pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl
Ik liep over straat. De zon zakte weg achter de gebouwen. Aan de overkant van de stond een buurtcafé. Ik stapte binnen. Het was er niet druk en ik nam plaats naast de blondine. Ze was klein en had groene ogen met lange zwarte wimpers.
‘Mijn man is een klootzak,’ zei ze. ‘Hij neukt andere vrouwen en laat mij de klere krijgen.’
‘Hou eens op met dat gesnotter anders ga ik weg.’
Ik schonk de fles leeg in mijn glas en nam een slok.
Buiten reed een bus voorbij, en een BMW en iets later een grote, lange Chevrolet met en pooier erin.
‘Geef die asbak eens door, Giny.’
Ze schoof hem mijn kant op en sloeg haar glas achterover. Ze was niet lelijk.
Ik stak een sigaret op en blies de rook omhoog. Ze dronk sneller dan ik, hoe hard ik ook probeerde.
Ze bestelde weer een gin en een pils voor mij en ik dronk en dronk. Ik deed goed mijn best. De barkeep zag haar wel zitten maar hij had wat beters te doen. Die ouwe aan de andere kant keek naar haar tieten.
‘Kun je het zien, ouwe lul!’ schreeuwde ze. Die blonde had een grote bek.
Er kwamen twee mannen en een vrouw binnen. Al snel begonnen die kerels tegen elkaar te schreeuwen. De vrouw bemoeide zich ermee en die lange gaf haar een klap.
‘STINKEND ZWIJN!’ schreeuwde ze. Ze rende naar buiten en kwam terug met een grote zwarte kerel. Het werd knokken. Niemand keek op of om. Die lange gozer kreeg een paar flinke klappen, maar hij ging niet neer. Ineens stopten de kerels met vechten en liepen met z’n drieën naar de bar. Ze bestelden drie flessen bier. Die vrouw begon te schreeuwen maar die gozers dronken gewoon verder. Alsof ze niet bestond.
Giny begon steeds meer te praten. Na haar zevende gin was ze niet meer te stoppen. Ze ging maar door.
‘Ik ben een dochter van een belangrijke Amerikaan,’ zei Giny.
‘Ben je de dochter van Reagan?’ vroeg ik.
‘Ik ben de dochter van Reagan,’ zei ze.
Toen stond ze op en begon te dansen. De oude man zat haar te bekijken.
Er was geen muziek te horen maar ze danste en draaide. Ze sprong in de rondte en bewoog haar armen op en neer. Het was een slechte dans.
Ze ging weer zitten.
‘Kom je hier uit de buurt? Ik heb die kop van je nooit eerder gezien.’
Ik zei niets terug. Die ouwe aan de andere kant zat in zichzelf te praten en hij kwijlde op de bar.
‘Montana is een paradijs vergeleken met deze hel,’ zei ze.
‘Ik ben er een keer geweest en je heb er goede cafés. Daar vliegen tenminste nog eens flessen door de tent.’
Ze liet een boer.
‘Je verdient mij niet, zuiplap’
We gingen naar haar huis. Ze woonde in de heuvels. Ik parkeerde de Volks op de brede oprijlaan.
‘Waar is je man?’ vroeg ik. Ze haalde haar schouders op.
Er was een grote drankkast, met spiegels en grote zware glazen. Ik schonk een whisky in. Het voelde goed om de dure whisky van die klootzak te drinken. Ik pakte een sigaar uit de doos en stak hem op.
Giny hing op de bank en ik zat op de stoel. Ik kon zo onder haar rok kijken en ze had geen onderbroek aan. Dat beviel me.
Het was een leren bank, groot en erg aanwezig. In het midden van de kamer stond een glazen salontafel. Ik liet mijn glas op de tafel vallen, het doorzichtige oppervlakte was moeilijk te zien.
‘GODVERDEGODVER!’ riep ze. Giny pakte een vaatdoek uit de keuken en ik depte de whisky van de glazen tafel. Het voelde goed om de dure whisky van die klootzak te verspillen. Toen de tafel droog was schonk ik mijn glas opnieuw in.
In de hoek van de woonkamer stond een plant, zo groot als een palmboom. Naast de televisie zag ik een stereo-installatie. Ze zette een plaat op, van die aanstellerige jazz. Toen was mijn glas whisky op en ik pakte twee flessen bier. Ze waren niet koud maar ze gingen er goed in. Giny rookte de een na de andere, ze bleef maar roken. En pillen, ze nam een pil en daarna begon ze weer te praten.
Ze begon over haar vader uit Montana, die gore, vieze klootzak
Mijn godheid kon er niet meer tegen.
‘Donder op,’ riep ik.
‘Laten we neuken.’
Ik stond op en liep naar de bank.
‘De ballen,’ zei ze en pakte de fles wodka, het stroomde over haar kin. Toen werd ze stil.
Ze kleedde zich uit, trok mijn broek naar beneden. Ze kon er wel wat van. Ze likte en likte. Toen stopte ik hem erin en begon te rammen. Op die grote bank, het leer plakte aan haar kont.
Ze begon over haar vader. Ik ramde harder.
En ze begon te huilen. Ik stopte en ze stond op en liep naar de badkamer.
Ze had een pukkel op haar rug. Een grote rode pukkel, zo groot als een tepel.
Na een paar minuten kwam ze terug en zei dat het haar speet. Maar ik had er geen zin meer in. Ik stapte van de bank en hij wiebelde tussen mijn benen. Het bier was intussen warm geworden maar de jazzplaat was tenminste afgelopen.
Na een tijdje neukten we nog een keer. Ik pompte haar helemaal vol met haat. Ik wist niet eens of ze Giny heette. Ze kon de klere krijgen. Net als haar vader.
Daarna reed ik naar huis, pakte een flesje bier uit de koelkast en begon te tikken.
Rob Waumans (1977) werkt aan zijn debuut, waarover hij voorlopig alleen kwijt kan dat het een tragikomische roman wordt. Het boek verschijnt begin volgend jaar bij Uitgeverij Contact.
Wie pasticheert Rob? Het reactieformulier staat open.
woensdag 26 mei 2010
vrijdag 21 mei 2010
Miljonair
Vous pouvez devenir millionaire.
Het was mijn eerste Zweig. Ik had lang kunnen weerstaan. De naam belaagde me al maanden, in literaire bladen, op de rekken van de bibliotheek, in de boekhandel: overal zag ik Stefan Zweig.
Ik had gelezen over zijn tragisch einde. De schrijver, die in 1881 in Oostenrijk werd geboren in een welstellende Joodse familie, was een overtuigd pacifist en pleitte voor een geestelijk verenigd Europa. Toen de nazi's aan de macht kwamen in Duitsland, zag hij onmiddellijk het grote gevaar daarvan in. Hij week uit naar Engeland en zijn boeken werden in Duitsland verboden. Gedesillusioneerd zag hij toe hoe de Tweede Wereldoorlog begon. Hij verhuisde naar Brazilië en pleegde op 22 januari 1942 samen met zijn vrouw zelfmoord.
Vingt-quatre heures de la vie d'une femme verscheen in 1927. Het verhaal speelt zich af in een klein pension aan de Côte d'Azur. Tussen de gasten heerst er opschudding: de delicate en gesloten Mme Henriette, met haar echtgenoot en twee dochtertjes op verblijf in het pension, is ervandoor met een andere gast, een jongeman die de dag tevoren is aangekomen.
Bij de maaltijd 's anderendaags worden hevige discussies gevoerd. De verteller (die onbenoemd blijft) neemt het op voor Mme Henriette, terwijl de andere tafelgenoten het gedrag veroordelen. Alleen de gedistingeerde Mrs. C..., een Engelse dame van 67 jaar, houdt zich op een afstand.
Na de maaltijd komt Mrs. C... het voorval met de verteller bespreken. Hij voelt in haar een tegenstrijdigheid: al keurt ze de vlucht van Mme Henriette af, toch heeft ze sympathie voor he standpunt van de verteller. De vrouw, die zich anders altijd terugtrekt, komt hem meer en meer opzoeken. Als zij verneemt dat hij binnen enkele dagen zal vertrekken, is ze aangedaan en nodigt ze hem uit op haar kamer. Tijdens een lang gesprek verneemt hij welke herinneringen het voorval bij Mrs. C... heeft teruggebracht.
Mrs. C... is op haar veertigste weduwe geworden. De kinderen zijn het huis dan al uit. Uit verveling reist ze naar Monte-Carlo. Daar bezoekt ze het casino, niet om zelf te spelen, maar om op de plaats te zijn waar "de wervelwind van het leven het snelst is". Na het overlijden van haar echtgenoot is van haar gevoelsleven niets meer over, en daarom geniet ze zo van de passie bij de goktafels. Ze observeert vooral de handen van de gokkers, dat heeft haar man haar geleerd. Terwijl de meeste spelers hun gelaatsexpressie kunnen beheersen, verraden hun handen altijd hun werkelijke emoties.
Op een avond ziet Mrs. C... een paar handen zoals ze nooit eerder heeft gezien: fijne blanke handen van een uitzonderlijke schoonheid, maar wat haar bovenal fascineert, is hun taal: opwinding, verlangen, hoop, wanhoop, dat alles drukken die handen uit. Ze is zo gefascineerd dat ze ten slotte ook kijkt naar het gelaat dat erbij hoort. Ze ziet een jonge man van 24 jaar, opvallend knap en ten prooi aan hevige emoties. Nadat hij al zijn geld is verloren, gaat hij naar buiten. Zij is ervan overtuigd: hij gaat de dood tegemoet. Zij moet hem redden.
Ze volgt hem, praat op hem in, overtuigt hem dat hij moet gaan slapen, brengt hem in een koets naar een hotel en belandt met hem op de kamer.
Het is opmerkelijk hoe goed Stefan Zweig het personage van Mrs. C... neerzet: haar onmiddellijke fascinatie voor de jonge man, de strijd die in haar woedt wanneer ze naar hem toe gaat (is dit wel betamelijk voor een respectabele dame zoals zij?), de aantrekking die ze voelt, maar die ze zelf niet wil toegeven. Zweig weet precies wat hij moet zeggen, wat hij moet tonen en wat hij moet verzwijgen opdat de lezer zich het personage volledig kan toeëigenen.
In de vroege ochtend vlucht Mrs. C... uit het hotel, vol afschuw voor haar eigen daad, maar eerst spreekt ze met de jongeman af voor de lunch. Ze eten samen en maken daarna een koetswandeling over de corniche. Hij belooft nooit meer te gokken. Alle spanning heeft zijn gezicht verlaten. Zij, zijn redster, kijkt naar hem en beleeft de gelukkigste uren van haar leven. Na de koetsrit geeft ze hem geld voor een treinticket naar huis. De trein vertrekt om halfacht 's avonds. Zij heeft nog een afspraak voordien, daarna zal ze naar het perron komen om afscheid te nemen.
Het eind zal ik niet verklappen, maar het loopt anders af dan Mrs. C... had verwacht.
In Vingt-quatre heures de la vie d'une femme legt Stefan Zweig de hand op iets troebels in onszelf. Hoe gelukkig we ook zijn, hoe goed geankerd onze situatie ook is, alles kan plotsklaps veranderen. Wat we zelf een halfuur geleden nog onmogelijk hebben geacht, kan gebeuren. De Russische auteur Maxim Gorki, een tijdgenoot van Zweig, zei dat hij nooit eerder iets diepers had gelezen.
In een roes wandelde ik over de Promenade des Anglais, verbluft, zoals na mijn eerste Sandor Márai. Hoe bestond het dat ik Stefan Zweig nooit eerder had gelezen?
De laatste zin las ik ter hoogte van Casino Ruhl. Toen ik opkeek, flitsten de panelen met Vous pouvez devenir millionaire vlak voor me.
Ik stapte snel door.
woensdag 19 mei 2010
De Guadagnini
pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl
De dag van de aanhouding werd er tegen tienen aangebeld bij familie Reneau. De keuken geurde naar het versgebakken brood dat op roosters boven het fornuis afkoelde. Op dinsdag was er tussen negen en twaalf uur stroom in de stad, tenzij een alarm werd afgekondigd, maar dat was niet gebeurd.
Charles Reneau zat met zijn moeder Elisa aan de keukentafel. Op Elisa’s linkerarm lag de Guadagnini. Met haar hand omklemde ze de hals, het corpus rustte op het blanke vel van haar binnenarm. Met een wollen doek poetste Charles het bovenblad op, waarbij hij nauwlettend de instructies van zijn moeder opvolgde. Charles was de enige van de drie zonen die het muzikale talent van Elisa had geërfd. Elke ochtend, voor ze samen concerteerden, leerde zij hem hoe hij de Guadagnini moest onderhouden. De viool was al honderd tweeëndertig jaar in het bezit van de familie.
De bel klonk hard en dringend door de traphal. Middenin een beweging hield Charles op. Verstijfd luisterde hij naar het schelle geluid.
‘Het is monsieur Rolin maar,’ zei zijn moeder op sussende toon.
Théophile Rolin was een vermaarde vioolbouwer die aan de buitenrand van de stad woonde. Zijn reputatie ging over de landsgrenzen; voor zijn werkplaats stonden frequent voertuigen met Britse, Zwitserse, zelfs Italiaanse kentekenplaten. Théophile Rolin had laten weten dat hij de Guadagnini wilde zien.
‘Ik dacht…’ begon Charles, terwijl hij de bibber in stem probeerde te bedwingen.
Elisa glimlachte hem minzaam tegen. Ze legde de Guadagnini in de koffer die op de tafel lag, nam een sleutelbos uit haar voorschoot en reikte die Charles aan.
Met het hoofd nog vol bangernis liep hij naar de voordeur. Hij moest drie sleutels bezigen voor de deur uit het slot sprong.
In de opening stond een lange dunne man in een zwart pak. Of dit het huis van Elisa Reneau was?
Charles knikte.
‘Théophile Rolin,’ zei de man terwijl hij Charles de hand schudde.
Charles ging de bezoeker voor naar boven. Zijn moeder stond al op de overloop. Ze had de keukendeur gesloten en de pronkkamer geopend. Charles zag dat ze haar voorschoot niet meer aan had. Haar lippen waren vurig rood gestift. Hij gluurde door de open deuren. De hoge ramen stonden wijd open. Het lentelicht stroomde binnen en flatteerde de friezen op het plafond. Op de buffetkast fonkelden twee kristallen glazen.
Elisa Reneau reikte Théophile Rolin de rechterwang aan en vroeg hem naar binnen te gaan; ze zou de Guadagnini halen. Ze gebaarde Charles mee te komen, hij volgde haar de trap af. Halverwege hield ze stil.
‘Ik heb niets om monsieur Rolin aan te bieden,’ zei ze terwijl ze gejaagd een lok uit haar ogen streek. ‘Hier heb je vijftig francs, loop even naar de kruidenier, wil je. Neem een fles rode wijn en vier handen amandelnoten.’ Voor Charles kon antwoorden, was ze alweer naar boven.
De straat was verlaten. Charles rende dicht tegen de muur van de huizen. ‘Vijftien, zestien, zeventien…’ Het was tweehonderd zevenenzestig passen tot bij de kruidenier, op goede dagen tweehonderd zestig.
Het gebeurde op pas honderd dertien, voor Bar L’Univers. Twee benen versperden Charles de weg. Hij hoefde zijn blik niet op te richten, hij herkende het uniform van de Duitse officier die de school met zijn troepen had bezet en daar nu al zes maanden bivakkeerde. De officier patrouilleerde geregeld in de straat.
‘Wat wilt u van me?’ stiet Charles uit.
De officier gaf geen antwoord, nam Charles bij de kraag en trok hem de gelagzaal van Bar L’Univers in. Tegen de muur stond een rij jonge mannen. Charles herkende de meesten, velen waren klasgenoten, anderen woonden ook in de buurt. Terwijl hij achter in de rij aansloot, hield een kaki pick-up voor de deur stil. Vier soldaten stapten uit. Een ijzige kou trok in Charles omhoog.
De officier had plaatsgenomen aan een tafel voor de toog. Twee soldaten flankeerden hem, de twee anderen surveilleerden de jongens.
Een voor een werden de jongens bij de officier geroepen; daarna greep een soldaat hen bij de arm en duwde hen de laadback van de pick-up in. Charles was de laatste aan de beurt. Een soldaat duwde hem op de stoel tegenover de officier. Op de tafel lagen een opengeslagen schrift, een rode en een blauwe balpen, een glas en een kruik bier.
De officier zette de punt van zijn blauwe balpen op een nieuwe regel. Op het schrift stond een soort tabel met aan het eind van elke lijn een rood kruis.
‘Naam?’ blafte hij.
‘Charles Reneau.’
‘Nationaliteit?’
‘Frans.’
‘Leeftijd?’
‘Zeventien jaar.’
‘Beroep?’
‘Muzikant.’
De officier, die Charles nog geen blik waardig had gekeurd, keek nu op. Hij nam een slok van zijn bier. ‘Welk instrument?’ vroeg hij.
‘Viool.’ Hij dacht aan zijn moeder die nu al ongerust moest zijn, en aan het stuk dat ze hadden ingeoefend voor Théophile Rolin.
‘Viool…’ De officier glimlachte kort. ‘Adres?’
‘456, boulevard Haussman.’
‘456?' De officier keek Charles onderzoekend aan.'De bel-etage?’
Charles knikte.
'Guadagnini?'
Charles knikte weer.
De officier legde zijn pen neer. Hij zat met zijn ellebogen op tafel, zijn handpalmen bedekten zijn gelaat. Toen hij opkeek, zag Charles dat zijn ogen vochtig waren. De officier consulteerde het gouden horloge om zijn pols. ‘Het is kwart voor elf. Gaat u nu maar, uw tijd is bijna aangebroken.'
De officier stond langzaam recht. Hij legde zijn hand op Charles' schouder en begeleidde hem naar de deur. Voor hij zich omdraaide en weer naar binnenging, deed hij teken dat de soldaten mochten gaan. Twee van hen klommen in de laadbak, de andere twee namen plaats in de cabine. Charles stond in de deuropening en keek naar de grond. Hij had de aandrang zich om te draaien, naar binnen te gaan en de officier te smeken zijn vrienden te sparen. Hij zou beloven viool te spelen, privé voor hem, alles wat hij wilde zou hij instuderen. Hij kon vandaag al beginnen, met het stuk voor Théophile Rolin, het concerto in re majeur van Johannes Brahms.
De motor startte.
Charles begon te rennen.
Wie pasticheer ik hier? Laat uw kleine vermoedens na op het reactieformulier.
De dag van de aanhouding werd er tegen tienen aangebeld bij familie Reneau. De keuken geurde naar het versgebakken brood dat op roosters boven het fornuis afkoelde. Op dinsdag was er tussen negen en twaalf uur stroom in de stad, tenzij een alarm werd afgekondigd, maar dat was niet gebeurd.
Charles Reneau zat met zijn moeder Elisa aan de keukentafel. Op Elisa’s linkerarm lag de Guadagnini. Met haar hand omklemde ze de hals, het corpus rustte op het blanke vel van haar binnenarm. Met een wollen doek poetste Charles het bovenblad op, waarbij hij nauwlettend de instructies van zijn moeder opvolgde. Charles was de enige van de drie zonen die het muzikale talent van Elisa had geërfd. Elke ochtend, voor ze samen concerteerden, leerde zij hem hoe hij de Guadagnini moest onderhouden. De viool was al honderd tweeëndertig jaar in het bezit van de familie.
De bel klonk hard en dringend door de traphal. Middenin een beweging hield Charles op. Verstijfd luisterde hij naar het schelle geluid.
‘Het is monsieur Rolin maar,’ zei zijn moeder op sussende toon.
Théophile Rolin was een vermaarde vioolbouwer die aan de buitenrand van de stad woonde. Zijn reputatie ging over de landsgrenzen; voor zijn werkplaats stonden frequent voertuigen met Britse, Zwitserse, zelfs Italiaanse kentekenplaten. Théophile Rolin had laten weten dat hij de Guadagnini wilde zien.
‘Ik dacht…’ begon Charles, terwijl hij de bibber in stem probeerde te bedwingen.
Elisa glimlachte hem minzaam tegen. Ze legde de Guadagnini in de koffer die op de tafel lag, nam een sleutelbos uit haar voorschoot en reikte die Charles aan.
Met het hoofd nog vol bangernis liep hij naar de voordeur. Hij moest drie sleutels bezigen voor de deur uit het slot sprong.
In de opening stond een lange dunne man in een zwart pak. Of dit het huis van Elisa Reneau was?
Charles knikte.
‘Théophile Rolin,’ zei de man terwijl hij Charles de hand schudde.
Charles ging de bezoeker voor naar boven. Zijn moeder stond al op de overloop. Ze had de keukendeur gesloten en de pronkkamer geopend. Charles zag dat ze haar voorschoot niet meer aan had. Haar lippen waren vurig rood gestift. Hij gluurde door de open deuren. De hoge ramen stonden wijd open. Het lentelicht stroomde binnen en flatteerde de friezen op het plafond. Op de buffetkast fonkelden twee kristallen glazen.
Elisa Reneau reikte Théophile Rolin de rechterwang aan en vroeg hem naar binnen te gaan; ze zou de Guadagnini halen. Ze gebaarde Charles mee te komen, hij volgde haar de trap af. Halverwege hield ze stil.
‘Ik heb niets om monsieur Rolin aan te bieden,’ zei ze terwijl ze gejaagd een lok uit haar ogen streek. ‘Hier heb je vijftig francs, loop even naar de kruidenier, wil je. Neem een fles rode wijn en vier handen amandelnoten.’ Voor Charles kon antwoorden, was ze alweer naar boven.
De straat was verlaten. Charles rende dicht tegen de muur van de huizen. ‘Vijftien, zestien, zeventien…’ Het was tweehonderd zevenenzestig passen tot bij de kruidenier, op goede dagen tweehonderd zestig.
Het gebeurde op pas honderd dertien, voor Bar L’Univers. Twee benen versperden Charles de weg. Hij hoefde zijn blik niet op te richten, hij herkende het uniform van de Duitse officier die de school met zijn troepen had bezet en daar nu al zes maanden bivakkeerde. De officier patrouilleerde geregeld in de straat.
‘Wat wilt u van me?’ stiet Charles uit.
De officier gaf geen antwoord, nam Charles bij de kraag en trok hem de gelagzaal van Bar L’Univers in. Tegen de muur stond een rij jonge mannen. Charles herkende de meesten, velen waren klasgenoten, anderen woonden ook in de buurt. Terwijl hij achter in de rij aansloot, hield een kaki pick-up voor de deur stil. Vier soldaten stapten uit. Een ijzige kou trok in Charles omhoog.
De officier had plaatsgenomen aan een tafel voor de toog. Twee soldaten flankeerden hem, de twee anderen surveilleerden de jongens.
Een voor een werden de jongens bij de officier geroepen; daarna greep een soldaat hen bij de arm en duwde hen de laadback van de pick-up in. Charles was de laatste aan de beurt. Een soldaat duwde hem op de stoel tegenover de officier. Op de tafel lagen een opengeslagen schrift, een rode en een blauwe balpen, een glas en een kruik bier.
De officier zette de punt van zijn blauwe balpen op een nieuwe regel. Op het schrift stond een soort tabel met aan het eind van elke lijn een rood kruis.
‘Naam?’ blafte hij.
‘Charles Reneau.’
‘Nationaliteit?’
‘Frans.’
‘Leeftijd?’
‘Zeventien jaar.’
‘Beroep?’
‘Muzikant.’
De officier, die Charles nog geen blik waardig had gekeurd, keek nu op. Hij nam een slok van zijn bier. ‘Welk instrument?’ vroeg hij.
‘Viool.’ Hij dacht aan zijn moeder die nu al ongerust moest zijn, en aan het stuk dat ze hadden ingeoefend voor Théophile Rolin.
‘Viool…’ De officier glimlachte kort. ‘Adres?’
‘456, boulevard Haussman.’
‘456?' De officier keek Charles onderzoekend aan.'De bel-etage?’
Charles knikte.
'Guadagnini?'
Charles knikte weer.
De officier legde zijn pen neer. Hij zat met zijn ellebogen op tafel, zijn handpalmen bedekten zijn gelaat. Toen hij opkeek, zag Charles dat zijn ogen vochtig waren. De officier consulteerde het gouden horloge om zijn pols. ‘Het is kwart voor elf. Gaat u nu maar, uw tijd is bijna aangebroken.'
De officier stond langzaam recht. Hij legde zijn hand op Charles' schouder en begeleidde hem naar de deur. Voor hij zich omdraaide en weer naar binnenging, deed hij teken dat de soldaten mochten gaan. Twee van hen klommen in de laadbak, de andere twee namen plaats in de cabine. Charles stond in de deuropening en keek naar de grond. Hij had de aandrang zich om te draaien, naar binnen te gaan en de officier te smeken zijn vrienden te sparen. Hij zou beloven viool te spelen, privé voor hem, alles wat hij wilde zou hij instuderen. Hij kon vandaag al beginnen, met het stuk voor Théophile Rolin, het concerto in re majeur van Johannes Brahms.
De motor startte.
Charles begon te rennen.
Wie pasticheer ik hier? Laat uw kleine vermoedens na op het reactieformulier.
Abonneren op:
Posts (Atom)