Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

maandag 17 mei 2010

Charlotte Gainsbourg



'U wilt dus veranderen,' constateerde de kapper.
Af en toe overvalt het me. Dan moet ik plots naar de kapper.
'Hoe wilt u het?'
'Doet u maar zo.' Ik wees naar een advertentie voor een parfum van Balenciaga, gepromoot door Charlotte Gainsbourg.
'Zo?'
Ik knikte.
'Maar dat kan helemaal niet! Daar is het veel te kort voor.'
'Maar ik wil dat het zo groeit.'
'Aha.' Hij keek van de advertentie naar mij en dan weer terug. 'Geen probleem.'

De vorige keer was het ook geen probleem geweest. Het resultaat was een faliekante mislukking en het voornemen in 2010 niet naar de kapper te gaan.
Toen ik een afspraak had gemaakt, had ik beslist dat het nu anders zou zijn. In de plaats van te lezen zou ik toekijken en ingrijpen indien nodig.
Maar dat was buiten het toeval gerekend. Voor ik vertrok, had ik een boek meegegrist. Ik had het gekozen omdat het zo klein en handig mee te nemen was, zonder te weten dat het ook verschrikkelijk goed was. Dat had ik ontdekt toen ik een halfuur mijn beurt moest afwachten. Ik was beginnen lezen en ik moest verder.

Terwijl ik de roman opdiste, gingen mijn gedachten naar Zeno Cosini, de hoofdpersoon van Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo, waarover ik hier al heb geschreven en die ik hier heb proberen na te bootsen.
Zeno Cosini is zevenenvijftig en blikt terug op zijn leven. De psychiater heeft hem aangeraden zijn memoires te schrijven, om zo zichzelf beter snappen. Zeno is een toonbeeld van zwakte. Aangezet door een schoolvriend is hij in zijn kindertijd beginnen roken en sedertdien is zijn leven een aaneenschakeling van laatste sigaretten. Hij is getrouwd, niet met het meisje waar hij verliefd op was, de mooie Ada Malfenti, maar wel met Ada's loensende zus. Mettertijd is hij van zijn vrouw gaan houden, wat hem niet heeft belet minnaressen te onderhouden. Zijn zakencarrière is een mislukking, en bovendien is hij een hypochonder. Zodra hij over een ziekte hoort, heeft hij het. Hij hoeft nog maar na te denken over de anatomie van het been of hij kan al niet meer normaal stappen.
Zo analyseert Zeno zichzelf voortdurend. Elke keer vindt hij iets om zijn doen en laten goed te praten en gelooft hij daar helemaal in.

Italo Svevo schreef Bekentenissen van Zeno tussen 1919 en 1923, toen de psychoanalyse in volle bloei was, en drijft goed de spot met de leer van Sigmund Freud.
Ondanks al zijn ondeugden houd ik van Zeno. We zijn allemaal een beetje Zeno's. Ik in elk geval. Neem nu ook weer. Alsof ik met een kapsel à la Charlotte Gainsbourg ook haar leven zou krijgen.

'Ziezo,' zei de kapper. 'Wat vindt u ervan?'
Ik keek op en ik wist niet of ik moest lachen of huilen. Het was anders, dat zeker. Veel korter en met rare pieken aan de zijkanten. Zelfs Zeno Cosini had zich niet kunnen wijsmaken dat het kapsel daar in de spiegel van Charlotte Gainsbourg was afgekeken.
'Nu laat u het groeien en dan wordt het zo,' zei de kapper met een blik op de Balenciaga-advertentie.
Dan moest ik nog minstens drie jaar wachten, dacht ik terwijl ik opstond. Ik vermeed het in de spiegel te kijken. Hier kwam ik niet meer terug, zoveel was zeker.
De kapper bleef achter me staan en keek naar mijn reflectie. 'Uw coupe doet me denken aan Sophie Marceau, kent u die actrice?'
Ik volgde zijn blik. Sophie Marceau dus.
We gingen naar de kassa en ik betaalde.
'Tot ziens,' zei de kapper.
'Tot binnenkort.' Ik wilde nog vragen of hij Zeno Cosini kende, maar hij was al op weg naar een volgende klant.

woensdag 12 mei 2010

Rode wijn

pas·ti·che [pastiesj(e)] de; m -s werkstuk in nabootsende stijl

Hier zit ik, aan mijn schrijftafel, met een potlood en een stapel wit papier. Als ik over mijn relatie met alcohol nadenk, slaan mijn gedachten op hol. Ik zie ze cirkelen in mijn hersenpan, om het snelst. Waar is mijn glas? Vandaag staat een Languedoc Roussillon op mijn programma: Parfum des Schistes. De wijn vloeit door mijn slokdarm naar mijn maag en vervoegt de ontbijtgranen die ik een uur geleden heb gegeten. Het wordt rustig daarboven. Ik herinner me iets waar ik jaren niet meer aan gedacht heb.

Op mijn elfde ben ik gedurende drie maanden misdienaar geweest. Op zondag diende ik de mis van tien uur met een jongen die enkele jaren ouder was dan ik, James. Bij onze kennismaking beweerde James dat ik niet durfde proeven van de kelk. Om hem de les te lezen nam ik een slok. Vanaf dan deed ik het voor elke zondagsviering, soms tot zes slokken toe. Het was mijn taak bij de consecratie op de gong te slaan en door de wijn kon ik me daar volledig op concentreren. Voor elke slok die ik nam kreeg ik van James een muntstuk uit de schaal. Na de mis wachtte ik thuis aan de keukentafel met gesloten ogen tot de hoofdpijn wegebde. Dan hoorde ik mijn moeder tegen mijn vader zeggen:
-Hoe vroom is hij geworden sedert hij de mis dient!

In die periode wist ik niet of ik de smaak van alcohol en de roes achteraf graag had of verafschuwde. Later heb ik ingezien dat ik het allemaal verafschuwde.
In mijn studententijd dronk ik bier als ik uitging, maar dat was om mijn kameraden te plezieren want zo'n vriend die alleen water drinkt verziekt de avond voor het hele gezelschap.
Toen ik begon te werken, kwam ik in aanraking met sterkedrank. Op mijn rondes vroegen de klanten of ik iets bleef drinken. Mijn vader was toen al gestorven, maar op die momenten dacht ik altijd aan de wijze woorden die hij had gesproken toen hij zijn zaak aan me had overgedragen.
-Vergeet nooit, Marcel, een vertrouwensrelatie met de klant is het grondvest van ons vak.

Ik moest mezelf overwinnen om die glaasjes Cognac en Porto binnen te krijgen. Ik kreeg er een leverkwaal van en op doktersvoorschrift bracht ik een week door in een kliniek in Oostenrijk.
De eerste klant die ik na mijn terugkeer bezocht, was een bejaarde dame die alleen woonde in een groot herenhuis, geen familie had en alleen bezoek kreeg van mij en van een huishoudster. Toen ik binnenkwam en zag dat de whiskyglazen op het buffet klaarstonden, zei ik een beetje gegeneerd dat ik geen sterkedrank meer mocht drinken. De dame vroeg me wat ik dan wel zou drinken. Thee, koffie, sinaasappelsap of water?
De mogelijkheden verontrustten me. Van thee word ik nerveus, koffie mag ik niet drinken, en fruitsappen verstoren mijn spijsvertering. Mijn dagelijks glas water had ik al gedronken en meer kan niet, anders verdunt mijn bloed te sterk. Ik wilde geen onnodige risico's nemen.
-Hebt u ook rode wijn? Dat is goed voor het hart.
De dame zond me een innemende glimlach en zei dat ze een grote wijnkelder had, nog van de tijd van haar echtgenoot.
Ik opperde dat we een kijkje konden nemen. Ik wilde haar het plezier van een bezoek niet ontzeggen. Met haar krukken kon ze niet alleen op de trap.
Die dag dronken we Cuvée Saint-Sauveur.

Toen de dame stierf, heb ik haar kelder geërfd. Omdat mijn vrouw niet drinkt en de wijn verzuurd zal zijn als mijn kinderen de volwassenheid hebben bereikt, zal ik hoogstpersoonlijk de kelder legen. Jegens de doden moeten we grootmoedig zijn. Mijn vrouw klaagt soms en dat begrijp ik. Het is een bezigheid die veel tijd opslorpt. Als ik ervan uitga dat ik zoals mijn vader tachtig jaar zal worden, moet ik elke dag anderhalve fles drinken. Dat is me tot nu toe altijd gelukt. Ik mag wel zeggen dat ik alles in het werk stel om mijn tempo op te drijven. Ik doe het voor mijn vrouw. Als ik klaar ben op mijn vijfenzeventigste, heb ik nog vijf jaar tijd voor haar.


Welke auteur pasticheer ik? U hoeft niet helemaal zeker te zijn om te reageren, ook kleine vermoedens zijn welkom.

maandag 10 mei 2010

Japans gazon



Het wordt stilaan een traditie: mei is regenmaand aan de Côte d'Azur. We hebben de wollen truien opgedist, de haard brandt weer en de wintervirussen zijn terug. Maar toen ik zaterdagmorgen de luiken opengooide, scheen de zon. Er waren alleen een paar wolken aan de randen van de hemel, meer als decoratie. Het was een goede dag om Japans gazon te zaaien.

In de garage vond ik een rakel, hark, spade, pikhouweel, eg, schoffel en drie boomzagen. De eg, rakel en spade nam ik ook in miniversie. De zonen hadden hun laarzen al aan en liepen bij wijze van opwarming om het hardst rond de terrastafel. Ik deelde het gereedschap uit en wilde nog instructies geven, maar de kinderen waren al in de uithoeken van de tuin verdwenen.
Ik haalde de kruiwagen, keerde terug naar de garage om tuinhandschoenen te zoeken, zette daarna een kruik water op de terrastafel, dronk een glas, stapte in mijn laarzen en dan was ik er klaar voor.

Toen ik in het tuincentrum de doos Gazon Japonais had gezien, had ik een visioen gekregen van een weide met hoog gras en veldbloemen in alle kleuren. Nu was het perk overwoekerd door hard gras, paardenbloemen en vreemdsoortig onkruid. De struiken die ik vorig jaar had geplant, waren bijna niet meer zichtbaar. Mijn eerste programmapunt was wieden, daarna spitten, dan zaaien. En dan hadden we binnen een week al de aanzet van een Japans gazon.

Toen ik begon te schoffelen, viel de eerste druppel.
Ik vulde twee kruiwagens met onkruid en een emmer met stenen en toen was de helft van het perk gewied. Het goot nu. Terwijl ik inhakte op de zware, kleverige aarde, hoorde ik de kinderen lachen. Toen ze even binnen een appel waren gaan halen, hadden ze hun tuinplannen vergeten. Met armen vol boeken waren ze door de regen naar de tent gerend.

Ik wilde echt verder werken, maar de regen roffelde aan een steeds sneller ritme op mijn hoofd. Als ik niet ophield, zou het altijd harder gaan regenen. Wilde ik misschien dat de tuin onderliep en de garagevloer zoals vorig jaar doornat was?
Ik ging naar binnen en zette de doos Gazon Japonais naast me op de sofa. Op mijn schrijftafel lagen al weken te wachten: De liefhebber (Hester Carvalho), Het eiland onder de zee (Isabel Allende), De openbaring van Roderer (Guillermo Martinez), De rode maan (Luis Leante), maar ook Vissen redden (Annelies Verbeke) en Vingt-quatre heures dans la vie d'une femme (Stefan Zweig) en Let the great world spin (Colum McCann) en Invisible (Paul Auster). Uit respect voor het gazon koos ik een boekje dat ik deze week pas ontving, Bonsai van de Chileense auteur Alejandro Zambra.

Op de binnenflap wordt de roman aangekondigd als "hét cultboek uit hedendaags Latijns-Amerika". Alejandro Zambra vertelt in 94 bladzijden de liefdesgeschiedenis van Emilia en Julio, hoe die begon en hoe die tot een eind kwam en wat daarna gebeurde. Julio en Emilia zijn grote lezers. Elke avond lezen ze samen: Yukio Mishima, Georges Perec, Raymond Carver, Emil Cioran, tot ze "Tantalia", een kort verhaal van Macedonio Fernández, in handen krijgen. Het verhaal, over een stel dat een plantje koopt als symbool van hun liefde maar ontdekt dat hun liefde zal sterven als het plantje sterft, tekent Julio en Emilia. Vanaf dan gaat het mis. Het laatste boek dat ze lezen is De kant van Swann van Marcel Proust, tot pagina 372.

Toen Bonsai in Chili verscheen, stond de literaire wereld daar op zijn kop. Alle recensies waren lovend. Wat had dit dunne boekje dan?
Bonsai is een veelgelaagd verhaal vol verwijzingen naar andere boeken en het is geschreven in een mooie uitgepuurde taal, maar het meest bijzondere is de verteller. Soms staat de vertelinstantie in het verhaal, soms distantieert hij zich. Dat werkt intrigerend: we gaan de betrouwbaarheid van de vertelinstantie in vraag stellen.
Het zou me verder niet verbazen als Zambra zich liet inspireren door Italo Calvino. Bonsai heeft iets van Als op een winternacht een reiziger.

Ik had het boekje heel snel uit en wilde het onmiddellijk opnieuw lezen, maar mijn ongeluk was dat ik naar buiten keek.
Het regende niet meer. Ik moest verder met mijn doos Gazon Japonais.