Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 30 november 2012

De vorkmethode


Het was zondagavond, zeven uur, en in Cafè de l’Òpera waren maar enkele tafeltjes bezet, wat me goed uitkwam want mijn gezelschap verdroeg geen mensen of toch maar weinig mensen en dan uitsluitend zwijgzame mensen. Ik had het adres op goed geluk gekozen. Het historisch kader en de Art Deco gravures van operadiva’s in de spiegels uit de beschrijving van mijn reisgids spraken me aan, het café lag niet ver van mijn hotel en ik wilde geen restaurant. In een tapasbar had ik wel zin, in een tapasbar heb ik altijd zin, maar de drukte was onverenigbaar met mijn gezelschap. 

Ik nam een tafeltje dat geïsoleerd stond, ver van de deur, en bestelde patatas bravas met ensalata de primavera en een glas wijn. Enkele minuten later stond het eten voor me, op twee kleine bordjes. Omdat ik als bestek alleen een vork kreeg, stelde ik me de vraag of zonder mes eten een Spaanse gewoonte was of een specifieke gewoonte van Cafè de l’Òpera, misschien zelfs een gewoonte die Cafè de l’Òpera alleen handhaafde bij de gerechten patatas bravas en ensalata de primavera want een etablissement dat al 83 jaar bestaat kan gerust soortgelijke gewoontes hebben ontwikkeld.

Toen ik begon te eten met alleen die vork, moest ik nog een mogelijkheid onder ogen zien. Het kon, het was zelfs goed voor te stellen, dat de ober mijn gezelschap had opgemerkt en daar rekening mee had gehouden en me daarom vrijwillig geen mes had aangeboden. Een mes was onverenigbaar met mijn gezelschap, tenzij ik mijn gezelschap zou bruuskeren, maar dan zou ik mezelf in een oncomfortabele positie brengen. De ober had een zekere leeftijd bereikt. Zijn snelheid, discretie en spaarzame gebaren getuigden van ervaring. Deze man, besloot ik, heeft meer inzicht in de klant dan de klant zelf. De voorkomendheid van het personeel nam me nog meer in voor Cafè de l’Òpera. 

Tijdens de maaltijd ging het uitstekend. De aardappelblokjes waren pikant, de salade goed op smaak gebracht, maar wat ik belangrijker vond was de doeltreffendheid van de vorkmethode. Ik kon mijn aandacht volledig toespitsen op mijn gezelschap. Ik kende zijn buitenkant al, een buitenkant zoals ik graag heb, zonder franje, maar elegant in zijn eenvoud. Zijn binnenkant was een mysterie voor me. Terwijl ik mijn twee kleine borden leeg prikte, leerde ik die minstens voor de helft kennen. Dat lijkt rap, maar ik ging niet overhaast te werk, verre van. Mijn gezelschap had iets luchtigs, iets dat nieuwsgierigheid opwekte en aanzette tot een snelle kennismaking. 

Toen ik ondanks extensieve vorkbewegingen alleen nog een vervelend gekras van metaal op porselein constateerde, legde ik met tegenzin mijn gezelschap naast mijn bord, met het kasticket op de plaats waar ik was gebleven. De tafels rond me bleken bezet. Ik bestelde churros con chocolate en keek voor me, naar een man in pak en een vrouw met los haar tot haar middel die bier dronken. Aan de buurtafel waren een man en een vrouw met een jong meisje, hun dochter, dacht ik, een uitgebreid menu tot zich aan het nemen, vrouw en dochter praatten geanimeerd terwijl de man, die er uitzag als een Spanjaard uit het begin van de vorige eeuw kompleet met achterover gekamd haar en zwarte, getrimde snor, zwijgend voor zich uitkeek. Er was ook een man die bier dronk en probeerde grappig te doen tegen de meisjes aan zijn buurtafel die zijn kleindochters konden zijn, en een krom oud dametje dat alleen was en zonder haar jas uit te doen een espresso dronk, en een vrouw met een hoog kapsel die me deed denken aan een actrice van de jaren vijftig, al lag dat waarschijnlijk vooral aan de manieren van de man die haar vergezelde, en toen de ober de churros bracht, kwam een nieuw stel binnen, hij kaalgeschoren en van kop tot teen in het zwart, zij in mantelpak, alle twee gehaast, ze namen de tafel naast me, bestelden espresso en begonnen snel te fluisteren, helaas te stil om te begrijpen. 

Om half negen keerde de rust terug in Cafè de l’Òpera. Toen ging ik verder met mijn vlotte, nogal spannende, eerder treurige en in het algemeen bizarre en daarom ook bijzondere gezelschap, ik laat het u zelf ontdekken maar als u dat in een eetcafé doet, wat ik kan aanraden, neemt u dan wel de vorkmethode in acht, Rester sage van Arnaud Dudek.  

Rester sage, Alma, 118 p.

 

vrijdag 23 november 2012

Fantasie


Ik had geen idee van de plek waar ik zou overnachten, maar ik wist wat ik wilde en terwijl ik het beeld in mijn fantasie aanvulde met kleine maar belangrijke bijzonderheden, liep ik met mijn koffer van Plaza de Catalunya over de rambla, zigzaggend tussen flanerende Spaanse gezinnen en toeristen met shirtjes van FC Barcelona, voorbij Gran Teatre del Liceu tot het kruispunt met het buitenmaatse monument voor Christoffel Colombus en verder langs de Passeig de Colomb tot in Barceloneta, een wijk van hoge rijhuizen met gekleurde luiken en zichten op zee. De middag was gevorderd en het begon te regenen. Om de paar huizen passeerde ik een paellarestaurant of een tapasbar waar een kelner me met vriendelijke bewoordingen probeerde binnen te lokken. Ik weerstond. Hoewel het Spaanse en zelfs het Franse etensuur nog veraf was voelde ik al iets dat op honger leek. Ik kon er alleen uit concluderen dat ik me na drie dagen Barcelona reeds de gewoonte had eigen gemaakt om op elk tijdstip van de dag te eten.

Ik haastte me over de gladde plavuizen, tuurde in zijstraten en probeerde de uithangborden op verre façades te ontcijferen. De enige zaken die ik zag waren eetgelegenheden en winkeltjes, en na een tijd verdwenen ook deze. Intussen regende het hard. Op de dijk was niemand meer te bekennen. Ik sloeg op goed geluk een straat in en via een soort park kwam ik terecht in een huizenblok. De lege straten hadden iets lugubers en ik was opgelucht toen in de verte enkele mensen de hoek om kwamen. Ze schreeuwden iets naar me. Ik besefte plots hoe overduidelijk verdwaald ik oogde in deze wijk waar nauwelijks bewoners van andere stadsbuurten kwamen, laat staan buitenlanders, en rap en zonder omkijken liep ik naar het eind van de straat, die bleek uit te geven op de kustpromenade die ik een halfuur geleden had afgestruind.

Ik keerde Barceloneta en de zee de rug toe en liep de labyrintische straten van de binnenstad in. Na vijfhonderd meter kwam ik bij een hotel. Het oogde keurig en in de lobby zag ik Engelse en Aziatische toeristen, wat ook al niet strookte met het logies van mijn fantasie. De enige vrije kamer bleek niet alleen piepklein, maar keek ook uit op een blinde muur en beschikte niet eens over een tafel.
De volgende optie, een halfuur dwalen later, was een pension op een etage, met een receptionist die even groezelig was als de gang waarin hij zat te roken. Opgelucht aanhoorde ik dat alle kamers bezet waren.
Het was donker toen ik doorweekt en met zere voeten op een plein kwam met een hotel waar één overnachting evenveel kostte als mijn hele reisbudget. Terwijl ik me afvroeg of het een voorteken was, of ik deze pijnlijke investering wel moest maken omdat het iets groots zou opleveren en rond me keek alsof ik hoopte op een antwoord van de straatlantaarns, zag ik in een zijstraat een flauw schijnsel. Het bleek afkomstig van een hotelletje.

Achter de onthaalbalie zat een deftig geklede oude man die me deed denken aan José Saramago. Terwijl hij me een kamer toewees op de vierde etage en zich verontschuldigde omdat de lift niet functioneerde, stelde ik me voor dat hij tussen twee klanten in de notitieblok nam die hij op zijn knieën verborgen hield en verder schreef aan een lange, elegante, klaterende zin, een zin zoals uit Het schijnbestaan, de eerste roman die ik van José Saramago heb gelezen, over de pottenbakker Cipriano Algor en zijn hond Gevonden, Cipriano Algor die vierenzestig is en een klein atelier drijft en keramiek levert aan een kolossaal winkelcentrum en te horen krijgt dat zijn stukken niet meer verkopen, hoe het verder gaat weet ik niet precies, meer dan het verhaal herinner ik me de wondermooie stijl die volstrekt uniek is, al dient die velen, ja soms ook mij, tot voorbeeld, en de verteller die me verbaasde en aan het lachen bracht en me bijna dronken voerde met de eindeloze mogelijkheden van het fictieschrijven, en nadat ik de sleutel van kamer 401 had aangenomen, met een glimlach voor de receptionist, en de met mozaïeken bezette traphal had betreden, bleef ik even staan om te luisteren of ik een pen hoorde krassen.

Mijn kamer keek uit over de daken en er was een tafel waar ik nu aan zit, waar ik dit hier schrijf.  

Het schijnbestaan, Meulenhoff, 350 p.

vrijdag 16 november 2012

Lorkenhout


Vorige week hebben mijn vader en ik – voornamelijk mijn vader– nieuwe luiken gemaakt. De bestaande doen al dertig jaar dienst. We hebben de oude hengsels en sloten hergebruikt, wat de klus niet vergemakkelijkte. Die luiken hebben namelijk twee sluitingsmechanismes. Beveiliging was een obsessie voor de vorige eigenaars.

 Monsieur en madame R., die vijfentwintig jaar in dit huis hebben gewoond, waren professionele muzikanten. Zij was zijn leerlinge geweest aan het conservatorium. Ze hadden een uitgebreide verzameling muziekinstrumenten waaronder twee cello’s van de hand van Giovanni Battista Guadagnini, een collega van Stradivarius. Eén Guadagnini verkochten ze toen ze hier kwamen wonen. De som die ze ervoor kregen ken ik niet, maar madame R. heeft me verteld dat de helft volstond om het huis te kopen. Van de andere helft is het leeuwendeel waarschijnlijk opgegaan aan tralies, geblindeerde deuren, ijzeren staven in de luiken. Ze hadden geen kinderen en leefden voor hun muziek. Het enige wat ze onderhielden waren de hagen die een meter dik waren en bijna even hoog als het huis. Vanaf de eerste keer dat ik madame R. zag, toen mijn man en ik met een vastgoedagente het huis bezochten, wekte ze mijn nieuwsgierigheid. Monsieur R. was net overleden. Hij was, zo zegt men, een virtuoze cellist. Op buitengewoon warme dagen hadden de buren hem soms horen spelen, maar in vijfentwintig jaar tijd hadden ze hem slechts één keer gesproken. Madame R., die tweeënzestig was en er met haar nog gitzwarte lokken een stuk jonger uitzag, ging naar Nice verhuizen waar ze een etage van een villa had gekocht. Het eigendom stond pas te koop en er waren nog geen bezoekers geweest. Ze bekeek mij en mijn man alsof we exotische dieren waren. Toen de vastgoedagente een telefoon kreeg en zich terugtrok, begonnen zij en ik te praten, en dat ging ook zo de volgende keren.

Madame R. had een franke manier van doen waar ik zelf bepaald vrijmoedig van werd. We maakte geen woorden vuil aan weerpraatjes of praktische zaken, maar stootten door naar de essentie. Ik vroeg alles wat bij me opkwam. Het was in zekere zin alsof ik wist dat mijn minuten met haar geteld waren, alsof ik aanvoelde dat ik haar na de aankoop van het huis niet meer zou zien. Op elke vraag kreeg ik een antwoord dat me verbaasde en me deed hongeren naar meer.

Als ik nu aan madame R. terugdenk, denk ik dat ook zij uitkeek naar die gesprekken. Tijdens de conversaties cultiveerde ze een zeker mysterie. Ze deed me denken aan de oude, aristocratische dame van Music for Chameleons uit de gelijknamige bundel van Truman Capote. Het is een sterk verhaal, net als de overige, zeer diverse stukken van dit boek dat in 1982 verscheen, twee jaar voor Capote stierf. Er zit een voorwoord bij waarin Capote vertelt hoe hij begon te schrijven en hoe hij zijn talent tot volle ontwikkeling bracht – heel boeiend.
Music for Chameleons speelt zich af op Martinique in de Antillen. De verteller zit met de oude dame in de gaanderij van haar mooi koloniaal huis. Ze drinken muntthee met absint en spreken over de tradities op het eiland. Tijdens de conversatie wordt een anekdote opgehaald, een moord die vijftien jaar geleden op het eiland is gepleegd. Het slachtoffer was een vriend van de verteller. De oude dame, zo blijkt, heeft hem gekend. Het gesprek kabbelt verder, maar de sfeer is veranderd, de lezer voelt dat de dame en de verteller zaken voor elkaar verzwijgen. Aan het eind speelt ze in haar salon een sonate van Mozart. Uit alle hoeken van het huis komen kameleons aanlopen om te luisteren.
Madame R. zag ik dit ook doen, een cellosolo voor de Zuid-Franse gekko’s – eerder voor de gekko’s dan voor de buren.

Al snel ontstond een spel tussen madame R. en mij. Zodra we buiten gehoorsafstand van de vrouw van het vastgoedkantoor waren, fluisterde ze me iets toe, een enkele zin als een lokaas. Ik reageerde direct, de rol van argeloze vis speelde ik graag. Discreet trokken we ons terug in een hoek of achter een deur. Als de anderen ons niet meer konden horen, begon madame R. aan een lang verhaal.

Een van de laatste gesprekken vond plaats in wat zij de muziekkamer noemde, naast haar slaapkamer. Het was een januarimiddag. Madame R. stond bij het raam, voor een affiche van een concert dat monsieur lang geleden had gegeven. Ze sprak snel, er stond iets te gebeuren met een man, een vroegere medestudent die ze na dertig jaar had teruggezien. Hij woonde in Nice.

Toen het compromis was getekend en we het huis hadden betrokken en ontdekten dat de muren vol vakkundig verborgen barsten zaten, dat het dak lekte en dat de fris geschilderde luiken rot waren, bedacht ik dat ik werkelijk een argeloze vis was geweest en dat zij dat had geweten.
Ik heb nog steeds moeite om het bedrog met madame R. te rijmen, maar eigenlijk zou het me niet mogen verbazen. Ze heeft mijn verbeelding altijd overtroffen.

De nieuwe luiken hangen intussen aan de ramen. Ze zijn van lorkenhout.

Music for Chameleons, Random House.