Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label klassiekers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label klassiekers. Alle posts tonen

donderdag 26 november 2009

Moord



Hij is 49 jaar geleden gestorven, maar staat in het hart van de Franse actualiteit: Albert Camus. Nicolas Sarkozy wil het stoffelijk overschot van de schrijver in 2010 laten overbrengen naar het Pantheon in Parijs. Daar zou Camus een rist grote namen uit de Franse geschiedenis vervoegen, zoals Jean-Jacques Rousseau, Voltaire, Emile Zola en Victor Hugo. Een "panthéonisation" is zowat de grootste eer die een Fransman te beurt kan vallen.
Camus rust nu op het kerkhofje van Lourmarin in de Lubéron. In dit idyllische dorp had hij met het prijzengeld van de heer Alfred Nobel een optrekje gekocht. Zoon Jean Camus wil dat vaderlief in Lourmarin blijft. Albert Camus hield niet van groot eerbetoon. Een panthéonisation zou indruisen tegen de waarden van de schrijver.

Toen ik vorige week L'Etranger uit de boekenrekken van Cultura pikte, was de hetze rond Albert Camus me nog vreemd - vraagt u het maar aan P., ondanks een krantenabonnement en dagelijkse bezoeken aan nieuwssites slaag ik er meestal in de actualiteit te ignoreren. Bij het lezen van l'Etranger dacht ik dus niet aan de polemiek. Het boek herinnerde me aan een lerares Frans die ik in de middelbare school gehad heb.
L'Etranger is het verhaal van een man, Meursault, die in Algiers woont en het bericht krijgt dat zijn moeder is gestorven. Hij reist naar het dorp waar zij haar laatste levensjaren in een zorgtehuis heeft doorgebracht en woont de begrafenis bij. Als hij terug thuiskomt, raakt hij betrokken in de problemen van zijn buurman, Raymond. Deze heeft zijn Arabische maitresse beledigd en wordt geviseerd door haar broer. Tijdens een uitstap naar het strand wordt Meursault met die Arabier geconfronteerd en schiet hij hem neer. Meursault moet naar de gevangenis, er volgt een proces en hij wordt veroordeeld tot de guillotine.
Het verhaal is geschreven vanuit het standpunt van Meursault, de ik-verteller. We kruipen in het hoofd van een onverschillige, gevoelloze man, die bezeten is door een drang naar waarheid: een vreemdeling in de maatschappij. Camus heeft het personage op een magistrale manier stem gegeven: hoe vreemd hij ook is, toch kunnen we ons in hem verplaatsen.
Als de rechter Meursault vraagt naar het motief van de moord, zegt hij: "J'ai dit rapidement, en mêlant un peu les mots et en me rendant compte de mon ridicule, que c'était à cause du soleil."
Dat voelen we ook zo aan wanneer de moord gebeurt: Meursault en de Arabier hebben elkaar gezien. Meursault staat op het strand, de Arabier ligt een tiental meter verder te rusten bij een bron. De zon brandt op het gezicht van Meursault, het zweet loopt naar zijn wenkbrauwen, hij heeft pijn aan zijn hoofd en voelt zijn aders kloppen onder zijn huid. Hij zet één stap vooruit om de zon van zich af te schudden, hoewel hij weet dat het absurd is en het niet zal helpen. Op dat ogenblik trekt de Arabier zijn mes. Meursault ziet de schittering van het staal in de zon. Het is alsof hij het blinkende lemmet op zijn voorhoofd voelt, alsof het hem verblindt: hij schiet.

Ik had een déjà-vu gevoel toen ik deze passage las. Plots wist ik het weer. Op school hadden we de moordscène besproken. De lerares Frans wijdde er niet één, maar meerdere lessen aan. Later vernam ik dat het arme mens zelfmoord had gepleegd. Terwijl ik verder las, vroeg ik me af wat L'Etranger met haar gedaan had.

vrijdag 20 november 2009

Een dag in de cel



November is de maand waarop Irish Coffee weer gaat smaken: niets is beter om de innerlijke mens op te warmen. Het vuur knetterde en de blend was perfect. Om niet oververhit te raken had ik een aangepast boek bovengehaald, en wel Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Alexander Solzjenitsyn. Het verhaal speelt zich af in een strafkamp in Siberië bij temperaturen tot min veertig graden. Wie in de huid van de personages wil glijden, zit er best warmpjes bij.

Het was ook een novemberdag, in 1961. Op de redactie van het tijdschrift Novy Mir in Moskou valt een dikke envelop binnen. Het belandt op de slush pile. De redactiesecretaresse, die een preselectie maakt in de inzendingen, krijgt het manuscript als eerste onder ogen. Ze beseft onmiddellijk dat ze met iets exceptioneels te maken heeft, laat de vijftig recto-verso bedrukte velletjes keurig kopiëren en brengt ze naar de directeur. Van bij de eerste zinnen is deze overweldigd. 's Anderendaags, na een nacht lezen, kondigt hij zijn medewerkers aan dat hij een meesterwerk heeft ontdekt. Hij vraagt hen de auteur op te sporen. Blijkt dat de tekst is ingediend door een germanist en ex-gevangene. Deze vertelt dat het manuscript is geschreven door een medegevangene die nu wiskunde doceert in Riazan, een stad op 200 kilometer van Moskou, Alexander Solzjenitsyn. In het najaar van 1962 verschijnt de editie van Novy Mir met het verhaal Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj. De kiosken worden leeggeplunderd. De buitenlandse pers is er als de kippen bij. Niet veel later verschijnt een spoedvertaling in het Franse magazine Paris-Match. Alexander Solzjenitsyn wordt in een mum van tijd wereldbekend.

Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj is gebaseerd op Solzjenitsyns eigen ervaringen. In 1945 werd hij gearresteerd omdat hij zich onrespectvol had uitgelaten over Stalin. Hij kreeg acht jaar gevangenis. Zoals zoveel anderen werd hij naar een van de strafkampen gestuurd. "Goelag" werden die kampen ook genoemd, naar de overheidsdienst die ze beheerde. Na de dood van Stalin in 1953 werd de helft van de gevangenen vrijgelaten, ook Solzjenitsyn. Maar over wat in de kampen was gebeurd, zweeg iedereen. Solzjenitsyn is de eerste die het taboe doorbreekt. Dit maakt Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj ophefmakend. Solzjenitsyn schreef de roman op twee maanden tijd. Later heeft hij het onderwerp van de strafkampen opnieuw opgenomen in zijn befaamde drieluik, de Goelag Archipel.
Mijn Irish Coffee was al uren binnen, de laatste houtblok in de haard allang opgebrand toen ik de roman neerlegde en net als het hoofdpersonage Ivan Denisovitsj, bijgenaamd Choukhov, onder de wol kroop. Een dag lang was ik Choukhov geweest. Van vijf uur 's morgens wanneer hamergeklop hem wakker maakt tot tien uur 's avonds wanneer hij weer onder zijn deken kruipt. Met een glimlach. Hij, maar ik ook. Want Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj is, ergens, een verhaal van hoop.

woensdag 28 oktober 2009

Literatuur in de metro



Is het u ook al overkomen, dit idee dat de werkelijkheid een loopje met u neemt? Ik krijg dan het gevoel dat ik aangestuurd word door een plot, dat ik een scharniertje ben in een raderwerk, dat ik zelf in een roman rondwandel. Ik weet niet waaraan het ligt, maar mij overkomt het regelmatig. Soms bevind ik me in een roman van Marcel Pagnol, op een andere keer is dat er een van Italo Calvino, maar doorgaans blijven de auteurs en boekwerken onbenoemd.

Tegenwoordig heb ik het zelfs voor in het vaderland, en dan bedoel ik België. Zoals in juni jongstleden. Op een namiddag had ik een afspraak op de redactie van uw kwaliteitskrant. Ik nam de trein, wat alweer jaren geleden was. De treinen waren nog altijd dezelfde. In Brussel-Zuid, op honderd meter van het perron, kregen we panne. Uitstappen was buiten de kwestie. Dat mocht ik horen van een overigens zeer vriendelijke kaartjesknipster die me op een volgende treinreis een maand later herkende en me toen vol medeleven vroeg of ik mijn afspraak op de redactie had gehaald. Een kleine wereld kan fijn zijn.
Soit. Ik pleegde een telefoontje naar de krant. Mijn vertraging was geen probleem: mijn afspraak had nog uren werk. Ik diepte Marcel van Erwin Mortier uit mijn tas en las. Vijftig minuten later zette de trein zich in beweging. Tien seconden duurde het traject. Dan stonden we bij het perron. Noem het koppigheid, noem het interesse in Marcel, maar ik besloot in de trein te blijven. Pas als we Brussel-Centraal aandeden, stapte ik uit en nam daar de metro. De zitjes waren bezet, dus bleef ik bij de deur staan.
Aan mijn linkerkant stond een man met een map onder de arm. Hij wierp een zijdelingse blik op me en staarde dan weer voor zich uit. In godsnaam was dit K.? Onze laatste ontmoeting dateerde van minstens vijftien jaar geleden!
Ik bleef staren tot hij terugkeek. 'Ben jij K.?' vroeg ik.
Zijn gezicht brak open in een glimlach. 'Ik dacht al, zij heeft iets van A!'
K. en ik frequenteerden elkaar in het laatste jaar van onze middelbare school. We deelden eenzelfde passie voor literatuur. Bij onze laatste ontmoeting was hij student politieke en sociale wetenschappen, ik studente natuurkunde.
'Het moet lukken... Ik ben foto's gaan tonen in een galerie in een buurt waar ik anders nooit kom. Ik neem deze lijn nooit.'
'Ik ook niet,' zei ik. 'Ik ben zelden in België en zonder treinpanne was ik allang op de redactie geweest.'
Nu was hij fotograaf, ik journaliste.
We verloren onze tijd niet met deze banaliteiten en namen de draad op waar we die gelaten hadden. Bij boeken, natuurlijk. Ik vertelde honderduit over Italo Calvino, die ik net had ontdekt en wiens roman Marcovaldo me van bij de eerste zin bij de lurven nam. De roman, die als ondertitel De seizoenen in de stad draagt, bestaat uit twintig verhalen rond het hoofdpersonage Marcovaldo, een arme arbeider die in de stad de kost verdient voor zijn kroostrijk gezin. Marcovaldo's passie is de natuur. Vanuit het zolderraam van zijn appartement leert hij zijn kinderen de positie van de sterren kennen (als de lichtreclame op het gebouw aan de overkant voor enkele seconden uitknippert). Wanneer hij op zijn werk gevraagd wordt de (reusachtige) kamerplant te verzorgen, neemt hij ze mee op de fiets om ze te brengen naar plaatsen in de stad waar het regent. Tussen de tramsporen zoekt hij naar champignons. Telkens komt hij in de meest absurde situaties terecht; Marcovaldo is ontegensprekelijk de roman die me dit jaar het meest heeft laten lachen. Calvino werpt hier een kritische blik op de consumptiemaatschappij, maar tegelijkertijd toont hij aan dat poëzie overal te vinden is voor wie maar goed genoeg kijkt.
K. kende Calvino natuurlijk. Al jaren.
We spraken een minuut of tien, toen bereikten we de goede halte en gingen beiden ons weegs. 'Tot binnen een jaar of vijftien,' zeiden we elkaar ten afscheid.
Ik keek tussen de metrosporen, maar zag geen champignons.

woensdag 21 oktober 2009

Hinkelspel



Sommigen leren Grieks om oude Bijbelvertalingen te kunnen ontcijferen in de hoop het Licht te zien, anderen leren Russisch om conversatie te hebben met hun partner, nog anderen leren Spaans uit liefde voor het Zuid-Amerikaanse continent. Mocht u het betwisten, ik hoor alleen in deze laatste groep thuis, hoewel ik ook eens Russisch begonnen ben maar dan om andere redenen.
Toen Ana Belén in de zomer van 1992 terugkeerde naar Venezuela met een goede basiskennis Frans en tien kilo extra lichaamsgewicht, stond het voor mij en mijn zussen vast: we moesten en zouden onze hermana bezoeken, en liefst zo snel mogelijk. De preparaties mochten beginnen. Dat behelsde behalve lessen Spaans en een taalstage in Salamanca (waar ik overigens niet alleen de geneugten van het Spaans mocht ervaren) ook vele uren in het gezelschap van de Latijns-Amerikaanse auteurs. Nu de maaltijden thuis weer normale proporties hadden aangenomen en de badkamerconfidenties waren weggevallen, had ik leestijd à volonté.

De roman waar ik het langst zoet mee was, was Rayuela van de Argentijnse schrijver Julio Cortázar, die overigens in Brussel werd geboren. Voor sommigen heeft Cortázar met Rayuela de grootste grap in de literatuurgeschiedenis geschreven, voor anderen is zijn roman hét literair experiment van de twintigste eeuw. De hoofdpersoon van deze pil van 528 bladzijden is Horacio Oliveira, een Argentijnse intellectueel die na jaren ballingschap in Parijs naar Argentinië terugkeert en daar met een vriend een krankzinnigengesticht opent. Oliveira, begrijpt u, wordt al snel even krankzinnig als de patiënten in zijn tehuis. De grote bijzonderheid van dit boek van 155 hoofdstukken is dat het twee boeken omvat. Het eerste begint bij hoofdstuk 1 en eindigt bij hoofdstuk 56. Het tweede begint bij hoofdstuk 73, gaat dan terug naar 1 en loopt verder in een uitgestippelde volgorde, kriskras, door alle delen heen - het Spaanse woord "rayuela" betekent hinkelspel.
Tussen de hoofdstukken van Rayuela in (vooral het derde deel waar ik mocht kennismaken met de schrijver Morelli en diens metafysische ideeën over het schrijven van romans mocht me bekoren) hinkelde ik me ook door mijn lessen Spaans heen, hoewel Rayuela lezen in de oorspronkelijke versie nog verre toekomstmuziek was en overigens nog steeds is. Dat Spaans is me goed van pas gekomen, niet alleen tijdens de langverhoopte reis naar het land van Ana Belén twee jaar later, maar ook zes jaar daarna toen manlief en ik in een Venezolaanse gevangenis belandden. Maar daarover later meer.

maandag 19 oktober 2009

Viva Márquez!



U weet het misschien nog niet, maar deze week hebben we iets te vieren. Van boeken en mensen celebreert Zuid-Amerika, het continent van het magisch realisme, van Machu Picchu, El Salar de Uyuni, Torres del Paine en het Amazonewoud, van de koffie en de rum, van de grootste telescopen ter wereld. Als dit alles geen feest verdient, dan weet ik het ook niet meer.

In mijn boekenkast flankeert Sándor Márai Gabriel García Márquez. Wil het nu net lukken dat ik behalve met Márai ook verschrikkelijk graag met Márquez in de lift had gezeten. In theorie is dit nog altijd een mogelijkheid, maar ik acht de waarschijnlijkheid klein. Op een mooie dag enkele jaren geleden verscheen in uw kwaliteitskrant een artikel van mijn hand op enkele bladzijden afstand van een interview met Márquez. Het hele weekend was dit een bron van vreugde voor mij, maar ik vrees dat we elkaar nooit dichter zullen naderen.

Ik moet zo'n zestien jaar geweest zijn toen ik Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez in handen kreeg. Dagenlang leefde ik in Macondo, aanhoorde ik de profetieën van Melquiades, was ik kind aan huis bij de Buendía's. Nog meer dan van het feitelijke verhaal was ik in de ban van de sfeer van de roman, waarin het wonderlijke deel uitmaakt van de dagelijkse realiteit. Zo voorziet een grootmoeder dat ze zal sterven "als het ophoudt met regenen" (de regenbui duurt vijf jaar), wordt een kind geboren met een varkensstaart, stijgt een vrouw van vlees en bloed als een engel naar de hemel.
Dat niet al deze wonderbare gebeurtenissen ontspringen aan Márquez' grenzeloze verbeeldingskracht, sterker zelfs, dat zijn magisch-realistische universum écht bestaat, mocht ik in het heuglijke jaar 1994 ondervinden. Maar eerst vertel ik u alles over de Venezolaanse zus die in 1991 in onze familie arriveerde.

vrijdag 16 oktober 2009

Heiligschennis



Toen ik onlangs de koekenrekken in onze lokale supermarkt aandeed, zag ik tussen de Spiderman-, Batman-, Cars-, Barbie-, PetShop - en Pokemonverpakkingen een doos die excelleerde in soberheid. Op het karton stonden geen monsters, dinosaurussen, prinsessen of raceauto's, maar alleen twee bruine koekjes. Ik knielde neer om de verpakking van dichterbij te bekijken. Het kon niet waar zijn... daar, op het onderste schap in de vijfde gang van onze supermarkt, lagen Bastognes! Dat ze nog bestonden!
Toen ik had betaald, parkeerde ik mijn kar tegen een muur van de supermarkthal en peuterde het pak open. Het etensuur was nog veraf, maar Bastognekoeken, hebt u begrepen, kunnen niet wachten. De koek was net zo dik als vroeger en kraakte nog even lekker in de mond. Een intense zorgeloosheid overviel me, daar in de hal van de supermarkt. Samen met de smaak van het koekje kwamen een poedergeur en een melodieuze stem. Ik sloot mijn ogen om het beeld beter te vatten.

Mijn oma! Die koeken stonden in de keukenkast van wijlen mijn oma. Ik was weer tien, op logies in Kessel-Lo. Van de keuken bevond ik me plots in de slaapkamer. De meisjeskamer van mijn moederlief met het bloemenbehang waar ik elke avond tevergeefs een patroon in zocht. Het was veel later dan mijn gewone uur. Mijn hoofdkussen was met broodkruim bezaaid. Terwijl ik keek naar de oranje lichtstrepen die de passerende auto's op het plafond projecteerden, at ik een boterham met bessenjam, van mijn oma gekregen "om goed te kunnen slapen".
Het duurde al bij al een fractie van een seconde. Dan wriemelden de caddies weer, kondigden de luidsprekers opnieuw hun promoties aan.

In zijn romancyclus A la recherche du temps perdu beschrijft Marcel Proust op magistrale wijze hoe de smaak van een madeleinekoekje gesopt in lindebloesemthee lang verloren gewaande jeugdherinneringen ophaalt. Voor de puristen onder jullie, oorspronkelijk was het geen madeleine die de herinneringen opviste, maar een geroosterde boterham. Dit staat beschreven in Prousts schotschrift Contre Sainte-Beuve, dat ook wel beschouwd kan worden als een voorbereiding van A la recherche du temps perdu. Soit. Het is altijd een van mijn lievelingspassages geweest. Dat het mij in een supermarkt moest overkomen. Heiligschennis bijna!

Toen de kinderen thuis waren, haalde ik de Bastognes boven. 'Joehoe! Vieruur-tijd,' riep ik uit de keuken. Met blozende kaken en schitteringen in de ogen kwamen I., E. en N. uit de tuin aangesneld. Ze vielen op de Bastognes aan. 'Ze zijn té lekker,' zei E. 'Mag ik nog een?' vroeg N. 'Ik ook!' riep I. Als jonge honden stoven ze het gras weer op.

Op mijn volgende supermarktbezoek sla ik meteen een voorraad in. Kwestie van I., E. en N. ook een Bastognemoment mee te geven. Dat zal dan smaken naar cipressen, kindergelach en kristallijne hemels. Tenminste, als de koeken nog bestaan binnen vijfentwintig jaar.
Deze doos is alvast op. N. heeft ze gerecupereerd. Voor zijn Pokemonkaarten.

donderdag 15 oktober 2009

Een zin, haar leven

Le voyage, Charles Baudelaire

Is het u overkomen? U bent aan het lezen. U leest een zin. Met bonzend hart kijkt u op van uw papier of scherm. Dan leest u de zin opnieuw, woord voor woord. Ongeloof kruipt nu in uw blik. U herleest de zin nogmaals, al kent u de woorden allang uit het hoofd. U kijkt rond, haalt diep adem. Dan springt u recht, maakt een wilde rondedans, slaakt een kreet, omhelst de eerste de beste, trekt een fles champagne open of gaat op uw handen staan. Want alles is anders, nu.

Toen mijn vriendin A. een dik jaar geleden voor het eerst Le voyage van Charles Baudelaire onder ogen kreeg, overkwam dit haar. Op een voormiddag stond ze voor de deur. Onze kinderen waren net naar school. Onder haar arm hield ze Les fleurs du mal. 'Kom mee naar de woonkamer,' zei ik, 'dan kunnen we zitten.' Ze hoorde me niet. Nerveus bladerde ze tot ze de goede pagina vond. 'Luister,' zei ze. Met een koortsachtige blik las ze me de zes bladzijden van het gedicht voor, rechtopstaand in onze schemerige inkomhal. Naar het einde toe was ze de extase nabij. De laatste regels spuwde ze in mijn gezicht:
Plonger au fond du gouffre, Enfer ou Ciel, qu'importe?
Au fond de l'Inconnu pour trouver du nouveau!

Welke veranderingen deze zin met zich meebracht, vraagt u? Laat ik abstract blijven. Dat is in uw eigen belang, gelooft u me maar. "Il m'est arrivé quelque chose d'incroyable", is ze sindsdien gaan zeggen, aan een steeds oplopende frequentie.


maandag 12 oktober 2009

De Maa-rrr-oi glimlach

Gloed, Sándor Márai

Op de plaats waar ik de afgelopen vier dagen heb doorgebracht, ontmoette ik een dame wiens vrienden een van de grootste schrijvers van de 20ste eeuw hadden gekend. De schrijver met wie ik het liefst eens in de lift had gezeten, zeg maar.
Het was 9 uur ’s morgens. Ik was met mijn Nikon op de hort. Een dame met een grote rode bril glimlachte naar me.
Wou ik een fotootje van haar maken? 'Als souvenirrr,' zei ze.
Dat wou ik. Ik maakte er zelfs vier.
‘Bent u Italiaans?’ vroeg ze. ‘Uw accentje lijkt Italiaans.’
Ze steeg nog een paar graden in mijn achting. ‘Nee, ik kom van België,’ zei ik. ‘Bent u dan Italiaans?’ Afgaand op haar rollende 'r' en extravagante bril leek mij dat een zeer plausibele optie.
‘Hongaars.’
Mijn ogen gingen wijd open. Het was de eerste keer dat ik in Frankrijk iemand met de Hongaarse nationaliteit ontmoette. ‘Kent u Sándor Márai?’ vroeg ik in één ademstoot.
Ze keek me niet-begrijpend aan.
‘Márai,’ zei ik, ‘de schrijver.’
‘Maa-rrr-oi!’ Ze greep mijn armen vast. ‘Chandor Maa-rrr-oi! Natuurlijk! Dé schrijver van de twintigste eeuw! Kijk...’ Ze wees naar haar eigen arm. ‘Ik krijg er kippenvel van.’
‘Gloed!’ riep ik uit. We vielen beiden bijna in zwijm.
Toen we bijgekomen waren, vertelde ze dat Gloed - in het Frans vertaald als Les braises, in het Engels Embers - in het Hongaars de titel draagt “Wanneer de kaarsen opgebrand zijn”. ‘Als het afgelopen is dus.’ Haar groene ogen keken ernstig, dan lachten ze weer. ‘Aangenaam, ik ben Josette.’
Net als Sándor Márai was Josette met de komst van het communisme Hongarije ontvlucht. Terwijl Márai zich na vele omzwervingen in Amerika had gevestigd, belandde zij in Parijs.
‘Ik heb vrienden die hem in San Diego hebben bezocht,’ vertelde ze. ‘Zijn zoon was eerst gestorven, daarna zijn vrouw. Hij liet zich helemaal gaan.’
Josette staarde naar de horizon die op de plaats waar we ons bevonden uitzonderlijk mooi was.
‘Op een dag nam hij zijn pistool en plaatste het tegen zijn slaap,’ ging ze door. ‘Het leven had geen zin meer.’
Voor we afscheid namen, vroeg ik Josette of ik haar met mijn eigen camera ook mocht fotograferen. Dat mocht.
Toen ik afdrukte, hoorde ik haar ‘Maa-rrr-oi’ zeggen.
Het resultaat, vraagt u?
Een heel echte glimlach.
Bestaat er een mooier eerbetoon aan de Hongaarse schrijver?


maandag 5 oktober 2009

Il y a un petit problème.

Les confessions, Jean-Jacques Rousseau

Woensdag, 21u. U volgt Italiaans, u drinkt een glas muskaatwijn in de Vooruit, u zit achterovergezakt in een rode cinemafauteuil. De avond is, met andere woorden, pas begonnen. Hier spreken en schrijven we nacht. In het dorp zijn Bar Les boulistes en Bar du Clos nog open, maar op dit uur zijn er alleen habitués. Zwijgend staren ze in hun demi. In onze impasse, een kilometer van het centrum, is alleen sterlicht te zien. De uil heft zijn lied aan, de boor van monsieur José slaapt allang. De kinderen ook - weliswaar nog niet lang. Er wordt op de voordeur gebonkt. U leest het goed, “gebonkt”, wij doen niet aan voordeurbellen.
‘Daar is iemand,’ zeg ik aan manlief.
‘Welnee,’ antwoordt hij, ‘het is de wind maar.’
Het gebonk klinkt opnieuw, meedogenloos nu.
‘Ga toch maar eens kijken,’ zegt manlief zonder zijn blik los te laten van zijn computerscherm.
Ik draai het slot open. Op de drempel staat mijn vriendin A., verwaaid en met de glimlach. In haar gebruikelijke staat dus.
‘Je zal niet geloven wat er is gebeurd!’ Haar gebruikelijke taal ook.
‘Kom binnen,’ zeg ik, maar ze staat al in de woonkamer.
‘Ik heb een cabanon gevonden,’ zegt ze, ‘tien kilometer hiervandaan, kompleet afgelegen, met veertien hectare grond en een ongelooflijk zicht op de bergen. Mag-ni-fi-que.’ Ze trilt van opwinding. ‘Vanmiddag ben ik vanmorgen bij de bank langs geweest. 178,000 euro. Beetje duur wel, maar… ken je het gevoel? Soms wéét je dat het goed zit.’
Ik knik.
‘Overmorgen teken ik het compromis,’ zegt ze. ‘Ik moet nog enkele dingen regelen. Mag ik telefoneren?’
Ik reik haar de draagbare telefoon aan. Mijn vriendin A. heeft een gsm, maar die gebruikt ze niet. Principekwestie. ‘Wanneer heb je het bezocht?’ vraag ik.
‘Vanmorgen.’ Ze haalt een beduimeld papiertje boven met telefoonnummers en tikt een nummer in. ‘Het enige probleem, als we dat tenminste een probleem mogen noemen, is dat er geen elektriciteit is. En het mag niet bewoond worden. Maar het zicht…’
Sedert mijn vriendin A. Les confessions van Jean-Jacques Rousseau leest, heeft ze een niet te stuiten passie ontwikkeld voor de natuur. Niet alleen voor de natuur trouwens, maar daarover later meer.
‘De bankier begreep me volledig,’ zegt ze met de hoorn tegen haar oor. ‘Ik zei hem dat ik artiste-peintre ben en dat ik me moet kunnen afzonderen om te schilderen. ‘ Haar lach schalt door de woonkamer. ‘Je denkt toch niet dat ik gezegd heb dat ik huisvrouw ben met twee kinderen?’
Zelfs manlief volgt de conversatie nu.
‘De bankier moet niet weten dat ik er ga wonen. Ik zet gewoon een tipi in de tuin. En dan ga ik lezen en schilderen. En als ik ooit mijn zeilboot heb, kan ik hem in de tuin parkeren. Plaats genoeg. Wat vind je?’
Ik knik.
‘Sjjjt…. aan niemand vertellen. Ik mag er niet aan denken dat iemand me voor zou kunnen zijn.’
‘Moet je nog veel regelen?’ vraag ik.
‘Il y a un petit problème.’ Ze maakt een grimas. ‘Je kan je niet voorstellen wat er gebeurd is vorige week in La Rochelle.’ (Ze ging daar een vriend uitzwaaien die met de zeilboot de Atlantische Oceaan zou oversteken.) ‘Mijn paspoort gestolen.’
‘Misschien werkt het met je rijbewijs.’
Met haar oor nog steeds tegen de hoorn aan schudt ze het hoofd. Ook kwijt dus.
De telefoon belandt op de tafel. ‘Niemand thuis,’ zegt ze. ‘Zut alors.’
Ze stapt naar de voordeur. ‘Ik bel morgen uit de bar in het dorp. Dat heb ik vanmiddag ook gedaan.’ Ze glimlacht naar mij en manlief.
‘Pas de problème.’