begon te schrijven aan een soort verslag van mijn verblijf, maar ik gunde de stad een fictief verhaal. Doordat dit boekje niet gepland was en ook niet was aangekondigd, had niemand verwachtingen en voelde ik me vrijer bij het schrijven. De tekeningen droegen ook bij tot het vrijheidsgevoel. Als schrijver krijg je meer ruimte om gaten te laten vallen die op verschillende manier opgevuld kunnen worden door het beeld.’

De vrouw die in Goudvissen en beton het woord voert, blijft onbenoemd en richt zich tot een eveneens onbenoemd jij-personage. Anekdotes over haar vader en moeder, haar jeugd en eerste passen naar de onafhankelijkheid doorweeft ze met filosofische mijmeringen. Hoe ontstaat een thuisgevoel? Wat is toeval? Hoe valt te overleven met een trauma? Wanneer wil je iets echt en wanneer denk je dat je iets wil? Hoe kan een einde een begin zijn?
“Ik geloof niet in inspiratie”, zegt de vertelster, “maar ik heb een tijdlang aan niets anders kunnen denken dan aan de oneindige lucht, hoe het kan dat alles wat ertoe doet toch altijd op oneindigheid neerkomt.” Waarom ze zich deze vragen stelt en wie de raadselachtige jij is die ze af en toe aanspreekt, wordt stukje bij beetje ontsluierd.
Sinds Maartje Wortel in 2009 debuteerde met de bundel Dit is jouw huis, kennen we haar als een auteur met een talent voor het ontleden van relaties en gevoelens, een afstandelijke en droogkomische toon en een uitgepuurde (of kale) stijl. In Goudvissen en beton leren we een ander facet van de schrijfster kennen. Dit boekje is veel poëtischer en intiemer dan haar ander werk; het voelt bijna alsof we recht in haar ziel kijken. Als ik dat per mail aan Maartje Wortel vertel, krijg ik meteen antwoord. “In Tilburg ontmoette ik de illustratrice, waar ik hopelijk verliefd op werd en ben. Ik schreef een verhaal, zij maakte er tekeningen bij en nu is er dit boekje.”
In Goudvissen en beton wordt nergens letterlijk over verliefdheid gesproken, maar het doordrenkt het hele verhaal als een verrukkelijk verlangen naar oneindigheid.
Goudvissen en beton, Maartje Wortel. Das Mag, 64 p. Deze recensie verscheen op 31 augustus in De Morgen.


maandag 23 november 2015

De pijn van het mens zijn

Maartje Wortel schrijft prangende verhalen over mensen die kampen met fundamentele eenzaamheid en lijden onder het besef van de eindigheid van alles.

In 2009 debuteerde Maartje Wortel (°1982) met de bundel Dit is jouw huis en vestigde ze meteen haar naam als een nieuwe en eigenzinnige stem in de Nederlandse letteren. Zes jaar en twee romans later keert de schrijfster terug naar haar eerste liefde, het korte verhaal.
Vrolijk zijn de dertien stukken van Er moet iets gebeuren niet te noemen. De personages worstelen met zichzelf, met hun naasten, hun verleden of hun (beperkte) toekomst. De jonge vrouw uit het openingsverhaal Het kamp lijdt aan depressie – al wordt dat nergens met zo veel woorden gezegd – en probeert steeds weer nieuwe behandelingen uit, tevergeefs. Het jongetje dat in Tomer en Elias het woord voert, moet naar de pijpen dansen van een jaloerse en dominante oudere broer, die een pak minder onschuldig blijkt dan hij zich voordoet. De vrouw uit het titelverhaal heeft een zoon verloren, en zij en haar man zoeken wanhopig naar een manier om verder te leven. Eenzaam in hun verdriet, weten ze niet meer hoe ze met elkaar moeten omgaan.

Alledaagse situaties krijgen bij Maartje Wortel iets bevreemdend door haar directe en tegelijkertijd suggestieve manier van vertellen. We buitelen het hoofd van haar personages in en worden gedropt in hun chaotische innerlijke wereld. Hun verslagenheid of stuurloosheid zet ze op ons over zonder uitleg of duiding te geven – het is aan ons om de context te achterhalen. Glansrijk geeft ze haar vertellers een eigen stem en laat ze hen direct in onze geest opstaan, hoe weinig we ook over hen weten. Vaak ontdekken we pas aan het eind van het verhaal of we met een man of een vrouw te maken hebben.
Samenkomen

Melancholie doordrenkt deze bundel. De personages lijden onder een nijpend eindigheidsbesef, of het nu gaat om de eindigheid van een leven, van een liefdesrelatie of om de kortstondigheid van alles wat ze meemaken. Geliefden en naasten spannen zich in om elkaar te begrijpen, maar worden geconfronteerd met fundamentele eenzaamheid. 
Maartje Wortel stopt humor in haar proza, houdt de toon licht en af en toe overrompelt ze je met een schitterend beeld
Dat samenkomen soms toch lukt, laat de schrijfster zien in Het is al gebeurd, waar we opnieuw de man en de vrouw uit het titelverhaal treffen en deze keer in zijn huid kruipen. Hij richt zich tot zijn dode zoon: “Mijn hele lichaam voelt continu dat er iets is. Het onheilspellende gevoel stroomt als dik bloed door al mijn aderen; en die tijd, al duurt het vaak slechts enkele seconden of minuten dat ik niet kan begrijpen waar dat gevoel vandaan komt, is vele malen erger, echt vele malen erger, dan te weten wat er mis is, hoe erg datgene wat er mis is ook is. Weten dat jij er niet meer bent is makkelijker dan het gemis te voelen en in dat moment tussen slapen en wakker worden wanhopig in mezelf te zoeken waar het gemis vandaan komt. “

Hoop
Maartje Wortel toont haar personages in al hun naaktheid en aandoenlijkheid en legt de pijn van het mens zijn bloot. Dit betekent niet dat Er moet iets gebeuren een zwartgallig boek is. Ze stopt humor in haar proza, houdt de toon licht en af en toe overrompelt ze ons met een schitterend beeld of een spitse bedenking. En er is altijd hoop. Hoop op liefde bijvoorbeeld. In De schrijver II  doet ze een boekje open over haar voormalige geliefden en haar huidige partner, Marie. “Ik weet niet zeker of liefde bestaat”, aldus Maartje Wortel, “ik weet alleen zeker dat je je leven lang kan blijven geloven in iets waarvan je niet zeker weet of het bestaat.”
Er moet iets gebeuren, Maartje Wortel. Das Mag Uitgeverij, 241 p. Deze recensie verscheen op 18 november in De Morgen.

vrijdag 13 december 2013

De Top Drie (5) van ...


Maartje Wortel (1982) schrijft geregeld verhalen, columns en essays voor o.a. De Avonden, Trouw, NRC en Hollands Maandblad en Eigen Huis & Interieur. Voor haar debuut, de verhalenbundel Dit is jouw huis, kreeg zij de tweejaarlijkse Anton Wachterprijs. Haar roman Half Mens verscheen in 2011 en werd genomineerd voor verschillende prijzen. Op 9 januari zal haar tweede roman IJstijd verschijnen. 

De topdrie was erg moeilijk dit jaar, wat een goed teken is. Zo heb ik bijvoorbeeld het wonderschone Treindromen van Denis Johnson links moeten laten liggen in mijn uiteindelijk top drie en ook: Driemaal bij dageraad van Baricco.

Nr 1.
De Idioot van Dostojevski is dit jaar in een nieuwe vertaling verschenen bij de mooiste uitgeverij van Nederland: Van Oorschot. Ik ben gegrepen door de idioot (Prins Mysjkin) omdat hij zich verbaast over allerlei menselijke thema's en eigenlijk de meest oprechte persoon uit het boek is, maar toch de idioot wordt genoemd. De idioot, zoals door Dostojevski is beschreven, is van alle tijden. Er zullen altijd mensen zijn die niet voor waardig aangezien worden, omdat ze niet meedraaien met de leugens en de raddraaierij van de maatschappij en kijken op een manier die niet voor iedereen normaal is. Dostojevski laat de prins zeggen: "Ze houden mij voor een idioot, maar ik heb toch heus wel wat in mijn mars, al hebben ze daar geen vermoeden van." Je zou kunnen zeggen dat deze zin de, - om met moderne woorden te spreken - punchline van het boek is. En uiteindelijk van het leven, er wordt tot op de dag van vandaag nogal langs alle idioten heen geleefd. Doodzonde.


F.M. Dostojevski. De idioot. Van Oorschot, 682 p.

Nr 2.
Afgelopen jaar heb ik samen met mijn Antilliaanse vriendin haar ouders bezocht op Curaçao. Voorafgaand aan de reis heb ik boeken van Boeli van Leeuwen en Tip Marugg gelezen. Dankzij Maruggs' De morgen loeit weer aan kreeg het eiland iets magisch. Marugg schrijft over de straathonden, over hoe vogels zelfmoord plegen door keihard tegen een rots aan te vliegen, hoe de nachten op Curaçao zijn en hoe hij als kind, als hij in bed lag en de streep licht van de gang onder zijn kamerdeur zag schijnen, dacht dat zijn kamertje een zwart vierkant in een groter zwart vierkant was. Toen ik dat las, wist ik dat de beelden die Marugg oproept mij nooit meer los zouden laten. (Ook al zou ik ze vervormen, want bovengenoemde voorbeelden zijn de beelden zoals ik mij deze herinner.) Iedere nacht denk ik, als ik het licht uitdoe; nu bevind ik mij in een zwart vierkant. Ik ben er niet per se vrolijker op geworden, maar dat hoeft ook niet.


Tip Marugg. De morgen loeit weer aan. De Bezige Bij, 144 p.

Nr 3.
Bullet Park. John Cheever. Kan ik kort over zijn: alles wat Cheever schrijft is goed. (x100)


John Cheever. Bullet Park. Knopf, 245 p.

Om dan toch nog een rijtje Nederlandse schrijvers te noemen:
1. Apocalyps. Arnon Grunberg.
2. De eeuwige jachtvelden. Nanne Tepper.
3. Maartse Kamers. Yannick Dangre.

maandag 17 december 2012

De Top Drie (1) van


Maartje Wortel (1982) debuteerde in 2009 met de verhalenbundel Dit is jouw huis. Vorig jaar verscheen haar eerste roman, Half Mens.

Nr 1.

Ik vind het altijd heel lastig om uit te leggen waarom ik een boek goed vond. Soms vraagt iemand waarom je verliefd bent geworden op een bepaald persoon en ook dan weet je het eigenlijk niet. Er is alleen een ding zeker: er is iets dat je heeft geraakt. Voordat ik jullie al verveel met deze uitleg zal ik het snel over het beste boek van het jaar 2012 hebben. Het is namelijk een boek dat verdient gelezen en gekend en nagevoeld te worden. Stoner van John Williams. Meestal vind ik een boek fijn omdat het goed is geschreven, omdat de manier van spreken en taal mij aanspreekt. Zoals je dat dus ook bij mensen kunt hebben, dat er een bepaalde prikkeling vanuit gaat. Stoner is niet alleen bewonderenswaardig goed geschreven; het verhaal is heel mooi. Je begint te lezen over een weinig opzienbarende man (al op de eerste bladzijde weet je dat hij weinig opzienbarend is). Je leest in iets meer dan 300 bladzijden over zijn hele leven, zonder dat er dus eigenlijk iets gebeurt. (Ik ga niet vertellen wat er wel gebeurt.) Dat kan saai zijn maar bij Stoner is het mooi omdat je hem echt leert kennen.
Het is alsof je opa op een stoel naast je zit en over zijn leven vertelt. Over de keuzes die hij gemaakt heeft, over de tijd die voorbij is gegaan, de kanten die hij op had gekund, over de liefde en de macht die mensen op elkaar uitoefenen. Het boek is allesomvattend. Het laat een leven zien zoals het is; in al zijn simpelheid en met alle emotie die daarbij komt kijken en vooral ook wat er niet bij komt kijken, dat er altijd iets is dat je mist of mis zult lopen. De schrijver laat Stoner dingen denken en andere dingen doen en andersom, waardoor je je tijdens het lezen van het boek ook afvraagt hoe het bij jezelf zit. Op de achterflap staan allerlei aanbevelingen die ik normaal niet zo serieus neem, maar in dit geval klopte het: dit boek ontneemt je de adem. Toen ik Stoner uit had moest ik heel hard huilen, met uithalen en al, alsof ik daadwerkelijk iemand verloren was. En dat heb ik sinds het boek Olle van Guus Kuijer al niet meer gehad. Ik heb Stoner afgelopen week gelezen en het is met recht het beste boek dat ik in tijden las. Jullie hoeven mij natuurlijk niet serieus te nemen, maar ik zou het wel doen als ik jullie was. Het is goddomme prachtig!

Nr 2.

Omdat op nummer 1 een dode buitenlandse auteur staat, wilde ik voor de nummer 2 sowieso kiezen voor een levende schrijver. Ik kon wel weer een paar buitenlandse auteurs en boeken bedenken. Bijvoorbeeld Valse Papieren van Valeria Luiselli of Manieren om naar huis terug te keren van Alejandro Zambra (allebei bijzonder mooie boeken van Zuid-Amerikaanse schrijvers, uitgegeven bij uitgeverij Karaat). Maar ik dacht, laat ik ook de literatuur uit Nederland benadrukken. Er zijn in 2012 een paar mooie boeken geschreven in Nederland.
Bijvoorbeeld Het boek Ont van Anton Valens. Het gaat over een man die een groetprobleem heeft. Hij durft zijn post niet te openen en richt een club op: man en post. Daarbij voegt zich ook de merkwaardige Cor Meckering die er een eigen idee op nahoudt over het voorvoegsel Ont. Anton Valens heeft een grappig, ontroerend en origineel boek geschreven. Allemaal verschrikkelijke woorden die alleen recensenten gebruiken. Het boek Ont is anders dan alle andere boeken. Het is wat mij betreft echt een kunstwerk. Qua taal en inhoud.

Nr 3.
Staat dan vanzelfsprekend ook een Nederlandse levende auteur. Manon Uphoff (sowieso een van de beste schrijvers van Nederland) met De ochtend valt. Dit is een novelle, een heel dun boekje maar niet minder intrigerend. Integendeel: het gaat over een familiedrama, de taal spreekt me aan: heldere korte zinnen. Er wordt weinig gezegd en uitgelegd, het drama schuurt onder de oppervlakte. Over de loyaliteit van kinderen naar hun ouders, de eenzaamheid en eigen gewoonten. Over nog veel meer wat wederom niet uit te leggen valt. Dit boekje steelt je hart.
Mon dieu, wat een grote woorden heb ik gebruikt. Daar moet ik in 2013 echt eens iets aan gaan doen.

vrijdag 10 februari 2012

Benen



We liepen traag, een cluster van twaalf lichamen op een ellipsbaan. In het gras rond de piste lagen dikke sneeën sneeuw, rozig onder de sterrenhemel. De baan zelf was geruimd. Dat wisten we van de trainer, zien konden we het niet, alleen de korte einden van de piste waren verlicht.
Mijn benen bewogen. Het voelde niet als lopen, ik liet me gewoon meevoeren, gedragen door de snelheid van de anderen, en intussen keek ik naar boven. Orion stond hoog boven de horizon, niet in het zenith want daar komt hij nooit, maar toch bijna. Van Orion dwaalden mijn ogen af naar de Pleiadenwolk, die eigenlijk geen wolk is maar een kleine dense constellatie waar je, als je goed kijkt, een miniversie van De Grote Beer in kan zien, en daar bleef ik naar kijken terwijl ik ellipsen draaide op de piste.

Toen de spieren warm waren begon het echte werk, zes keer vier minuten hardlopen met telkens vier minuten joggen tussendoor. De trainer telde, Tien, vijf, drie, twee, één, en daar gingen we. Tijdens de start ontbond de cluster in een rij, na een halve baan was die rij een sliert, maar dat zag ik niet, daar was ik niet mee bezig, het enige wat ik deed was me naar voren werpen, voortdurend weer naar voren, ik keek niet naar de hemel, niet achter me, niet naast me, ik zag alleen de witte lijn voor me en mijn benen, die twee benen die onder me voortsnelden, en ik zei tegen mezelf, Kijk die benen nu, jouw benen.
Dat lijkt op het eerste gezicht een overbodige vaststelling, maar wie Half mens van Maartje Wortel heeft gelezen zal begrijpen wat ik bedoel. In die roman spelen benen, of eerder beenproblemen, een grote rol. De hoofdpersonages, Elsa Helena van der Molen en Michael Poloni, hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar gemeen. Zij is een Nederlands meisje van 20 dat met haar ouders tegen haar zin naar Los Angeles is verhuisd; hij is een 41-jarige Mexicaan die al jaren in L.A. woont, werkt, rookt en taxi's neemt, maar zich ontheemd voelt en weinig bakt van zijn leven.

Op een dag wordt Elsa aangereden door een taxi, waarin Michael Poloni passagier is. Elsa's been moet geamputeerd worden. Haar ouders spannen een proces aan tegen de taxichauffeur, waarin Michael als hoofdgetuige moet optreden. Na de rechtszaak beslist hij Elsa op te zoeken. Zij kan hem helpen, zo ziet hij in, om met zijn eigen obsessie in het reine te komen. Een obsessie die, jawel, met benen heeft te maken.

Maartje Wortel vertelt het verhaal in korte hoofdstukken waarin ze ons afwisselend in de huid van Elsa (ik-verteller) en van Michael (hij-verteller) laat kruipen. Af en toe daagt een derde verteller op, James Dillard, die niet alleen in de rechtszaak tegen de taxichauffeur als jurlid optreedt, maar ook in de tweede zaak waarin de personages op het eind van het boek belanden een oordeel moet vellen over wie schuldig is.

Half mens in één ruk uitlezen doet de roman geen recht. Het is een boek om van te proeven. Maartje Wortel bewijst hier opnieuw dat ze een heel eigen stem heeft. Het bijzondere van haar stijl zit hem in het kleine: de fijne observaties, de subtiele humor en de heerlijke miniverhaaltjes in het verhaal. Zo krijgen de nevenpersonages in Michaels hoofdstukken telkens een beschrijving tussen haakjes mee, een beschrijving die intrigeert, vaak grappig is en de kiem zou kunnen zijn voor weer een andere roman, jawel, Maartje Wortel puurt uit alles en iedereen een verhaal.
Die aandacht voor het detail die het boek doordringt (en zelfs de vormgeving beslaat, wie Half mens en Wortels verhalenbundel Dit is jouw huis naast elkaar legt, ziet waarover ik het heb) bepaalt in mijn ogen de kwaliteit van de roman, meer dan de plot.

Over Half mens valt veel méér te zeggen, maar zelfs mijn gedachten over literatuur verlieten me nu, denken kon ik niet meer, mijn benen volgden de witte lijn, ze stoven over die lijn in zo groot mogelijke passen, en elk onderdeel van mijn lichaam stuurde energie naar die benen, tot ik alleen nog benen was.

Half mens, De Bezige Bij, 240 p.

woensdag 8 december 2010

Meester (Maartje Wortel)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl


Zijn naam was Q.
Natuurlijk stond hij net als alle andere mannen om half acht op, (*1) nadat om zeven uur de wekker was gegaan. Snooze. Q. was de afgelopen drie jaar behoorlijk depressief. Zoals hij zelf zei: ‘In een depressie terecht gekomen.’
Zijn vrouw, Z., zei dat het mee moest vallen. Dat hij anders niet, net zoals alle andere mannen om half acht op zou staan nadat de wekker om zeven uur was gegaan.
De waarheid was dat Q. naar zijn werk ging omdat zijn vrouw Z. de depressie aanwakkerde. (*2, *3)
Q. douchte kort, koud en at twee wit geroosterde boterhammen met aardbeienjam. Hij las geen krant bij zijn ontbijt, het nieuws interesseerde hem niet meer. Hij keek niet om zich heen, hij kauwde niet eens, maar spoelde de toast door met lauwe thee. (*4)
‘s Nachts had hij geen dromen, die kwamen overdag. Q. was badmeester in een zwembad waar van negen tot vijf groepen kinderen kwamen schoolzwemmen. (*5) Hij moest toezien dat er niemand verdronk. Soms blies hij op een fluit.
Al zijn hele leven wachtte hij op de dag dat er toch een kind zou verdrinken. Een bijna-dood. En hij die het water in zou springen, waar een jongetje spartelend lag te vechten voor zijn leven. Rood aangelopen. En van rood naar paars. Q. zou het jongetje op de natte koude tegels naast het diepe leggen, hem warm houden met zijn handdoek, een saving kiss.
De waarheid was dat dit nooit zou gebeuren. Net als alle werkende mannen wachtte hij op een wonder. Net als alle werkende mannen wachtte Q. vergeefs. Drie jaar geleden had hij dit zelf onder ogen gezien in één van zijn visioenen, daarmee was zijn depressie begonnen, zijn slapeloze nachten, het nutteloze dromen op de dag tegen de achtergrond van het gegil van kinderen, het geklots van water, natte kindervoeten rennend over de tegels (pats pats pats), gelach, het open en dichtgaan van de gordijntjes van het kledinghok. En de kinderen die zwommen en zwommen en zwommen, zonder problemen, alsof ze nooit iets anders hadden gedaan.
Hij sloot zijn ogen, spande zijn kaken. De geluiden stierven weg. Hoe meer geluid, hoe meer er is om weg te sterven. (*6) Hij dacht aan de snooze functie op zijn wekker. Dat er altijd extra tijd is om wakker te worden. Q. trok aan het elastiek van zijn zwembroek, (*7, 8*) nam een aanloopje, sprong in het diepe. Hij sprong. Voor zijn gevoel bleef hij een paar seconden stil in de lucht hangen. Zoals een zeearend (*9), sterk onoverwinnelijk, voor de aanval. Daarna raakte zijn lichaam het water. Diep. Om hem heen spartelde kinderen. Even dacht hij: dit is de hemel. De stilte. (*10)

(*1) Niet alle mannen staan rond die tijd op. Maar de mannen met een functie. De mannen die een verwachting waarmaken.
(*2) Vrouwen wakkeren in veel gevallen (zonder dat dit overigens hun directe bedoeling is) depressie aan.
(*3) Depressie is in veel gevallen een chronische ziekte met de dood als gevolg.
(*4) Q. dronk Irish Breakfast Tea. Zijn vrouw Z. kocht om de drie weken een nieuw pak thee bij een Turkse winkel om de hoek. De Turkse eigenaar gaf haar altijd gratis koekjes mee en gratis olijven. Wie geld wil sparen moet naar de Turkse winkel gaan. Je komt altijd terug met meer dan waar je om hebt gevraagd. Thee betekende thee, koekjes en olijven. Bijvoorbeeld. Q. at de koekjes en de olijven niet. Wie een depressie heeft, eet niet. Alleen ontbijt. Zijn vrouw Z. at alle koekjes en olijven op. Ook bleef ze iedere avond koken voor twee personen. Het bord van Q. werd door haar leeggegeten. De vrouw van Q. groeide en groeide. Ze zei hem dat ze er niets aan kon doen. Ze zei hem: ‘Het komt door jou. Dat je verzonnen hebt dat je depressief bent. Er valt niet met iemand als jou te leven.’ Dat vond Q. zelf ook.
(*5) Schoolzwemmen is zwemmen met de klas. Zodat je leert hoe het is om niet te verdrinken.
(*6) Als een mens depressief is, is alles waar ‘ie aan kan denken de dood.
(*7) De zwembroek was een cadeau geweest van de kerstman. Van wie het cadeau daadwerkelijk afkomstig was liet zich niet raden. Die bewuste kerst waren Q. en Z. samen geweest met acht anderen. Als je Q. zou vragen: ‘Q. hoe kom je aan die zwembroek?’ Dan zou hij zeggen: ‘Van de kerstman.’
(*8) De zwembroek is zwart en strak. Merkloos.
(*9) Zeearenden worden ook wel vliegende deur genoemd. Ze zijn erg zeldzaam. Q. voelde zich op het moment van de sprong erg zeldzaam.
(*10) De dood blijft een moeilijk haalbaar iets.

Maartje Wortel (1982) debuteerde in 2009 bij De Bezige Bij met de verhalenbundel Dit is jouw huis. Ze won de Nieuw Proza Prijs en de Anton Wachterprijs in 2010. Haar eerste roman, die in september 2011 verschijnt, draagt de werktitel Vals plat.
Over de pastiche schrijft ze: ‘Omdat ik niet goed kan afwijken van mijn eigen stijl, heb ik niet echt een andere schrijfstijl aangenomen maar een experiment gedaan binnen de stijl. En een thema. Ik zal niet zeggen welke schrijver ik uitgekozen heb. Het is volgens mij heel makkelijk. De makkelijkste tot nu toe.

Wie als eerste goed raadt, krijgt een boek opgestuurd. Ik hou van prijsvragen namelijk.’

vrijdag 2 april 2010

Iets bizars



Heel soms gebeurt het. Dan begint u een boek te lezen en bent u van bij de eerste bladzijde geïntrigeerd. Niet zozeer door de taal of het verhaal, maar door de manier waarop de auteur naar het leven kijkt. Ik heb dit met Italo Calvino en sedert een week ook met Maartje Wortel.

Vorige maandag was ik bij De Bezige Bij in Amsterdam op de geweldige lanceringsparty van Arty-farty, het debuut van Emily Gordts. Bij de beau monde daar present was ook de jonge Nederlandse schrijfster Maartje Wortel, die in 2009 debuteerde met de verhalenbundel Dit is jouw huis. Ik had het boek die middag in de Amsterdamse boekhandels gezocht, maar het was overal in bestelling. Bij De Bezige Bij hadden ze gelukkig nog exemplaren; de uitgever was zo vriendelijk me er eentje te geven.
'Bizarre verhalen,' zei hij, 'je zal zien, Maartje Wortel is een auteur met een bijzondere stem.'

Ik las een eerste verhaal voor ik ging slapen, 's anderendaags las ik er enkele op het vliegtuig en de hele week thuis af en toe één. Niet dat ik niet wilde verder lezen, ik mocht niet. De zeventien verhalen in Dit is jouw huis vragen geen snelle consumptie; het zijn verhalen om te laten bezinken.

Waarover schrijft zij dan?
Soms over bizarre dingen : een vrouw vindt een zwijgend kind in haar achtertuin of een patiënte gaat op doktersbezoek omdat ze voortdurend denkt dat ze gaat vallen. Maar meestal gaat het over het alledaagse: een man die terminaal ziek is, iemand die zijn huis verkoopt, een bejaarde die de woonkamer behangt.
In het titelverhaal fotografeert een meisje huizen van wildvreemde mensen en vraagt ze zich af wie in die huizen leeft en of ze gelukkig zijn. Dat doet u ook soms, geeft u maar toe.
De verhalen blijven bij door hun toon: sec, vol humor en ook poëzie. Maartje Wortel bekijkt het gewone vanop afstand en doet ons nadenken. Veel woorden heeft ze niet nodig, maar elk woord weegt door.

Ze heeft haar boek toen ook voor me gesigneerd:

Van de uitgever moet ik iets bizars in je boek zetten maar bizarre woorden zijn nooit bizar, kijk maar gewoon om je heen, daar zie bizarre dingen genoeg.

Leest u maar zelf.

Dit is jouw huis, De Bezige Bij, 160 p.

dinsdag 15 december 2009

Eeuwig



De Bezige Bij wordt vijfenzestig.
Mijn vriendin E. is genodigd op het grote feest; ik mag mee. We willen voorbereid zijn. Als we bij de grote namen der letteren worden gedropt, willen we namelijk zulke situaties vermijden.

15u.
We flaneren door het Vondelpark. Wat zeggen we als we plots oog in oog staan met Harry Mulisch?
'Ik weet het écht niet,' zucht mijn vriendin E.
Er hangt een feestelijke sfeer in het park. De hemel is van hetzelfde blauw als bij ons in het zuiden.
'Pieker er maar niet over,' zeg ik. 'Dat zien we dan wel. Er komt wel iets.'
Over Het stenen bruidsbed, het boek dat ik van plan was te lezen voor het feest, zou ik het alvast niét moeten hebben. De bibliotheek van mijn vriendin E. heeft me op andere leesideeën gebracht. Ik ben begonnen in een bundel van Dave Eggers en in Caesarion van Tommy Wieringa. Misschien heeft Harry Mulisch dit ook wel gelezen.

18u.
Voor het pand van De Bezige Bij vinden we nog parkeerplaats. De voordeur staat open. Licht en muziek stromen de straat op.
Door het raam zien we vrouwen in mooie jurken, mannen in pak. Véél mensen.
Mijn vriendin E. en haar vriend F. staan glimlachend op het trottoir te wachten. Ik stap uit de auto.
'Ik weet het niet meer zo,' zeg ik.
'Wat dan?' vraagt E.
'Van Mulisch. Wat ik hem ga zeggen.'

19u.
Ik ben een van de enige gasten die niet bij de uitgeverij werkt, ook geen partner is van een Bij-auteur en nog geen uitgever heeft. Maar dat is net leuk. Spannend, deze tijd!
Daar is Anita Terpstra, ook een auteur van Paul Sebes, in november gedebuteerd met Nachtvlucht.
'Ik heb er geen flauw idee van hoeveel exemplaren er zijn verkocht,' zegt ze.
'Is er iets veranderd in je leven?' vraag ik.
'Eigenlijk niet.' Ze lacht. 'Weet je, je staat nog net zoals vroeger gewoon je WC te schrobben.'

20u.
Waarover gaat het verhaal?' vraagt Hans Nijenhuis, de uitgever van Thomas Rap.
We staan in de traphal. Hij luistert aandachtig.
'Ken je dat gevoel?' besluit ik, 'dat gevoel dat je overvalt als je een zielsverwant hebt gevonden?'
'Oh ja. Jazeker.' Hij glimlacht. 'Je boek klinkt goed.'

21u.
In de meest doorrookte kamer van het pand - en waarschijnlijk van heel Nederland - treden schrijvers op. We zitten naast Saskia Konniger (35), die ons net heeft verteld over haar eerste boek, Club Karma. We leunen achterover in de fauteuils. OP het kleine podium leest Maartje Wortel (27) een stuk voor uit haar verhalenbundel Dit is jouw huis. Hilarisch.

21u30.
We drinken een glas witte wijn met zicht op Harry Mulisch.






22u.

'Het is een spelletje,' zegt Erwin Mortier, de man die voor de uitreiking van de AKO-Literatuurprijs zei dat zijn boek, Godenslaap, "te goed is voor deze jury".
Hij lacht verlegen. 'We stonden daar allemaal te bibberen voor die uitreiking. Toen dacht ik, ik ga gewoon mijn ding doen.'
'Er zijn bijna honderdduizend exemplaren verkocht,' gaat hij verder, glunderend.
Of zijn leven veranderd is sedert de prijs?
'In het dorp herkennen ze me bij de bakker en de slager. Da's leuk.'

22u15.
Tommy Wieringa komt voorbij. Ik stap op hem af en steek mijn hand uit. Hij kijkt verbaasd, maar beantwoordt mijn handdruk.
'Ik ben in Caesarion begonnen,' zeg ik. 'Ik heb lukraak een bladzijde gelezen en zo gelachen.'
'Dat vind ik leuk,' zegt hij.
Dan wordt het optreden van Erwin Mortier aangekondigd. Tommy Wieringa juicht hem toe.

23u.
De plankenvloer trilt. De kamer waar Robbert Ammerlaan de avond inluidde met een gevleugelde toespraak over de geschiedenis van De Bezige Bij, "een vereniging van schrijvers", is omgebouwd tot danszaal. Billy Jean schalt door de luidsprekers. Ammerlaan himself geeft het voorbeeld en swingt over de vloer. Youp van 't Hek dartelt door de dansende massa heen. Er wordt gesprongen, rondgetold, geshaket en gelachen.

Er zijn avonden waarvan je wilt dat ze eeuwig blijven duren.


Van boeken en mensen
wenst u fijne feesten toe en ziet u terug in het nieuwe jaar.