Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

maandag 20 september 2010

Leve Delia



Toen ik zondag nietsvermoedend de mail opende, vond ik dit bericht:

Querida Annick,
Mañana lunes llegaremos en la tarde. Si hay algun problema, avisame.
Muchos cariños, Beatriz


Maandag komt Beatriz, zei ik voor me uit. Op dat ogenblik glimlachte ik nog. Ik had Beatriz al negen jaar niet meer gezien. Hoe vaak had ik haar al niet gevraagd wanneer ze op bezoek zou komen in Europa? En nu kwam ze eindelijk. Maar maandag was morgen. Morgen kwam Beatriz!
Voor het besef goed en wel tot me was doorgedrongen, stond ik al in de keuken te balanceren op een stoel om de kookboeken uit de hoge kast te halen. Ik sloeg het stof eraf, opende de ijskast en alle voorraadkasten en begon als een bezetene te bladeren.

Beatriz is de moeder van Ana Belen, de beste vrouwelijke chefkok van Venezuela. Ana Belen is getrouwd met de beste mannelijke chefkok van het land en samen runnen ze de twee beste restaurants van Caracas.
Beatriz kweekt in haar tuin in de uitlopers van de Venezolaanse Andes prachtige bloemen, maar ze kan ook uitstekend koken. Met eenvoudige ingrediënten maakt ze exquise gerechten, dat heb ik op drie vakanties mogen ondervinden.

En nu kwam zij hier en had ze waarschijnlijk de allerhoogste culinaire verwachtingen, wat ik haar overigens niet kan verwijten want wie was het die Ana Belen zo vaak in liederlijke uitlatingen over de Franse keuken had geschreven, de Thon rouge au jus de coquelicots et jus d’olives noires van Jacques Chibois, de Anémones de mer en beignets légers et onctueux iodé van Gérald Passédat of de Pigeon lacqué accompagné de noisettes grillées, réduction de jus au café torréfié van Alain Llorca?
Jawel. Alleen maar ik.
Niet dat ik na een gastronomiereportage zelf zoals Chibois, Passédat of Llorca ging koken. Hun keuken bevindt zich ten opzichte van de mijne niet op een andere planeet, maar ronduit in een ander universum. Ik kook al zeven jaar lang pasta met salade of quiche et salade, behalve op vrijdag want dan is er pizza met salade en op zondagavond want dan eten we pannenkoeken en voor de liefhebbers is er dan ook salade. Als vrienden komen, doe ik barbecue en voor de ZSG (Zeer Speciale Gelegenheden) maak ik de Thai Green Curry With Chicken van Jamie Oliver.

De komst van Beatriz hoorde thuis bij de ZSG, daar bestond geen twijfel over, maar kokosmelk had ik niet, noch groene curry, zelfs geen kipfilets of basilicumbladeren en de supermarkt was met ingang van september niet meer open op zondagvoormiddag. Wat moest ik dan?

Ik nam How To Cook Book One van Delia Smith van de stapel, nog gekregen van mijn ouders voor mijn negenentwintigste verjaardag, wat ook iets over mijn kooktalent zegt. Ik weet niet of ik toen zo blij was met het geschenk, maar achteraf gezien was How To Cook wel een schot in de roos.
Bechamelsaus? Neem melk, bloem en boter, doe ze samen in een pot, zet die op het vuur, roer af en toe en klaar is kees. In het begin woog ik de ingrediënten nog af, maar nu doe ik dat allang niet meer. De saus lukt nog altijd. Leve Delia, dus.
In haar boek staan ook gesofistikeerde versies van gewone gerechten, en dat werkt meestal goed met bezoekers. Zoals de Spinach Ricotta Lasagne with Pine Nuts van bladzijde 226. In een uithoek van de kast vond ik nog een pak lasagnebladeren. Na een grondige speurtocht had ik ook: 1 kg diepvriesspinazie, een spies roquefort, een zak amandelen. Als Delia's bechamelsaus zonder afwegen lukte, kon haar lasagne ook met roquefort in de plaats van ricotta en amandelen in de plaats van pijnboompitten.

En het voorgerecht dan? Violette artisjokken misschien, die zaten deze week bij het pak van de groenteboer en zijn typisch Provençaals. En als ik na de lasagne nu wat kazen op een schotel schikte en daar druiventrossen van de lokale boer tussen drapeerde, bij het dessert een taart gaf met pruimen van eigen kweek, en de kist Parfum de Schistes openbrak van de wijnboer uit de Hérault?
Dan wordt die Zeer Speciale Gelegenheid op zijn minst heel erg Frans.

vrijdag 17 september 2010

Kwallendienst



Bij de start van een nieuw schooljaar horen voornemens. Sportieve voornemens ook. Mijn vriendin N. en ik zwemmen nu een keer per week. In september is er geen beter bad dan de zee. De laatste toeristen zijn vertrokken, de stranden zijn schoon, de zee nog warm en de buitentemperatuur schommelt rond de 25°C.
Er is zelfs parkeerplaats.

'De herfst is het mooiste seizoen aan de Côte d'Azur,' zeg ik nog aan N. als we de kustpromenade van Mandelieu oprijden.
Maar op deze dinsdagochtend ben ik duidelijk niet de enige die zo denkt. Het strand is een lappendeken van badlakens, bezet door mannen en vrouwen tussen zestig en tachtig jaar oud.

Terwijl N. en ik het water ingaan, bespreken we onze professionele voornemens. N., consulente in de biologische garnalenkweek, is van plan te prospecteren naar nieuwe klanten.
'En jij?' vraagt ze.
'Ik ga een baan zoeken,' zeg ik. 'Buitenshuis, bedoel ik.' Al het gewone blijft natuurlijk doorgaan: mijn roman afwerken, reportagevoorstellen bijeensprokkelen, een lunchinterview organiseren met Michel Houellebecq.
'In welke sector?' vraagt N.
'Liefst iets met boeken.'
N. knikt. 'Wacht.' Ze zet haar zwembril op en duikt onder. Vandaag is zij van kwallendienst.
Boekenconsulent, zou het bestaan? vraag ik me af terwijl ik in haar kielzog zwem. Iets zoals styliste, niet in de mode maar in de literatuur. Achter me ligt een strand vol potentiële klanten. Voor die heren en dames heb ik een waslijst klaar.

Ik zou beginnen met De hand van Fatima van Ildefonso Falcones. Het verhaal van de auteur zou dit publiek aanspreken. Falcones, die als advocaat werkt in Barcelona, debuteerde in 2006 met de roman De kathedraal van de zee. Het werd onmiddellijk een bestseller. Er gingen totnogtoe vier miljoen exemplaren van over de toonbank, in bijna vijftig landen.
Wie van die mensen op het strand droomt niet van een gouden pensioen? Bovendien hebben veel gepensioneerden schrijfambities. Tot die conclusie kwam ik toch op het Salon du Livre in ons dorp in juli. Ik had de stille hoop een grote lokale schrijver te onmoeten, maar de twintig aanwezige auteurs waren zonder uitzondering gepensioneerden die hun werk in eigen beheer hadden uitgegeven. Of dit initiatief gestimuleerd moet worden, is nog de vraag, maar wat zeker is: gepensioneerden hebben tijd. Tijd is een vereiste voor de romans van Falcones.

De hand van Fatima is een pil van 944 bladzijden. De actie vindt plaats in de bergen en prachtige steden van Andalusië, die in de zestiende eeuw ten prooi vielen aan hevige oorlogen tussen christenen en moslims.
Het verhaal begint in december 1568 in een dorp in de Alpujarras, een berggebied tussen Granada en Almeria. Zoals overal in de streek leven in Juviles behalve christenen ook morisken, moren die na de inname van Granada in 1492 in Spanje zijn gebleven. Onder druk zijn ze christen geworden, maar in de beslotenheid van hun gemeenschap belijden ze de islam. Na een nieuwe koninklijke verordening die hun vrijheid nog sterker beknot, komen ze in opstand tegen de christenen.
De veertienjarige Hernando Ruiz begeleidt de troepen als muilezeldrijver. Hij is een buitenbeentje tussen de morisken van Juviles. Zijn blauwe ogen verraden zijn afkomst: toen zijn moeder veertien was, werd ze verkracht door een priester. Die dubbele origine zal hem parten blijven spelen.

De oorlog tussen de morisken en de christenen duurt maanden. In het strijdgewoel ontmoet Hernando de bloedmooie Fatima. Ze worden verliefd, maar ook Hernando’s stiefvader is in het meisje geïnteresseerd. Van de leider van de morisken, een vriend, krijgt Brahim de hand van Fatima.
Uiteindelijk delven de morisken het onderspit en worden ze over het koninkrijk verspreid. Hernando en zijn familie leven in armoedige omstandigheden in Córdoba. Maar de situatie keert. Hernando krijgt een baan in de koninklijke stallen en Fatima bekomt een echtscheiding van Brahim. In 1573 trouwen Hernando en Fatima. Ze krijgen kinderen, leven in welvaart en zich in het geheim aan de verspreiding van de islam.
Het mooie liedje blijft evenwel niet duren. Voor de definitieve uitwijzing van de morisken uit Spanje in 1609, zal Hernando nog enkele keren een nieuw leven beginnen.

De cultuur en leefgewoonten van de Spaanse moren boeien, en het is verhelderend om het christendom te bekijken door de ogen van een morisk, maar helaas spint Falcones het verhaal te breed uit. Een pageturner is De hand van Fatima niet, maar in ruil voor een stevige dosis doorzettingsvermogen krijgt de lezer inzicht in een belangrijk luik in de Spaanse geschiedenis en veel zin om Andalusië te bezoeken.

En daar is het nu net het beste seizoen voor. Dat zou ik de gepensioneerden op het strand ook kunnen aanraden.
Tien meter voor me komt N. boven water. 'Waar wacht je op?' roept ze. 'De kust is veilig.'

Een uitgebreide recensie van De hand van Fatima verscheen op 25 augustus in Uitgelezen, de boekenbijlage van De Morgen.

woensdag 15 september 2010

Dakota (Basje Boer)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Het was een warme, donkere dag. Het bakstenen gebouw dat hoog boven me uittorende deed een aardige poging om de dikke, zwarte wolken te kietelen die een dak vormden boven de stad. Aan de overkant van de straat sneed een klap onverbiddelijk door de stilte en denderde zijn echo door de verlaten straten van de stad. Het was het geluid van de zware voordeur die werd opengegooid door de een of andere kleerkast met de klauwen van een gorilla. Hij trok een iel grietje achter zich aan naar buiten en haastte zich de straat uit. Ik schoot mijn peuk de goot in en stak de straat over naar de vuile deur die toegang gaf tot Dakota.
     De lange, magere barman was er één van ’t zwijgzame type en ik had wel zin om een potje te zwijgen. Er werd een glas van ’t één of ander voor me ingeschonken en met het ijskoude drankje in mijn hand draaide ik me op mijn kruk om en keek eens goed om me heen. Het was zo’n slecht verlichte bar waar de tijd niet tikt. Of ’t nou ’s avonds is of overdag, je zou ’t bij god niet weten. Achterin zaten twee ongeschoren types hartstochtelijk te zwijgen en aan de andere kant zat een asblonde dame die ouder was dan ze zou willen. Ze voerde biscuitjes aan haar hond, zo’n pluizig ding waaraan je amper kan zien wat voor is en wat achter. Aan het andere uiteinde van de bar tenslotte, in het donkerste hoekje van heel het café, zat een brunette achter haar glas. Haar donkere haar golfde in eindeloze krullen over haar schouders, diep en donker genoeg om een man in te verdrinken. Ze had een gladde, porseleinen huid en grote, grijze ogen. Achter haar strakke blik ging een heel leven aan leed verborgen, dat was zeker.
     Ik vrat nog een sigaret en de tijd strompelde voort. Het hondje van de blondine had genoeg van de biscuitjes en lag met zijn kop op zijn poten onder de stoel van zijn baasje. Een van de kerels in de hoek rekende af en knikte kort naar de brunette. Ze schonk hem een lief verdrietig glimlachje dat de man teruggaf in de vorm van een brutale grijns. Met het smelten van het ijs in mijn glas smolt ook de tijd weg; de uren, de dagen, totdat ik het verschil niet meer zag tussen herinnering en werkelijkheid. Een dame legde een koude hand in mijn nek en blies onvergefelijk zoete woorden in mijn oor. De sleep van haar rode jurk verdween door de spleet van een deur. Ik strekte mijn hand uit maar mijn vingers gleden door de stof als een mes door boter. Ik dook achter haar aan, de deur door naar buiten. Een dun ventje met doorlopende wenkbrauwen trok me aan mijn mouw de nacht in. ‘Meneer, meneer,’ klonk zijn hoge, nerveuze stem. ‘Ik dacht niet dat u nog zou komen, meneer.’ Hij ontblote zijn lange gele tanden in een glimlach en liet me de foto zien die hij in zijn magere vingers geklemd hield. Het was een flets kiekje van een dagje aan het strand. De gorilla van vanmiddag stond erop. Hij hield zijn behaarde arm rond het pietepeuterige middeltje van een dame van wie alleen haar lange donkere haar te zien was terwijl ze omkeek naar de zee achter zich. Ik keek op maar de magere kerel was verdwenen. Ik draaide de foto om en zag mijn naam in kersenrode inkt, geschreven in het zwierige handschrift van een vrouw. De letters tolden voor mijn gezicht, verdwenen in een draaikolk van woorden en gezichten. Het enige wat overbleef was het geluid van een schelle schaterlach.
     Ik greep me vast aan de rand van de bar. ‘Meneer.’ De lange barman sjorde aan mijn mouw. ‘Meneer, ik dacht niet dat u nog bij zou komen, meneer.’ Ik grijnsde. ‘Doe me nog zo één,’ zei ik, wijzend op mijn lege glas. De barman knikte. Hij had zijn stem weer ingeslikt en zijn blik op standje uitdrukkingsloos gezet. Ik keek om naar de brunette aan het andere uiteinde van de bar. Ze zat voorovergebogen op een velletje papier te kalken. Wat moest dat een mazzelpik zijn, dacht ik, die snuiter aan wie ze een brief aan het schrijven was. Ze stond op van haar kruk en heupwiegde mijn kant uit, het velletje papier tussen haar elegante vingers. Het rood van haar rok speelde om haar benen, als golven die stukslaan op de kust. Bij mijn kruk aangenomen hield ze en ze keek naar me op met die grote verdrietige ogen van haar. Toen ze mijn naam zei, barstte die in kersenrode letters uit elkaar. ‘Martin Philips,’ zei ze, ‘je had vast niet gedacht dat ik nog zou komen.’ Ze stak me het vel papier toe. Zij en ik zaten lachend aan het strand, allejezus jong en gebruind door de zon. Ik draaide de foto om.

Basje Boer (1980) is schrijver en beeldend kunstenaar. In 2006 debuteerde zij met de verhalenbundel Kiestoon (Arbeiderspers). Recentelijk verschenen nieuwe verhalen van haar in o.a. De Gids, De Revisor en Deus ex machina.

Wie pasticheert Basje? Uw reactie graag hieronder.