Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

dinsdag 6 april 2010

De week van het kortverhaal (1/4)

Tot vrijdag kunt u hier meeschrijven aan een kortverhaal!

U kent de verhalen van Anton Tsjechov, u hebt alles van Guy de Maupassant gelezen, u bent fan van William Somerset Maugham, u hebt Vreemd land van Jhumpa Lahiri verslonden, of u bent in het afgelopen weekend in Dit is jouw huis van Maartje Wortel begonnen?
Dan hebt u al een idee van een goed kortverhaal.
Maar hoe begint u er zelf aan?

Dit zijn de schrijftips van Maartje Wortel:
*Durf authentiek te zijn.
*Gebruik beeldende taal.
*Benoem niet te veel, maar laat wat gebeurt door de regels klinken.
*De gouden regel voor alle schrijvers: show don't tell.
*En ook: less is more.

'Een kortverhaal,' zegt zij, 'moet krachtig zijn van taal. Het moet de lezer meteen pakken want er is geen tijd om het verhaal op een rustige manier uit te rollen.'

Voor het geval u nog steeds geen idee hebt:
*Anton Tsjechov: In short stories it is better to say not enough than to say too much.
*Ernest Hemingway: If a writer of prose knows enough about what he is writing about he may omit things that he knows and the reader, if the writer is writing truly enough, will have a feeling of those things as strongly as though the writer had stated them.
*Raymond Carver: It's possible, in a poem or a short story, to write about commonplace things and objects using commonplace but precise language, and to endow those things--a chair, a window curtain, a fork, a stone, a woman's earring--with immense, even startling power.

U weet het nu wel, u popelt zelfs om eraan te beginnen. Leest u eerst even de spelregels:
*Een nieuwe zin publiceren doet u via het reactieformulier.
*Eén zin per reactie!
*Voor u een nieuwe zin publiceert, leest u eerst alle reacties door.
*Als u een zin hebt gepubliceerd, moet u minstens drie reacties afwachten voor u een volgende zin publiceert.
*Anonieme reacties worden gewist.

's Anderendaags publiceer ik het voorlopige resultaat en gaan we verder. Het experiment loopt vrijdagavond om middernacht af.

De eerste zin, van Maartje Wortel:

De kamer is lang en smal en vraag me niet hoe het komt maar het ruikt er naar joggingbroeken.

vrijdag 2 april 2010

Iets bizars



Heel soms gebeurt het. Dan begint u een boek te lezen en bent u van bij de eerste bladzijde geïntrigeerd. Niet zozeer door de taal of het verhaal, maar door de manier waarop de auteur naar het leven kijkt. Ik heb dit met Italo Calvino en sedert een week ook met Maartje Wortel.

Vorige maandag was ik bij De Bezige Bij in Amsterdam op de geweldige lanceringsparty van Arty-farty, het debuut van Emily Gordts. Bij de beau monde daar present was ook de jonge Nederlandse schrijfster Maartje Wortel, die in 2009 debuteerde met de verhalenbundel Dit is jouw huis. Ik had het boek die middag in de Amsterdamse boekhandels gezocht, maar het was overal in bestelling. Bij De Bezige Bij hadden ze gelukkig nog exemplaren; de uitgever was zo vriendelijk me er eentje te geven.
'Bizarre verhalen,' zei hij, 'je zal zien, Maartje Wortel is een auteur met een bijzondere stem.'

Ik las een eerste verhaal voor ik ging slapen, 's anderendaags las ik er enkele op het vliegtuig en de hele week thuis af en toe één. Niet dat ik niet wilde verder lezen, ik mocht niet. De zeventien verhalen in Dit is jouw huis vragen geen snelle consumptie; het zijn verhalen om te laten bezinken.

Waarover schrijft zij dan?
Soms over bizarre dingen : een vrouw vindt een zwijgend kind in haar achtertuin of een patiënte gaat op doktersbezoek omdat ze voortdurend denkt dat ze gaat vallen. Maar meestal gaat het over het alledaagse: een man die terminaal ziek is, iemand die zijn huis verkoopt, een bejaarde die de woonkamer behangt.
In het titelverhaal fotografeert een meisje huizen van wildvreemde mensen en vraagt ze zich af wie in die huizen leeft en of ze gelukkig zijn. Dat doet u ook soms, geeft u maar toe.
De verhalen blijven bij door hun toon: sec, vol humor en ook poëzie. Maartje Wortel bekijkt het gewone vanop afstand en doet ons nadenken. Veel woorden heeft ze niet nodig, maar elk woord weegt door.

Ze heeft haar boek toen ook voor me gesigneerd:

Van de uitgever moet ik iets bizars in je boek zetten maar bizarre woorden zijn nooit bizar, kijk maar gewoon om je heen, daar zie bizarre dingen genoeg.

Leest u maar zelf.

Dit is jouw huis, De Bezige Bij, 160 p.

donderdag 1 april 2010

Circus



Van de buurvrouw had ik vrijplaatsen gekregen voor Cirque Medrano, met vaste standplaats in Cannes.

We waren één keer naar een circus geweest: een rondreizend gezelschap met twee clowns die ook de acrobatennummers deden, een lenige vrouw in glitterpak, enkele kippen, twee honden en een pony. Met open mond en fonkelende ogen hadden de kinderen de voorstelling bijgewoond. En dit dorpscircus was niets in vergelijking met Medrano. Behalve clowns, acrobaten en een leeuwentemmer hadden zij Indische en Afrikaanse olifanten, een illusionist, en en exclusivité "l'homme canon". Die laatste act werd op de brochure geïllustreerd met een fotootje: we zagen een soort buis waaruit een man kwam gevlogen in Superman-houding.
Alleen al om de gezichten van de kinderen te zien wilde ik gaan.

De voorstelling begon om 14u30.
We waren tien minuten voor tijd; er stond een lange rij voor het loket.
'Is er nog plaats?' vroeg N.(7) met angstige stem.
'Natuurlijk,' zei ik. Ik bedacht dat we in het andere geval naar de zee konden; het was perfect strandweer.
Er was nog plaats, alleen waren de tribunes van de vrijkaarten al volzet.
'Dat is dan 50 euro,' zei de man achter het loket.
Toen we in de tent kwamen, bleek twee derde nog leeg. We installeerden ons op de op een na hoogste rij, naast een oma met twee kleinkinderen. Terwijl we wachtten, werden we erop gewezen dat er popcorn en lichtzwaarden te koop waren. De bewuste kraam stond pal naast de ring en was het focuspunt van alle kinderogen.
Eindelijk was het zover. Er klonk gefluit, de lichten doofden en één spot knipte aan.

De circusmeester kwam de ring binnen en begon de burgemeester en de technische diensten te danken en dan nog een hele reeks zogenaamde partners.
'Wanneer begint het?' vroeg N.
'Direct,' zei ik.
'We hebben véél gróte problemen gehad,' vervolgde de circusmeester. 'Er zijn verscheidene artiesten die niet kunnen optreden.'
Ik verwachtte me aan een uitleg, maar die kwam niet.
'De voorstelling begint,' zei hij. 'Nu komt...' Snel keek hij op het smoezelig blaadje in zijn hand. '...Havana. Dames en heren, applaus voor Havana!'
Twee mannen en twee vrouwen liepen de ring op en voerden kunstjes uit op een salsaritme. Daarna kwam een goochelaar die zakdoeken in duiven kon veranderen, gevolgd door een act met twee zeehonden, nog eens de dansers en dan was het pauze. We konden weer kopen: popcorn, wafels, pannenkoeken en frisdrank.
De kinderen vroegen wanneer de dieren kwamen: de leeuwen en de olifanten. En de clowns.
'Straks,' zei ik, 'de circusmensen rusten nu tien minuten.'

In de tweede helft zagen we een jongleur, een man die in een gordijn klom en daar ingewikkelde bewegingen uitvoerde, een Russisch paar dat in enkele seconden van outfit kon wisselen en acrobaten. Dan kwamen alle acteurs de ring op en was het gedaan.
De twee jongsten begonnen onmiddellijk te huilen. Waar waren de dieren? Daar waren we toch voor gekomen! De oudste keek verschrikkelijk ontgoocheld.
'Het is beschamend,' zei de oma naast ons.
Ik was ook ontgoocheld, in de eerste plaats voor de kinderen, maar ook een beetje voor de olifanten.

Sedert De tocht van de olifant van José Saramago heb ik iets met die dieren. Wie van Saramago houdt, moet deze roman lezen. Een juweeltje: absurde humor, zelfspot, eindeloze zinnen, rake observaties, een bijzonder verhaal: alle Saramago-elementen zijn present. Voor wie Saramago niet kent: hier leest u een voorproefje van zijn stijl - een poging, althans.
In De tocht van de olifant, zijn zesde roman sedert zijn Nobelprijs Literatuur, beschrijft Saramago de reis van een olifant die in de zestiende eeuw van Lissabon naar Wenen wordt gebracht. De olifant, Salomon, is een huwelijksgeschenk van de Portugese vorstenpaar aan Maximiliaan van Oostenrijk.
Op zijn typische ritme van lange rollende zinnen neemt de Portugese auteur ons mee met Salomon en de karavaan mensen, paarden en ossen door het Portugese gebergte, over het stoffige Spaanse binnenland, overzee tot Genua en vandaar over de Alpen naar Wenen.
Subtiel en niet zonder ironie schetst hij de complexe verhoudingen tussen de machthebbers, waar megalomanie de boventoon voert. We krijgen de kleine kantjes van de mens te zien. Salomon daarentegen wordt steeds sympathieker. Zo is er de passage met de pastoor van een dorp waar de karavaan de nacht doorbrengt, die putwater voor wijwater laat doorgaan en de duivel bij Salomon wil uitdrijven, maar bijna het slachtoffer wordt van een doodsschop. Het eigenzinnige olifantenkarakter intrigeerde me, en nog steeds.

Olifanten zou ik die dag niet zien, wist ik toen we de circustent uitliepen, maar misschien was er nog iets te redden. Op de terugweg naar de auto zag ik dat er een rij voor het loket stond: allemaal mensen met kwade gezichten. Wij reden naar de zee.
De kinderen stormden het strand op. Hun schoenen waren nog niet helemaal uit of daar waren ze al, die blinkende ogen.