Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)
Posts tonen met het label Marijke Arijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marijke Arijs. Alle posts tonen

woensdag 18 december 2013

De Top Drie (10) van ...


Marijke Arijs (1961) is literair vertaalster en recenseert Franse en Spaanse literatuur voor de boekenbijlage van De Standaard. Ze vertaalde onder meer werk van Amélie Nothomb, Charles-Joseph de Ligne, Olivier Rolin, Françoise Sagan, Eric-Emmanuel Schmitt en Nancy Huston. In 2010 werd ze bekroond met de Prix de la traduction littéraire de la communauté française. Ze was jurylid voor de Academica Debutantenprijs van 1998 tot 2011, voor de Prijs der Nederlandse Letteren in 2007 en voor de Libris Literatuur Prijs in 2011. Begin 2014 verschijnen twee vertalingen van haar hand: Salome van Colombe Schneck (Cossee) en De godin van de kleine overwinningen van Yannick Grannec (De Arbeiderspers), een roman over het leven van de wiskundige Kurt Gödel.

Nr 1.
Eigenlijk schrijft Patrick Modiano al vijfenveertig jaar lang hetzelfde boek, maar met Het gras van de nacht heeft de auteur zichzelf overtroffen. Zijn zevenentwintigste roman is een erg geslaagde, beklemmende episode in zijn eindeloze reis naar de verloren tijd. De verteller, een zekere Jean, zwalkt door de Parijse wijk Montparnasse, op zoek naar een geheimzinnige vrouw die veertig jaar geleden in rook is opgegaan. Ze luistert naar de naam Dannie R., verandert geregeld van identiteit en adres en heeft iets onduidelijks op haar kerfstok. De personages zwelgen in melancholie en frequenteren luizige hotelletjes en louche drankgelegenheden. Hoe scherp er ook wordt ingezoomd, het decor blijft altijd wazig. De grens tussen heden en verleden, droom en werkelijkheid valt moeilijk te trekken. Het gras van de nacht is een verhaal in clair-obscur, in de suggestieve, dromerige stijl die we van Modiano gewend zijn.


Patrick Modiano. Het gras van de nacht. Querido, 164 p.

Nr 2.
In Spanje publiceerde Jesús Carrasco, een voormalige reclamejongen, een interessante, bijzonder rauwe en apocalyptische debuutroman. De vlucht gaat over een kleine jongen die van huis is weggelopen en in zijn eentje probeert te overleven in een onherbergzaam, dor landschap, tot een oude geitenhoeder zich over hem ontfermt. Deze merkwaardige vertelling gaat over wreedheid en willekeur, waardigheid en solidariteit, en roept een benauwende sfeer op. Het boek heeft iets van een allegorie, een roadnovel en een western ineen, en is geschreven in een bijzonder poëtische stijl.


Jesús Carrasco. De vlucht. Meulenhoff, 207 p.

Nr 3.
Sombre dimanche (Albin Michel) is een melancholische, sfeervolle en sympathieke roman van een veelbelovende jonge schrijfster, Alice Zeniter (1986). De titel verwijst naar het beroemde zelfmoordlied van Rezső Seress, dat legendarisch is geworden in een versie van Billie Holiday onder de titel 'Gloomy Sunday'. Het boek vertelt de geschiedenis van drie generaties van een Hongaarse familie. Het lot van dit pittoreske zootje ongeregeld is verweven met de 20ste-eeuwse geschiedenis van Hongarije. Welke vloek rust er op de familie? Waarom verdwijnen alle vrouwen en raken alle mannen aan de drank? De familiegeheimen worden stukje bij beetje ontraadseld. Het geheel is gekruid met een vleug couleur locale, veel subtiele humor en, last but not least, ontluisterende bespiegelingen over de Hongaarse volksaard, over nationalisme en xenofobie in dit racistische, homofobe en antisemitische land dat vrolijk met de Duitsers heeft gecollaboreerd. Het boek werd bekroond met de Prix du Livre Inter, de Prix de la Closerie des Lilas en de prijs van de lezers van L’Express. De Nederlandse vertaling verschijnt in de loop van 2014 bij De Arbeiderspers. Bij voorkeur te savoureren met het Hongaarse zelfmoordlied op de achtergrond.


Alice Zeniter. Sombre dimanche. Albin Michel, 283 p.

woensdag 26 december 2012

De Top Drie (10) van


Marijke Arijs (1961) is literair vertaalster en criticus. Sinds 1992 recenseert ze Spaanse en Franse literatuur voor De Standaard. Ze vertaalde onder meer werk van Amélie Nothomb, Charles-Joseph de Ligne, Olivier Rolin en Françoise Sagan. In 2010 werd ze bekroond met de Prix de la traduction littéraire de la Communauté française. Ze was jurylid voor de Academica Debutantenpijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en de Libris Literatuurprijs.

Nr 1.

Eind 2011 verscheen De elf van Pierre Michon in vertaling. Een uitstekend excuus om het magnum opus van deze woordkunstenaar nog eens ter hand te nemen. Zijn debuutroman is inmiddels uitgegroeid tot een cultboek, een klassieker, een tijdeloos meesterwerk. In Vies minuscules (1984), oftewel Roemloze levens (vertaald door Rokus Hofstede, Van Oorschot, 2001), schetst de schrijver de portretten van acht eenvoudige dorpelingen uit zijn geboortestreek. Hun levensloop wordt te boek gesteld in een exuberante, onwaarschijnlijk rijke taal, zodat ongeletterde keuterboertjes, drankzuchtige geestelijken en dorpsgekken worden omgetoverd tot ware heiligen, martelaren en helden. Zo krijgen hun banale levens zin, en dat van Michon in één moeite door. De breed uitwaaierende zinnen, het verrassende woordgebruik, het bezwerende ritme en de lyrische, uitbundige toon zijn adembenemend mooi. Dit is stevige, poëtische kost van de bovenste plank. Aanbevolen lectuur voor verstokte romantici en literaire fijnproevers.

Nr 2.

Wie dacht dat Chilenen alleen turven à la 2666 van Roberto Bolaño produceerden, kent Alejandro Zambra nog niet. Zijn debuut, Bonsai, telt nog geen negentig bladzijden en zijn derde roman is niet veel omvangrijker. Manieren om naar huis terug te keren (vertaald door Luc de Rooy, Karaat) gaat over zijn eigen generatie, die opgroeide in het Chili van Augusto Pinochet. Dit is niet het verhaal van de moordenaars en ook niet dat van de slachtoffers, maar dat van een jongetje uit een doodgewoon middenklassegezin dat zich niet met politiek bemoeide. Het is de eerste keer dat de geschiedenis op deze manier wordt verteld. Zambra heeft stevig uit de metaliteraire trukendoos geput, maar met postmoderne flauwekul heeft dat gelukkig niets te maken. De auteur wilde alleen de autoriteit van de verteller in vraag stellen: ‘De vraag is wiens verhaal dit is, van de ouders of van de kinderen. Wie heeft het recht om het te vertellen?’ In dit trefzekere, uitgepuurde proza wordt een intens weemoedige sfeer opgeroepen.

Nr 3.

Met stip het meest verrassende debuut van het voorbije jaar: La déesse des petites victoires van Yannick Grannec (Anne Carrière). In deze lijvige roman vertelt Adèle Gödel honderduit over haar ongelukkige huwelijksleven met de beroemde wiskundige. Kurt Gödel was er eentje met een gebruiksaanwijzing. De man had depressieve neigingen en psychotische trekjes en is uiteindelijk knettergek aan zijn eind gekomen. In één moeite door vertelt de schrijfster het verhaal van de genieën die ten tijde van het nazisme uit Mitteleuropa naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd en in Princeton zijn neergestreken. Onder hen waren de vaders van de atoombom en pioniers van het informaticatijdperk. Gödel, Turing, Von Neumann, Pauli, Einstein en Oppenheimer, maar ook Hermann Broch en Thomas Mann zijn van de partij. De personages voeren geleerde gesprekken over wiskunde, filosofie en psychoanalyse. De onvolledigheidsstellingen van Gödel, het uitsluitingsprincipe van Pauli, de continuümhypothese van Georg Cantor en de Daseinsanalyse van Binswanger worden zo uitgelegd dat iedereen ze kan behappen, en de schrijfster vergeet ook de huishoudelijke beslommeringen, de Apfelstrudel en de Sachtertorte niet. Er is, kortom, voor elk wat wils. De vertaling verschijnt in de loop van het jaar bij De Arbeiderspers.