Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

maandag 6 september 2010

Zevenhonderdeneen



Zevenhonderdeneen. Het getal viel voor de zomer.
Vertigo kreeg ik ervan.
'Zevenhonderdeneen!' gilde ik door de huiskamer, zo luid dat iedereen zijn activiteiten staakte. 'Zevenhonderdeneen! Geloven jullie dit?'
Ik kreeg starende blikken. Zevenhonderdeneen was simpelweg niet voorstelbaar.

De ganse zomer bleef zevenhonderdeneen in de actualiteit. Het getal was overal: op het internet, in de krant, op de radio. Je moest al een kluizenaar zijn of Elzéard Bouffier heten om het niet te kennen: zevenhonderdeneen.
Toen septemberde naderde, kregen we namen. Niet alle zevenhonderdeneen, maar wel die van de bekenden en van de beloftevolle onbekenden. De speculaties begonnen.

Zaterdag ging ik naar de boekhandel. De winkel was net open. Daar lagen ze op een lange tafel bij de ingang in keurige stapeltjes, de boeken van de Franse rentrée littéraire.
Tussen nu en eind oktober verschijnen in Frankrijk maar liefst 701 nieuwe titels, waarvan 497 van Franstalige auteurs. Er is er een bij van het enfant terrible van de Franse letteren, Michel Houellebecq, ook een van de auteur van het veelgeprezen Les Âmes grises, Philippe Claudel, van de Goncourtwinnaar van 2004 Laurent Gaudé, van de jonge, sterk opkomende Olivier Adam, van de Frans-Congolese auteur Alain Mabanckou, van de schrijfster van het bejubelde Les Déferlantes, Claudie Gallay, van Marc Dugain en, naar jaarlijkse gewoonte, ook van onze eigen Amélie Nothomb.

Ik nam er één van de zevenhonderdeneen en liep snel door naar de schoolspullen.



vrijdag 3 september 2010

Terug naar de natuur



Het was bijna uit de hand gelopen.

De kleren verdwenen het eerst. De schoolpoort was nog niet in het slot gevallen of het huisuniform was al zwempak. Niet veel later ontspoorde het dagprogramma. 's Morgens bleven we in bed met een boek. Als de honger begon te knagen, installeerden we ons in pyjama in de tuin met baguettes en een pot Nutella. Daarna wreven we onze chocoladesnorren weg en reden naar de piscine municipale. Het middaguur was allang voorbij als we van zon en water verzadigd thuiskwamen. Ik bereidde iets met tomaten en na het eten kropen we in een koele hoek met een boek.

Een van de eerste verhalen die ik op die warme middagen las, was L'Homme qui plantait des arbres van Jean Giono. Dat had te maken met het formaat. De uitgave bevatte een dossier over de plaats van de natuur in de literatuur en een anthologie met stukken van auteurs zoals Le Clézio en Colette, maar het verhaal van Giono op zich was maar 21 bladzijden lang. Een perfecte lengte voor de siësta.

Jean Giono schreef L'Homme qui plantait des arbres voor het Amerikaanse magazine Reader's Digest. De opdracht was een verhaal te schrijven rond "The Most Unforgettable Character I've Met".
De novelle speelt zich af in de Haute-Provence. De verteller, een jonge man, maakt een trektocht door de uitlopers van de Alpen, in 1913 een verlaten, onherbergzaam gebied. Op zoek naar water klampt hij een schapenherder aan. Hij mag mee naar zijn hut en krijgt eten en onderdak. Na het avondmaal ziet hij hoe de herder een zak eikels bovenhaalt die hij sorteert tot hij honderd perfecte exemplaren overhoudt. 's Anderendaags plant hij de honderd eikels. Dat doet hij al drie jaar lang elke dag, zo blijkt. Van de 100,000 aanplantingen hoopt hij 10,000 bomen over te houden.
De herder, Elzéard Bouffier, had vroeger een boerderij, maar is na de dood van zijn vrouw en enige zoon naar deze afgelegen streek verhuisd en heeft zich als doel gesteld het schrale land nieuw leven in te blazen.

Na de oorlog, in 1920, zoekt de verteller Elzéard Bouffier weer op. De mist die hij van ver op de bergtoppen ziet liggen, blijkt bij het naderen een bos, van eiken, beuken en berken. Elzéard Bouffier legt zich nu voltijds toe op het planten.
In de loop van de volgende jaren wordt de verteller getuige van een langzame metamorfose van de streek. Telkens hij komt, blijkt het bos gegroeid, maar daar blijft het niet bij: in de opgedroogde beddingen gaat water vloeien, er komen bloemen, groente en dieren.
Wanneer Elzéard Bouffier in 1947 sterft, zijn de ruïnes van vervallen dorpjes opgebouwd en hebben jonge gezinnen zich in de streek gevestigd. Het dorre, desolate land van 1913 is een vruchtbare, bloeiende omgeving geworden dankzij het werk van één man.

Heeft Elzéard Bouffier echt bestaan? Reader's Digest vaardigde speciaal iemand af om het waarheidsgehalte van Giono's verhaal na te trekken, maar dat bleek zeer twijfelachtig en het magazine besloot de novelle niet uit te geven. Het verhaal verscheen in Vogue, werd daarna gratis op 100,000 exemplaren verspreid in de V.S., en kreeg dertien vertalingen.
De boodschap van L'homme qui plantait des arbres is nog altijd actueel. In een tijd waar nog niet aan ecologie wordt gedacht, beschrijft Giono de grondslagen van duurzame ontwikkeling.

Die middag was er van slaap of loomheid geen sprake. Kwiek kwam ik uit de siësta. Het is niet dat ik het me bewust voornam, maar de natuur werd het thema van de vakantie.

Juli vorderde. De kinderen hadden ruggen van peperkoek en lange, zongebleekte haren. We aten nog met mes en vork, dat wel, maar kleren werden amper nog bovengehaald. De grootste activiteit concentreerde zich rond de tuintafel. Elke dag verzamelden zich daar meer lege ijsdozen en bokalen. Die recipiënten waren de thuis van tijgerspinnen, vliegende herten en andere vreemdsoortige insecten. Doorgaans werden de mooiste (lees: griezeligste) gevonden onder stenen of in moeilijk bereikbare webben, maar de trofee kwam uit de slaapkamer: een schorpioen.

Het werd augustus. Op een zaterdag pakten we wat kleren en een tent in de auto en reden de straat uit. We kampeerden in een gehucht in de Hérault, en dan bij een neef met een koeienboerderij in de Allier. De kinderen klommen op de mestvaalt, deden hun behoefte in het veld, speelden verstoppertje tussen de strobalen, en als ze tussendoor honger hadden, plukten ze pruimen of trokken een wortel uit de grond.

Het gebeurde op een avond. We hadden pannenkoeken gegeten van versgemalen bloem, eieren uit de ren en melk van Dahlia, de aanvoerster van de melkkoeien. De kinderen waren alweer het erf opgelopen, mijn neef en zijn vrouw waren naar de koeien. Mijn man en ik ruimden af. We keuvelden na over de middagactiviteiten, de aardappelrooi (ik), de vangst van een losgeslagen koe (hij), de Coloradokevers (de kinderen).
'Zou je het kunnen?' vroeg ik.
Hij bleef staan. 'Ik was het me net aan het afvragen.' Hij keek me een hele poos schattend aan. Toen knikte hij.
Ik glimlachte en knikte terug. 'Alles opgeven?'
Hij bleef ernstig en knikte nog steeds. Het laatste zonlicht zette de keuken in een rode gloed. In de verte hoorde ik het geloei van een koe.
'Alles, computers, boeken, voor een leven in de natuur?'
Hij zweeg.
'Maar echt?'
'Ja,' zei hij. 'Natuurlijk echt.'
De mogelijkheden maakten me licht in het hoofd. 'Beeld je in...' Bij de gedachte moest ik lachen. 'Beeld je in dat ik vanaf nu geen bladzijde meer zou schrijven?' Ik dacht aan L'homme qui plantait des arbres. 'Ik denk dat ik het zou kunnen.'

We leefden een dag met de gedachte van een ander leven, en daarna reden we weer zuidwaarts. De laatste week van augustus gleed voorbij tussen water en insectenbokalen, en omdat ik een deadline had, schreef ik twee bladzijden.
En toen wist ik weer waarom ik het deed, schrijven.

Maar het was bijna uit de hand gelopen.

woensdag 1 september 2010

Die zomer (Marieke Groen)

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Het was een rare, benauwde zomer, de zomer dat Natalee Holloway verdween, en ik vroeg me af wat ik in godsnaam te zoeken had in de stad. Die verdwijning bleef maar door mijn hoofd spoken. Het idee dat haar lichaam in zee was gedumpt, als voer voor haaien en tropisch gekleurde vissen met namen waar ik nog nooit van had gehoord, maakte me ziek, maar er was geen ontkomen aan: in elke kiosk, supermarkt en metrostation staarden de krantenkoppen me aan, tussen de schreeuwerige koppen van de roddelbladen en de omslagen met 93 recepten voor artisjok en tips om je seksleven mee te verbeteren. Het had allemaal niks met mij te maken, maar toch vroeg ik me steeds af hoe het moest zijn om op een tropisch strandje te worden verkracht en gewurgd – of gewurgd en dan verkracht. Ik kon aan niks anders denken.

Alsof het in de stad al niet erg genoeg was. De hitte bleef dik en log tussen de huizen hangen, en de grachten stonken naar rotting en bederf. ’s Nachts hoorde ik mijn buren dierlijke klanken uitstoten, die door de openstaande ramen naar buiten zweefden, waar ze werden opgevangen door zonnedronken toeristen en ander aangespoeld zwerfvolk.

Op tv ging het alleen maar over Natalee Holloway, en ook op mijn werk sprak iedereen erover, het was overal. Het was net als die keer dat ik een dode rat zag. Nog weken daarna dook het lijkje – of wat daarvan over was – ’s avonds op tussen mijn spaghetti en in het gezicht van Bob Frikking, die me er in de eerste instantie op had gewezen, en weldra had ik het gevoel alsof ik rondliep met de kop van die rat aan een touwtje om mijn nek, als een stinkend sieraad van ontbinding.

Ik wist dat er iets met me aan de hand was die zomer, want ik kon alleen maar denken aan Natalee Holoway, en aan hoe stom het van me was om allemaal nieuwe kleren te kopen, kleren die me niet stonden, en die maar hingen te hangen in de kast, nutteloos en overbodig als de kleren van een meisje dat op een tropisch strandje was verkracht en gewurgd – of gewurgd en dan verkracht. Ik dacht aan alle kansen die ik als zandkorrels door mijn vingers had laten glippen. Terwijl ik zou moeten genieten. Ik wist dat er tientallen mensen op mijn baan hadden geaast, mensen die zich ongetwijfeld afvroegen wie diegene was die ze voorbij had gestreefd, wat ze had, wat haar beter maakte, meer geschikt.

Maar ik was als verlamd. ’s Ochtends als ik de glazen deuren van het kantoor openduwde, me liet optillen in de glazen stolp die de lift was, kon ik de bijenkorf op de zesde al horen. Tegen de tijd dat ik er binnenstapte, was het gezoem aangezwollen tot gekmakende hoogten. Ik kon mijn eigen gedachten niet meer horen.

Tijdens de lunch in de kantine die iets weghad van een duur warenhuis, kon ik niet kiezen. Ik bleef heen en weer lopen tussen de counters met fruit, salades, belegde broodjes, warme prak en gefrituurde happen. Ontelbare soorten brood, van veerkrachtig wit tot grof grauw zuurdesem en alles ertussenin. Kraampjes met geurvlaggen waarmee de waren werden aangeprezen, schreeuwende kleuren, vloekende geuren, vegetarisch, veganistisch, macrobiotisch, glutenvrij – ik kon niet besluiten wat ik wilde, wat ik was, en kwam tenslotte bij de kassa aan met een droog pistoletje, een banaan en een glas heet water zonder theezakje. Ik bedoel, ik hou niet eens van bananen.

Toen, ja toen wist ik dat er wat me aan de hand was.

Marieke Groen (1966) debuteerde in 1999 met de verhalenbundel Net als barbapapa. Daarna schreef ze twee romans, Zeven meter onder water (2001) en Koortsgloed (2006). Binnenkort verschijnt een nieuwe roman, De caravan.

Wie pasticheert Marieke? Uw reactie graag hieronder.