Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben.
(Harry Mulisch)

vrijdag 30 maart 2012

Eeuwig



De kinderen vochten voor de Stars Wars lepel in het pak ontbijtgranen, ze gooiden hun Nesquik om, ze wilden hun tanden niet poetsen, ze sprongen op de canapé en op elkaar, het hield niet op, als één ruzie was opgelost begon een andere, altijd door tot aan de schoolpoort. Uitgelaten stoven ze de koer op, als jonge honden, want dat zijn die drie jongens, jonge honden, in alles intens, als ze vechten of spelen, zelfs als ze lezen. Ik keek hen na en toen liep ik naar de auto, ik was anderhalf uur op, maar het voelde alsof ik al een halve dag wakker was.

In de auto zette ik de radio aan. Het ruisen van de radiostemmen bracht mijn gedachten op gang. Ik liet me meevoeren op het rustige ritme, daar zijn ze op France Inter en France Culture bedreven in, sommige mensen haten het maar ik vind het heerlijk, de trage discussies, de argumentatie in zwierige volzinnen, het helpt me om te denken, nu was dat ook weer zo, ik begon de week voor me te zien, de afspraken, de deadlines, de mails. Plots hield het vredige gonzen op. Er viel een stilte, dan vulde een ander stemgeluid de ether, een speciaal bericht: er was een schietpartij gebeurd bij een school in Toulouse, een onbekende schoot vier mensen dood waarvan drie kinderen.
Hoewel niets bekend was over de dader, dacht ik aan terrorisme of toch aan literatuur over terrorisme, dat had te maken met het boek dat ik aan het lezen was, De dolende dame van Pío Baroja, een roman uit 1908 die nu voor het eerst in het Nederlands is verschenen, waarin een aanslag wordt gepleegd tegen het Spaanse koningspaar.
De uit Baskenland afkomstige Pío Baroja (1872-1956) putte inspiratie uit de bomaanslag van de Calle Mayor in Madrid in 1906, toen anarchisten de jonge koning Alfons XIII en zijn bruid Victoria Eugénie van Battenberg viseerden. Zij bleven ongedeerd, maar er vielen achtentwintig doden. De aanslag zorgde voor grote consternatie, niet in het minst bij de auteur zelf die mensen kende die erbij betrokken waren.

De hoofdpersonages van De dolende dame zijn de succesvolle, zelfingenomen dokter Enrique Aracil en zijn dochter María. Omdat ze de anarchistische bommengooier kennen, zijn ze bang te worden gearresteerd en beticht van medeplichtigheid. Via het onherbergzame Spaanse binnenland vluchten ze naar Portugal waar ze de boot nemen naar Groot-Brittannië.
De dolende dame is het eerste deel van de trilogie Ras van Pío Baroja, die samen met Miguel de Unamuno een van de belangrijkste auteurs was van de Generatie van ’98, in het totaal zesenzestig romans schreef en door Ernest Hemingway op handen werd gedragen. Het is Baroja's beste werk niet. De roman leest vlot en het relaas van de vlucht, doorspekt met pittoreske landschapsbeschrijvingen en ontmoetingen, is sfeervol, maar grote literatuur kan dit niet worden genoemd. Interessanter is de waarde van de roman als tijdsdocument. Na het verliezen van zijn laatste overzeese kolonies in 1898 kreeg Spanje een economische en een morele klap. De bevolking was ontgoocheld en leidde een ellendig leven, wat Baroja tot uiting laat komen in een waaier van personages uit allerlei maatschappelijke klassen en beroepen.

Ik hoorde het nieuwsbericht en dacht, Wat was het motief van de dader toen? Teleurstelling? Woede? Wraakzucht? Of/en was hij geestesziek? En waarom? Was het iets genetisch of een ziekte van de tijd?

En wat bezielde de schutter in Toulouse?

Ik wilde hier niet over nadenken, ik was bang om na te denken, ik herinnerde me het ontbijt met mijn kinderen een half uur eerder, hoe ze aan tafel riepen en lachten en ruzieden zoals de drie slachtoffers in Toulouse op dat tijdstip waarschijnlijk ook hadden gedaan, ik dacht aan hun ouders die naast hen hadden gestaan, het leven dat in hun ogen nog eeuwig leek een uur of een half uur geleden.

De dolende dame, Menken Kasander en Wigman, 215 p.

Geen opmerkingen: