Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

woensdag 3 maart 2010

Vastgelopen

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Dikwijls denk ik eraan om een stukje te schrijven.

Soms, als die gedachte opnieuw in me opkomt, heb ik amper de tijd om aan een onderwerp te denken, of er duiken al zinnen op, en het zijn de zinnen die me naar een verhaal leiden. Ik heb er geen idee van waar het verhaal me zal brengen, en ik voel me als de eenzame reiziger die, met een beperkte kennis van een vreemde taal, na lang talmen een buurman in de trein aanspreekt, daarbij de schaarse woorden die hij kent gebruikend, zo een kortdurende illusie van warme gedachtenwisseling wekt en onvermijdelijk vastloopt in een gesprek waarvan hij het onderwerp niet heeft gekozen (en zich voelt als die andere reiziger die op een lange saaie reis, plots, gelokt door een vergezicht, beslist links in te slaan, om na korte tijd vast te stellen dat hij niet verder kan en dreigt te stranden in de modder (en die zich op zijn beurt voelt als een thrillerschrijver, die op een geniale ingeving een onverwachte wending geeft aan zijn verhaal, doch wat later vastloopt in een onontwarbare plot)).

De schrijver neemt de draad terug op, de reiziger maakt met modderbanden rechtsomkeer en onze treingebruiker geeft zijn vastgelopen poging op en kijkt wat onwennig uit het raam. Mijn stukje heb ik ondertussen geschreven, maar wat nu?



Dank aan E., de gastauteur!

Aan welke auteur herinnert dit stukje? Uw antwoord is welkom op het reactieformulier.

dinsdag 2 maart 2010

Verliefd



Sedert enkele weken hangt de lente in de lucht.
We worden wakker met vogelgefluit en als we de luiken opengooien, zien we een wijde blauwe hemel. De tuin geurt naar mimosa en ontluikend groen.

Ook in het dorp is de lente voelbaar. De platanen hebben een snoeibeurt gekregen en het bejaarde echtpaar met de groentehof onder het dorpsplein, is van 's ochtends vroeg al in de tuin aan het werken. Voor de Bar des Boulistes staan "les filles" welgeluimder dan anders hun sigaretten te roken, en de oude kruidenier heeft zich aan het joggen gewaagd.

Dat ik er zo blij van word, heeft te maken met Marcel Pagnol. Toen ik dertien jaar was, stond ik op met Jean de Florette en Manon des Sources en kroop ik er ook mee in bed. In het eerste boek vertelt Pagnol het verhaal van Ugolin en Papet, die een anjerplantage willen beginnen, maar op de gronden die ze bezitten, is er niet genoeg water. Een buurman heeft een terrein met een bron. Als hij sterft, stoppen Ugolin en Papet de bron dicht in de hoop dat zij het terrein voor een prikje zullen kunnen kopen. Dat gebeurt niet. De erfgenaam, Jean Cadoret, komt er wonen met zijn vrouw en dochtertje Manon, en begint een konijnenkwekerij. Na een extreem droge zomer loopt het project faliekant af. Jean sterft. Het terrein wordt verkocht aan Ugolin en Papet. Manon ziet hoe zij de bron ontstoppen.
Het tweede boek begint jaren later. Manon, die geitenhoedster is geworden, leeft in de heuvels en vermijdt het contact met de dorpsbewoners. Ugolin wordt verliefd op Manon, maar zij wil niets van hem weten. Op een van haar omzwervingen in de heuvels vindt ze de bron die het hele dorp van water voorziet en stopt ze hem dicht. 's Zondags laat de priester tijdens zijn preek vallen dat de watersnood de wraak is van de overleden Jean. Het hele dorp beschuldigt Ugolin en Papet.

Ik was wég van Jean de Florette en Manon des Sources. Ik las niet alleen de boeken, maar ik ging ook naar de films, ik kocht de cd met de filmmuziek, ik neuriede het deuntje dat Manon op haar mondharmonica speelde de ganse dag, overwoog zelfs mondharmonica te leren spelen en beplakte mijn schoolagenda met snapshots van Manon, vertolkt door Emmanuelle Béart.

Ons dorp, dat in de winter stil en verlaten is, transformeert zich bij de eerste mooie dagen in het dorp van Jean de Florette en Manon des Sources. De drinkfonteinen, die in de wintermaanden droog staan, vloeien weer en de dorpsfiguren komen opnieuw buiten. Zoals de Politieagent.
Het is niet zo dat we hier maar één agent hebben. Het dorp telt een voltallig corps maar dat werkt 's winters op halve kracht.
De Politieagent heb ik maanden niet gezien. Tot enkele dagen geleden toen ik de kinderen van school ging afhalen.
Hij was de oversteek aan het regelen.
Al van ver spotte hij me. Hij hield zijn hoofd scheef en begon te grijnzen.
'Bon-jour,' zei hij toen ik de straat overstak. 'Ca va bien?' Hij zegt altijd hetzelfde, en steeds op een toon die weinig aan de verbeelding overlaat.
'Ca va, merci.' Ik glimlachte kort. Elementaire beleefdheid.
Met zijn hoofd nog steeds schuin en die grijns op zijn gelaat gebrand, volgde hij me met zijn blik van de ene naar de andere stoep.
Vijf minuten later was ik terug met de kinderen. Daar was de instant grijns weer. De kinderen gunde hij geen blik waardig.
N. (6) staarde naar hem. 'Kijk, mama,' zei hij, 'daar is die politie die verliefd is op jou.'
'Loop nu maar verder,' zei ik.

Vanaf nu staat dit me minstens een keer per week te wachten. Het hoort erbij in een decor à la Pagnol.

maandag 1 maart 2010

Snufjes



Het was vrijdagavond en er kwam geen druppel meer uit de kraan. Het was nog maar één uur begonnen, maar de chaos trad al in: de keuken was een slagveld, de wc spoelde niet door, de wasmachine was geblokkeerd. We waren verveeld, vooral omdat een logé zich had aangemeld.

Ik belde aan bij monsieur Gilbert, het oog en oor van de straat.
Bij de keuken knipte een buitenlicht aan.
'Oui?'
'C'est la voisine,' riep ik.
De gele lamp boven de intercom lichtte op. Monseur Gilbert mag dan al tachtig zijn, hij houdt nog altijd van snufjes. Naast een elektrische warme kruik heeft hij sinds kort ook een automatische poort.
Traag en perfect synchroon draaiden de gietijzeren luiken open.
Monsieur Gilbert wachtte me op bij de deur. Hij ging meteen de kraan testen: geen water.
'Bel misschien naar de gemeente,' opperde zijn vrouw die in de woonkamer aan het lezen was.
Ik wilde haar vragen of ze René Barjavel kende, de voorloper van de Franse science-fiction. De toestand deed me denken aan Ravage, Barjavels eerste SF-roman, die in 1943 verscheen. Daarin beschrijft Barjavel een geïndustrialiseerde samenleving die het plots moet stellen zonder elektriciteit, met apocalyptische toestanden als gevolg. Ik zou de buurvrouw meteen ook verteld hebben over het vervolg op Ravage, Le voyageur imprudent, waarin een tijdreiziger pendelt tussen de nabije en verre toekomst en het verleden, en in de meest onmogelijke situaties belandt.
Zij had het interessant gevonden, maar hij vast niet. Dat leidde ik toch af uit zijn antwoord.
'Dat ga ik allang doen,' bitste monsieur Gilbert.

Na een kwartier, waarin hij tevergeefs vijf telefoonnummers uitprobeerde en ik nieuwe inzichten kreeg in zijn huwelijk, stond ik weer buiten. Ik kon water krijgen uit de reservetank, maar dan moest ik emmers halen.
De poort was dicht.
'C'est fermé,' riep ik.
Er kwam geen antwoord.
'Ik doe open,' zei monsieur Gilbert toen ik weer had aangeklopt.
Een minuut later was ik terug met twee emmers.
Ik stond voor een gesloten poort. Aanbellen, maar weer. De poort zette zich ogenblikkelijk in beweging.
'Heb je ook een vijfliterfles?' vroeg monsieur Gilbert. 'Je hebt water nodig om te koken.'
'Ik ben zo terug,' zei ik.
Maar de poort was toe.
Toen monsieur Gilbert geopend had, liep ik zo snel ik kon naar huis. Het mocht niet baten. Toen ik terug was met mijn vijfliterfles, was de poort dicht.
Ik belde aan.
Monsieur Gilbert kwam zuchtend uit zijn schuur met mijn emmers water. Hij deponeerde ze voor de poort en nam de vijfliterfles aan. Even later was hij terug. Hij zette de gevulde fles naast de emmers.
'Ik doe open,' zei hij voor hij in huis verdween.

Tergend traag zetten de luiken zich in beweging. Het rechter ging pal op mijn water af. Ik moest de emmers redden. Nieuw water vragen was geen optie; dan poetste ik mijn tanden nog liever met fruitsap. Ik probeerde het linkerluik verder open te wrikken, maar de poort gaf geen centimeter mee. Het was een kwestie van seconden voor de opening groot genoeg was, maar het voelde aan als een eeuwigheid. Ik wurmde me erdoor. Het rechterluik van de poort duwde al tegen de akers aan. Ik nam de hengsels beet, sleurde de emmers de straat op, rende weer naar binnen en griste de vijfliterfles mee.

Op straat keek ik toe hoe de poort in het slot viel. Zou Barjavel het ergens voorspeld hebben, dit scenario?