Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 26 februari 2010

Het weten (Anita Terpstra)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl


Mijn eerste vriendje wilde graag dat ik zachte windjes tegen zijn hand liet wanneer we lepeltje-lepeltje in bed lagen. Ik voelde me op die momenten beslist ongemakkelijk, maar omdat hij er zo overduidelijk plezier aan beleefde, deed ik wat hij van me verlangde. Ik kaartte het dilemma aan bij een vriendinnetje. Doe het niet, als je het niet wilt, zei ze pragmatisch. Wees gewoon jezelf, zei ze ook nog. Jezelf zijn. Ik weet niet hoe zoiets moet. Dat is voor mij net zo onmogelijk als de kleur paars voelen of ruiken. Dat kan ik ook niet.

Als kind kon ik heel goed tekenen, of tenminste, ik kon getekende portretten heel goed namaken. Zelf portretten maken, een hoofd verzinnen, of een portret van een foto maken lukte mij niet. Alleen imiteren. Mijn moeder prees mijn talent, maar ik voelde me een bedriegster. Het was namaak! Nep! Het kwam niet voort uit mijn creativiteit.

Ik ben een spiegel. Dat is mijn overlevingstactiek. Wanneer ik in gezelschap van anderen verkeer, spiegel ik hun gedrag. Zijn zij hard in hun oordeel, dan ben ik dat ook. Drukken zij zich vol mededogen uit, dan doe ik hetzelfde. Je moet jezelf zijn, anders verlies je jezelf. Dat zeggen de damesbladen. Ik heb mezelf nooit gekend, dus dan kan ik mezelf ook niet verliezen.

Misschien dat ik daarom zo gruwelijk, zieltogend verliefd werd op S. Onder zijn kritische, harde blik voelde ik al mijn eigenschappen vervagen. Verschrompelen. Ik kon ze door zijn ogen zien. Als een diamantzoeker op zoek naar die ene, perfecte diamant bestudeerde ik ze. Te licht, te zwaar, te hoekig, te rond! Misschien als ik hier nog een beetje schaafde, en daar. Hij werd mijn zon. Wanneer die op de ramen scheen of op de planken aan de muur, zag je pas hoe stoffig en vies ze waren. Zo was het ook met S. Pas als zijn blik op mij viel, dan zag ik de dingen die niet aan mij klopten.

Mijn ouders is een groot onrecht aangedaan. Door de nazi’s. Wat heeft het een met het ander te maken, zul je denken, maar volgens mijn psycholoog heel veel. Of alles, eigenlijk. Omdat mijn volk volgens de nazi’s geen bestaansrecht had, een inferieur ras was, en uitgeroeid diende te worden, heb ik ook geen bestaansrecht. Volgens mijn psycholoog werken trauma’s van de eerste generatie door in de volgende generaties. Mijn ouders werden ontworteld, en dus had ik ook geen wortels.


Anita Terpstra (1974) debuteerde in november 2009 met de literaire thriller Nachtvlucht, verschenen bij Cargo.


Welke auteur imiteert Anita? U kan uw vermoedens nalaten op het reactieformulier.

donderdag 25 februari 2010

Het syndroom van Korsakov (Emily Gordts)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl


Op het terras van een trattoria besloot een oudere heer met haren gelijk mijn hospita van in de Oorlog – te kort, te grijs, te springerig – een gesprek met me aan te knopen. Daar schrok ik enigszins van. Het zit zo: hij sprak mij aan in het Nederlands, en we bevonden ons toch echt in Siena.
Nu ben ik zo’n verwende Wim die stiekem meent dat de hele wereld om hém draait, maar toch: hoe kon de oudere heer raden welke taal ik bij voorkeur hanteerde? Ik droeg geen petje met Nederlandse driekleur, en mijn kinderen had ik wijselijk thuis gelaten. Die willen immers nog wel eens gillen als pasgeboren biggetjes, in een Amsterdams zo schel dat het ieders oren pijnigt.
‘Bent u eigenlijk met de automobiel gekomen?’ vroeg de oudere heer, en hij plantte zijn grote handen op het blad van mijn tafeltje, dat vervaarlijk schudde.
‘Nee,’ zei ik spoedig, ‘met het vliegtuig.’
Zijn hoofd zweefde nu boven mijn bord; ik vreesde voor zijn grijze baard. Die leek niet goed vast te zitten. Als de baard losliet, zou hij pardoes in mijn panzanella donderen. Dat baarde me enige zorgen – panzanella is mijn favoriete gerecht, maar op baardhaar zijn mijn papillen minder gesteld.
‘Het vliegtuig,’ bromde de oudere heer. Vervolgens achtte hij zichzelf zo vrij om een rieten stoel weg te plukken en zichzelf aan mijn zijde te installeren.
Herkend worden heeft zo z’n nadelen.
De oudere heer was stilgevallen en tuurde bevredigd over de Piazza del Campo. Ofschoon ik hem nog nooit had ontmoet, gaf deze man me het gevoel dat hij een goede vriend was en ik zijn naam en bestaan simpelweg was vergeten. Hoe durfde ik? Schuldig peinsde ik over een passende reactie.
‘Het vliegtuig,’ zei ik uiteindelijk gelaten. ‘Met de automobiel gaat het me te langzaam. Ik ben hier slechts voor enkele dagen.’
‘Wat mankeert er dan?’ vroeg de oudere heer, en keek me indringend aan, alsof hij me op een fout had betrapt.
‘Niets,’ zei ik. ‘Overmorgen ga ik weer naar huis.’
‘Overmorgen?’ riep de oudere heer. ‘U vertelde me gisteren dat u een maand lang blijven zou.’
‘O,’ zei ik.
De oudere heer keek me afwachtend aan, maar ik was uitgepraat. Mocht ik nou aan mijn panzanella beginnen? Aarzelend nam ik mijn vork op.
‘Beteken ik dan helemaal níets voor u?’
‘Hoor es,’ zei ik zacht, en ik legde mijn vork weer neer. ‘Ik denk dat u m–’
‘Weet u, u bent gewoon zoals zij.’
Dat was het toppunt! Eerst nam hij me voor iemand anders en nu maakte hij mij uit voor nóg een ander. Ik kuchte verontwaardigd, maar daar ik een nogal aarzelend type ben, kwam het er ietwat terminaal uit.
Stoïcijns richtte de oudere heer zijn blik weer op het schelpvormige plein, waar twee bloempjes met elkaar aan het dansen waren.
‘Jullie zijn toch allemaal hetzelfde,’ zei de oudere heer. De verbolgenheid was verdwenen; hij klonk nu slechts verdrietig.
‘Over wie hebt u het dan precies?’ vroeg de schrijver in mij.
‘Over mijn gezin natuurlijk!’
‘Ah,’ zei ik, ‘natuurlijk.’ En toen, na enig nadenken: ‘U ziet uw gezin niet vaak?’
‘Nooit! Dat weet u toch. Bent u uw geheugen misschien kwijt?’
‘Jazeker,’ zei ik haastig, op de manier van een Olympisch wielrenner die de eindstreep in zicht ziet komen. ‘Heb ik u dat niet verteld? Mijn vrouw drukt me altijd op het hart dat ik dat meteen moet zeggen, en kijk, ze heeft weer eens gelijk.’
De oudere heer ontspande; het riet van zijn stoel kraakte droog. ‘Vrouwen hebben altijd gelijk. Ik had naar mijn vrouw moeten luisteren, destijds.’
‘Vreemde wezens,’ erkende ik. ‘Maar goed, mijn vrouw vindt dat iedereen dient te weten dat ik aan het syndroom van Korsakov lijd. Anders is het niet eerlijk, zegt zij. Voor de medemens.’
‘Het syndroom van Korsakov?’ De oudere heer krabde in zijn baard. Ik hoopte dat dat betekende dat hij me geloofde, maar omdat het ook louter jeuk kon betekenen, schoof ik mijn bord panzanella dichter naar me toe. Voor de zekerheid.
‘Mijn korte-termijngeheugen is niet wat het zou moeten zijn,’ zuchtte ik romantisch.
Bijzonder tevreden met deze vondst begon ik te eten. Enkele minuten later stond de oudere heer kwiek op. Ik at rap mijn mond leeg en vroeg beleefd of hij nou alweer ging.
‘Jazeker,’ antwoordde hij. ‘Ik laat u rustig eten. Gisteren, toen ik thuis kwam, bedacht ik dat ik u niet had moeten belasten met mijn treurige verhaal. En kijk, Vrouwe Fortuna heeft mij gehoord.’
Ik knikte verdrietig en wuifde hem vaarwel. Hij sjokte weg.
‘Het syndroom van Korsakov,’ hoorde ik hem nog mompelen. ‘Tragisch, tragisch.’


Emily Gordts (1981) debuteert op 25 maart bij Thomas Rap met de roman Arty-farty.


Welke auteur imiteert Emily? Gis, gok en speculeer op onderstaand reactieformulier!

woensdag 24 februari 2010

Mo (Willemijn Dicke)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl


Ik hield van Pendrecht, van de leegstaande huizen die met roestige spijkers en spaanplaten waren dichtgetimmerd, het fleurige onkruid tussen de stoeptegels, van de omgebogen verkeersborden. Mijn jeugdvriend was Mo, een watervlugge Marokkaanse jongen, die met de zekerheid van een professional kleine diefstallen pleegde in de winkels van de binnenstad. We rookten wiet, hingen rond, en crosten op onze opgevoerde scooters.
Mijn herhaald en langdurig spijbelen, waar de conrector van de school tenslotte zijn beklag over deed, bracht mijn moeder op het denkbeeld van de medeschuldige. Zij verbood ieder contact met Mo. Ik kreeg huisarrest.

Ik was vol bitterheid en wrok over de onrechtvaardigheid van deze handelwijze en ik bleef zoveel mogelijk uit de buurt van mijn moeder. Op de derde dag van mijn huisarrrest sprong ik uit het raam van mijn slaapkamer en bezocht Mo op de hangplek. Door zijn toedoen kwamen wij - voor het eerst in ons leven- in een pornobioscoop terecht. Nadien bezochten we de coffeeshop. Nog maar halverwege onze eerste joint klonken zware voetstappen in de steeg. De grote gestalte van de conrector verscheen in de deuropening. Hij noodde me in zijn kleine kale kantoor. Ik klom op een stoel tegenover hem. Zo verging er een tijd, zonder dat wij een van beiden een woord spraken. De conrector bezat in hoge mate de tact om afwachtend te kunnen zwijgen. Tenslotte kwam ik voor de dag met het probleem dat me kwelde: ik miste de omgang met mijn vriend.

Hoe kon ik hem uitleggen wie Mo was? Mo was mijn vriend, het enige levende wezen in mijn omgeving met wie ik iedere fase in mijn bestaan, iedere gedachte, ieder gewaarwording gedeeld had. En dat niet alleen. Mo was meer. Mo betekende, hoewel ik dat toen niet onder woorden kon brengen, het leven in Pendrecht, het spijbelen van school, het blowen op de hangplek, het sleutelen aan scooters, het experimenteren met soft en harddrugs: het abc van mijn kinderleven.

Willemijn Dicke (1970) is een van de meestgelezen bloggers in Nederland. Ze werkt als onderzoeker aan de TU Delft en debuteerde in april 2009 met de roman Mea, een zedenschets van het moderne academische leven.

Welke auteur bootst Willemijn na? Het reactieformulier staat open voor uw ideeën.