Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

woensdag 31 maart 2010

Het pak

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

De man die de gele bestelwagen bestuurt heet José Penedo, werkt al zesentwintig jaar bij de sneldienst en heeft de Franse nationaliteit, al suggereert zijn achternaam een Spaanse afkomst. Hij draagt een wollen hemd en een fleece vest, allebei met het logo van het bedrijf op het borstzakje, en zijn meest opvallende fysieke eigenschap is een snor, zo'n moustache met krullende punten. Met grote regelmaat kijkt hij in de achteruitspiegel naar zijn snor, maar het zou even goed kunnen dat zijn blik is gericht op het medaillon onder de spiegel met de foto van zijn vrouw Maria, die nu thuis in de keuken het maal aan het bereiden is dat hij vanavond zal eten, gevulde courgettes met rijst.

Toen José Penedo van huis naar het sorteercentrum vertrok, drie uur geleden, hing de kilte van de nacht nog in de lucht, nu geeft de zon al zoveel warmte dat hij ervan puft. Zijn rechterhand heeft het stuur gelost en hij probeert met die hand zijn jas los te knopen, een moeilijke aangelegenheid, zeker op deze baan, die niet alleen bochtig is maar ook met grote regelmaat deint.
De lezer zal opmerken dat het niet verstandig is een wollen hemd en ook nog een vest te dragen, toch niet in dit klimaat, maar dan kent de lezer onze hoofdpersoon nog niet, wat wij hem of haar onmiddellijk vergeven want veel is hier nog niet over José Penedo gezegd. José Penedo heeft beide kledingstukken gekregen toen hij zijn vijfentwintig jaar arbeid vierde en omdat hij een dankbaar man is, draagt hij ze elke dag. Maria wast het hemd 's avonds en strijkt het 's morgens voor dag en dauw, maar het vest wast ze slechts één keer per week, tenzij de tapenade uit de sandwiches is gedrupt die zij 's morgens ook smeert en er vetvlekken zijn.

José Penedo herkent de straat waar hij moet inslaan aan de grote cilindervormige taxusboom, elke keer lijkt de boom pas gesnoeid, zo gaaf is zijn takkenwand. In het laatste huis van de straat moet hij zijn. Hij kent het adres goed, vaak gaat hij daar pakjes afleveren, platte dozen in lichtbruin karton die altijd van dezelfde afzender komen, hij begrijpt de naam niet, het adres is in België, de Vlaamse kant. Nog nooit heeft hij gezien wat erin zit. Wanneer hij zijn bestelwagen parkeert op het grind, ziet hij dat er een nieuwe boom in de voortuin staat, een jonge mimosa. Meneer en mevrouw hebben hun handen uit de mouwen gestoken, concludeert hij, het zal meneer wel zijn, tenminste als de ondergrond hier even rotsig als bij mij, zo ziet het er wel naar uit, en de vrouw in dit huis lijkt niet fors, maar misschien is dit een illusie.

José Penedo staat nu al bij de voordeur, in één hand heeft hij het pak, in de ander een blad waarop de ontvanger een handtekening moet plaatsen, hij belt niet aan, een bel is er niet, maar gelukkig wel zo'n zware koperen hendel, waarmee hij drie keer tegen de deur slaat.
De deur gaat onmiddellijk open. In deze stille straat horen de bewoners direct wanneer er een auto oprijdt, ze zien het meestal ook want alle auto's moeten langs de westzijde van de tuin passeren en de woonkamer kijkt daar op uit.
Het is de vrouw die opent, ze draagt een jeans en een dunne trui, met daaronder een zwart t-shirt waarop letters staan gedrukt en ze glimlacht. Bonjour, zegt José Penedo, Ik heb een pak, Bonjour, zegt zij, Bedankt voor het pak, Wilt u even tekenen, Natuurlijk, Wat zou erin zitten, denkt hij terwijl zij haar handtekening in het hokje plaatst. De vrouw neemt het pak al van hem over, zijn taak zit erop, Bonne journée, zegt José Penedo, zij zegt hetzelfde terug, hij gaat naar zijn bestelwagen en schikt zich in zijn lot, hij zal nooit weten wat in dat pak zat.

Aan u, beste lezer kan ik het zeggen, het is het nieuwe boek van Elsa Osorio: Uitweg.


Welke auteur pasticheer ik? Het reactieformulier staat open voor uw ideeën.

maandag 29 maart 2010

Voyeur



Palomar is dood.
Ik had hem al enkele avonden niet meer gezien, maar dat baarde me geen zorgen. Hoe gaat dat ook met zo'n gecko? Misschien was hij gewoon naar buiten gegaan om op te warmen in de lentezon.

Nadat ik hier over Palomar schreef, bleef hij door mijn hoofd spoken. In diezelfde periode las ik Razernij van de Argentijnse auteur Sergio Bizzio. Die roman gaat over een man die een huis binnensluipt en daar maandenlang leeft zonder dat de huisbewoners zijn aanwezigheid vermoeden.
Palomar was zo'n beetje onze geheime gast. Soms zat hij op de schoorsteenmantel, maar meestal wisten we niet waar hij uithing.
Op de avond dat ik Razernij las, zat hij op de muur, dat herinner ik me, maar veel aandacht kreeg hij toen niet van mij.

De hoofdpersonen van Razernij zijn José María, een geïmmigreerde bouwvakker in Buenos Aires, en zijn liefje Rosa, een dienstmeisje bij een rijke familie. Elke avond zien ze elkaar in het huis van Rosa's werkgevers, de Blinders. Op een dag krijgt José María ruzie met zijn opzichter en vermoordt hij hem. 's Avonds zegt hij er niets over aan Rosa. Hij doet alsof hij na het afspraakje naar huis gaat, maar hij keert op zijn passen terug en verstopt zich op een leegstaande verdieping bij de Blinders.
José María doktert een taktiek uit om te overleven. Aan de nachtelijke strooptochten naar de keuken went hij snel. Het wordt pas moeilijk als hij merkt dat Rosa aangerand wordt door de heer des huizes en een relatie begint met de gehate buurman.

Sergio Bizzio is ook scenarioschrijver. In Razernij hanteert hij een zeer filmische stijl. De lezer wordt een voyeur: ik waande me zelf in het grote herenhuis, meekijkend over de schouders van José María, die - geruisloos en soepel als een kat - naakt door de trappenkamers en gangen loopt, en zodra er dichtbij een onverwacht geluid weerklinkt, huiverde ik met José María mee.
Het werd laat die avond, onder het oog van Palomar.

Ik vond hem vorige week. Hij lag op de schouw, tussen de muur en een luciferdoosje. Eerst dacht ik dat hij daar gewoon zat; ik had hem al een keer op die plaats gezien. Ik nam de lucifers voorzichtig weg. Palomar bewoog niet; hij maakte zelfs geen schrikogen. Ik zette een stap achteruit. Dan, in het volle licht, zag ik het: hij was plat als een papiertje.

We hebben hem vanmiddag in de tuin gelegd, op de stapel snoeiafval. Volgend weekend krijgt Palomar een lentevuur.


vrijdag 26 maart 2010

Vergankelijkheid



Ik zit op een bank in de kloostertuin van dit eiland.
‘Je fotografeert?’ vraagt broeder P.
Ik knik. Het is moeilijk om mijn fototas aan het zicht te onttrekken. Hij heeft de grootte van een sporttas.
'Analoog of digitaal?'
'Digitaal,' zeg ik, 'pas sedert anderhalf jaar.'
'Ik droom van zo'n compact cameraatje,' zegt hij. 'Maar vader abt is niet akkoord. Hij denkt dat ik met zo'n camera altijd op zoek zal gaan naar foto's, zelfs tijdens de gebedsdiensten.'

Ik knik opnieuw. Fotograferen kan ook verslavend zijn. Maar misschien heeft vader abt nog een reden. Hier straalt alles eeuwigheid af. En fotografie? Niets beeldt beter vergankelijkheid uit.
De Franse auteur Laurent Graff heeft het daarover in zijn roman Je laatste foto. Alain Neigel, het hoofdpersonage, heeft al twintig jaar niet meer gefotografeerd. Zijn laatste foto was die van zijn geliefde, M., net voor ze stierf. Sedertdien weigert hij om foto's te maken en om er zelf op te staan. Tot hij een vrouw leert kennen die hem aanspoort opnieuw te fotograferen. Samen gaan ze op citytrip naar Rome.
Bij de Trevifontein wordt Alain Neigel aangesproken door een geheimzinnige man die hem zegt dat hij maar één foto meer mag maken. De woorden blijven door zijn hoofd spoken. Hij beslist langer in Rome te blijven en de man op te zoeken. Het is het begin van een fantastische reis door een wereld die losstaat van tijd en ruimte, waarin Alain Neigel samen met een ex-fotomodel, een Japanse karpervisser en een vrouwengek op jacht gaat naar de ultieme foto.
De roman van Laurent Graff duurt maar 117 bladzijden, maar blijft hangen.

Tegen broeder P. zwijg ik hierover. In de rekken van de kloosterbibliotheek staan alleen testamenten en heiligenlevens. Misschien is vader abt ook niet akkoord met romans. En monniken moet je niet in de verleiding brengen.
Broeder P. kijkt op van zijn overpeinzingen. 'Kan jij een mooie foto van een olijfboom voor me maken?'
'Waarvoor dan?' Ik bijt onmiddellijk op mijn lip. Nieuwsgierigheid is een ondeugd volgens de monniken.
'Heb ik je al verteld over mijn atelier?' vraagt hij. 'Nee? Er is ook nog zoveel te vertellen.’ Zijn luide lach golft over de bloemenperken.
‘Hout bewerken is mijn hobby. Ik maak kruisjes in olijfhout. Om de muren van mijn werkplaats op te vrolijken dacht ik aan een foto van een olijfboom. Die zou ik dan op posterformaat laten afdrukken.’
‘Natuurlijk,’ zeg ik. 'Morgen?'
Broeder P. glimlacht. 'Dank je. Doe maar wanneer het voor je past. Er is geen haast bij.'

Hij draait zich om en zweeft de kloostertuin uit. Zijn knieval is zo soepel dat ik meteen twijfel of ik het wel goed heb gezien.